Nederlandsche Spectator met de Bril (1786-1787)

Titelbeschrijving
De Nederlandsche Spectator.
Vanaf nr. 15: De Nederlandsche Spectator met de Bril.

Periodiciteit
Het openingsnummer van de ongedateerde Nederlandsche spectator verscheen medio juli 1786. In de Hollandsche Historische Courant van 21 november 1786 werd aflevering 16 aangekondigd. In nr. 4 (p. 27) wordt in de tekst voor het eerst een datum vermeld, 5 augustus 1786. Later volgen nog enkele data, waarmee de verschijningsperiode kan worden gereconstrueerd. Het laatste nummer van De Nederlandsche Spectator (nr. 14) kwam eind van november 1786 uit.
Nr. 15 kreeg de nieuwe titel De Nederlandsche Spectator met de Bril, als gevolg van het aantreden van een nieuwe redacteur, ‘een rechte Spotvogel, – […] te kennen door een Mops Gesicht met een Crystalyne Bril op de Neus’. De nummering en paginering lopen ondanks deze titelverandering gewoon door. Aangezien er ook geen formele wijzigingen optreden, wordt het weekblad, dat vast op de maandag verscheen, hier in één lemma behandeld.
Op 14 oktober 1787 verbood de stad Utrecht de verdere verspreiding van De Nederlandsche Spectator met de Bril. Terzelfder tijd vaardigde ook de Amsterdamse vroedschap een verbod uit, omdat het weekblad tijdens de belegering van Amsterdam in september 1787 inwoners had opgeroepen geen toegang te verlenen aan het Pruisisch krijgsvolk dat voor de stad lag. Het formele verbod van de Amsterdamse magistraat dateert echter van 23 november 1787. Daarvoor vormde nr. 60, waarin stadhouder Willem V wordt gehekeld, de concrete aanleiding. Na nr. 62 hield De Nederlandsche Spectator met de Bril op te bestaan.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering bevat doorgaans zestien pagina’s in octavo. De eerste 52 afleveringen in de reeks zijn – afgezien van telfouten, die in sommige exemplaren hersteld zijn – doorlopend genummerd en gepagineerd. Vanaf aflevering 53 wordt opnieuw gepagineerd.

Boekhistorische beschrijving
De Nederlandsche Spectator (met de B) werd door de Amsterdammer Jan Verlem gedrukt en uitgegeven. Zijn winkel in de Warmoesstraat fungeerde ook als bezorgadres voor ter plaatsing bedoelde brieven. Het blad was verder verkrijgbaar te

Alkmaar, Hartemink, Arnhem, Moelman, ’s Hertogenbosch, Palier, Dordrecht, Blussé, de Haas, van Braam en van Vlucht; Deventer, Brouwer en van Beek; Delft, Verbeek en Grauwenhaan; Franeker, Romar, Gouda, Verblaauw, Groningen, Huysing en Doekema; ’s Hage, Plaat, van Drecht, Wynands, Thiery en Mensing; Haarlem, Kampman en de Wed. van Brussel; Hoorn, Vermande; Kampen, M. van Laar; Leyden, de Does, Herding, Heyligert, Honkoop en A. Koster; Leeuwaarden, Cahais en Siccema; Middelburg, Gillissen en J. en W. Abrahams; Nymegen, van Goor en van Campen; Purmerent, J. Rins; Rotterdam, D. Vis, Krap, de Leeuw, Bronkhorst en van den Dries; Schiedam, Bakker; Utrecht, Wild, Stubbe, van Driel, G.T. van Paddenburg en J. Visch; Zaandam, Quakkelsteyn; en Zutphen, van Beest.

De colofon van nr. 15, tevens het eerste nummer met toevoeging ‘met de Bril’, vermeldt dat het blad voortaan te koop was ‘in alle de Steden by de weldenkende Boekhandelaren van ons Nederland’.
In verschillende bladen werd De Nederlandsche Spectator met de Bril aangekondigd, onder meer de nrs. 36-38 in de Nederlandsche Courant van 23 april 1787.
Per aflevering kostte het blad 1½ stuiver.

Medewerkers
De auteur van de eerste veertien afleveringen van De Nederlandsche Spectator omschrijft zichzelf als iemand met ‘een lang en mager geraamte, welks aangezigt zich uit een smeerige zwarte wolk van samengesteld hair vertoont, dat afhangt […]. Een bruine lakense rok, met lange panden, omgord myne dorre leden’. Deze gesjeesde student wordt wel voor een ex-jezuïet gehouden; hij is van gevorderde leeftijd.
In nr. 15 schrijft de redactie dat deze schrijver om niet nader gegeven redenen afziet van verdere medewerking aan het blad. Een van de redactieleden stelt een zekere Hendrik Trippeltrap voor, ‘een onverbeterlyk kaerel, die alle hoeken en gaten van ’t menschelyk Hart en de geleerde Waereld heeft doorgezien’. Gezien de wel heel specifieke inhoudelijke en topografische (De Graafschap, Achterhoek en Wijk bij Duurstede) berichtgeving lijkt de lutherse predikant Hendrik BERGH (1747-1792) de belangrijkste figuur achter dit weekblad; hij treedt ook één keer op onder zijn eigen naam. Zijn betrokkenheid wordt tevens bevestigd door de onbekende auteur van de Lees-cedul en lykstaatie van Kees Salm (1787) en van het eveneens anonieme Amstels driedaags treurtooneel (1790).
Bergh is een voorbeeld van een zogenoemde ‘kanzelhuzaar’, een militair-predikant die lokale democratische bewegingen steunde en in de politieke grafiek doorgaans overlangs half in toga, half in uniform wordt afgebeeld. Hij was waarschijnlijk niet vanaf het begin bij de Spectator betrokken, maar maakte zijn opwachting met nr. 15, het eerste nummer van De Spectator met de Bril, waar hij zich met een doorzichtig pseudoniem als Hendrik Trippeltrap voorstelde. Volgens zijn eigen introductie zou hij sinds zijn tiende jaar door een ongelukkige val kreupel zijn. Na zijn studie te Halle (1768-1771) werd Bergh in 1772 proponent bij de Lutherse gemeente in Amsterdam en daarna achtereenvolgens beroepen te Zierikzee (1774), Middelburg (1775), Groede (1776) en Doetinchem (1781-1786).
Bergh, die de adellijke democraten, de neven Joan Derk en Robert Jasper van der Capellen mateloos bewonderde, sloot zich in het begin van de jaren tachtig van de achttiende eeuw aan bij de patriotse beweging. Hij richtte in die tijd een wapengenootschap te Doetinchem (en Doesburg) op. Als luthers predikant was hij principieel antimilitaristisch, maar als burger achtte hij zijn verplichtingen jegens zijn stad zwaarder.
In juli 1784 diende hij met Robert Jasper van der Capellen van de Marsch namens 180 ingezetenen een rekest in bij de Doetinchemse magistraat, waarin werd aangedrongen op het functionele herstel van het college van gezworen leden en de schutterij. Door zijn inzet voor andere dan zijn geloofsnoten alleen verwierf hij ook sympathie onder de katholieke gemeenschap in de regio.
In februari 1787 verbleef deze ‘onrustigen, woelzieke geest, en alleen geagt bij lieden van zijnen stempel’ in Amsterdam, waar hij het redactiewerk aan De Nederlandsche Spectator met de Bril voortzette. In maart 1787 werd Bergh na een lang proces bij verstek veroordeeld tot publieke spijtbetuiging en een boete, maar toen was hij al gevlucht naar de vrijplaats Wijk bij Duurstede. Ook daar kreeg hij het al gauw aan de stok met enkele plaatsgenoten. Bij de inval van de Pruisen in september 1787 vluchtte Bergh eerst naar de Zuidelijke Nederlanden, daarna naar St. Omer en Duinkerken, waar hij vermoedelijk in april 1792 overleed.

De redactie van De Spectator bestond uit acht personen, van wie twee vanuit de zijlijn opereerden. Naast hoofdredacteur Hendrik Bergh traden nog de volgende vijf schrijvers op, ‘werkende leden’ van redactie met speaking names: de predikant en letterkundige Jabes Christiaan Hartlyk, die teleurgesteld in de mensheid zijn toga aan de kapstok hing om de rest van zijn leven ‘bespiegelend’ door te brengen en de Friese arts Duko van Wel, wiens praktijk niet meer dan twaalf patiënten mocht tellen, omdat het onmogelijk is ‘dat één mensch behoorlyk over een groote menigte verschillende gestellen en temperamenten gelyktydig kan denken’. De derde schrijver was de rijke en bejaarde rechtsgeleerde Christianus Recht, die zich ‘in een luim van gemelykheid’ aan een ‘Spectatoriaal leven’ had overgegeven, de vierde was de zeeofficier Alexander van Held, ‘kapitein geworden omdat men hem niet wel voorby kon gaan’, de vijfde ten slotte was de dichter Pieter Dwaasvliet, te verlegen om zijn werk te publiceren.
Wat het precieze aandeel was van deze niet gemakkelijk te herleiden schrijvers – als ze al bestaan hebben – is nauwelijks meer te achterhalen. Ze mogen dan wel ‘werkend lid’ zijn, zij hebben de onbekende oorspronkelijke auteur van de nrs. 1-14 ‘verëerd met den last van de Vertoogen van ons Genootschap, en van die ons worden toegezonden, te plaatsen’. Bergh viel die ‘eer’ vanaf nr. 15 ten deel.

Inhoud
Het eerste nummer begint met een citaat uit de Art poétique (1674) van de in tijdschriften veel geciteerde Franse auteur Nicolas Boileau.Verschillendeafleveringen worden geopend met een citaat: meestal van een Franse schrijver, soms van een Nederlandse, zoals Johannes Nomsz.
Begonnen als spectator ontwikkelt De Nederlandsche Spectator met de Bril zich hoe langer hoe meer tot een ironisch, soms satirisch weekblad. Veel onderwerpen gaan over Gelderland: niet verwonderlijk voor een redacteur die in die provincie bij veel openbare activiteiten betrokken was. Zo komen bijdragen over (Gelderse) aristocratie, gewapende genootschappen, al dan niet in de Achterhoek, een vacante plaats van de scherprechter in Gelderland, beschimping van Gelderse edelen als Suideras, Van Enghuizen en Van Rouwenoort voor.
Daarnaast wordt veel ruimte besteed aan gebeurtenissen in Wijk bij Duurstede, de vrijplaats waar Bergh ook enige tijd (politiek) onderdak vond. Verder gaat de aandacht uit naar onderwerpen als bezoeken aan schouwburg of kolfbaan, vertogen en ingezonden brieven ter stimulering van het lidmaatschap van gewapende genootschappen en burgersociëteiten, hekeling van damesmode, travestierollen op het toneel, rouwcultuur, reputatie van predikanten, volksverleiding en een enkel gedicht. Vaak worden woorden op hun kop of achterstevoren afgedrukt, de meest letterlijke vorm van ironie.
In de loop van 1787 blijken verscheidene berichten geënt te zijn op de Janus van 1787. Zo komt er onder meer een parodie voor op een advertentie van de neven Zyldam: terwijl de ene neef in de bladen als een van de medewerkers van het ‘schendblad’ Janus wordt genoemd, haast de andere zich in dezelfde kranten te melden dat hij niets te maken had met dat blad, dat ‘den Vorst en zyne Edelen aanrand en in het aangezigte spuigt’.
Bergh neemt enkele keren duidelijk afstand van de inhoud van de brieven van zijn correspondenten: hij neemt de meeste ingezonden stukken wel op, maar voelt zich niet verantwoordelijk voor de inhoud. Slechts via toevalstreffers weten we iets over lezers: zo had de grote Sociëteit te Groningen een abonnement, dat eind 1786 vanwege krappe financiën weer werd opgezegd.

Relatie tot andere periodieken
In 1795 kwamen 40 afleveringen van De Nieuwe Spectator met de Bril (1795) uit bij Steven van Bronkhorst en Willem Carel Pieter van Riemsdijk te Bergen op Zoom en bij Martinus van Kolm te Amsterdam. Aangezien Bergh vermoedelijk in 1791 te Duinkerken was overleden, zal hij aan dat blad niet hebben meegewerkt.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: Z 2628 (nrs. 1-62)
¶ Full text nrs. 15-52

Bronnen
¶ Utrecht, Het Utrechts Archief: vroedschapsnotulen van 14 oktober 1787
Utrechtsche Courant van 6 augustus 1787 (reactie op een brief in De Nederlandsche Spectator)
Geldersche Historische Courant van 11 oktober 1787
Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken, deel 22-4 ((Leiden-Amsterdam, oktober 1787), p. 4106-4108
Lees-cedul en lykstaatie van Kees Salm (z.p. 1787)
Het groot toneel van verwarringen, in Amsterdam en elders vertoond, in de zomer des jaars 1787 (Amsterdam 1791), p. 216
Ingevolge de ordre van myne Heeren van de Geregte word aan alle gildebroederen aangezegt zig te wagten om te drukken, verkopen of distribueeren De Nederlandsche Spectator met de Bril en gelast van het zelve, inzonderheid no 60. alle de voorhande zynde exemplaaren aan brenger deses mede te geeven (Amsterdam 23 november 1787) [het enige ex. UBA UBM KVB 6408i is vermist]
¶ Jan Wagenaar, Vaderlandsche historie, deel 17 (Amsterdam 1796), p. 233
Amstels driedaags treurtooneel (z.p. 1790), passim.

Literatuur
¶ P. van Wissing, ‘Hendrik Bergh’, in: Biografisch woordenboek Gelderland, deel 2 (Hilversum 2000), p. 17-20
¶ P. van Wissing, Stokebrand Janus 1787. Opkomst en ondergang van een achttiende-eeuws satirisch politiek-literair weekblad (Nijmegen 2003)
¶ T. Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794 (Amsterdam 1998), nr. 175
¶ J.K.H. van der Meer, Patriotten in Groningen 1780-1795 (Assen 1996), p. 41
¶ C.Ch.G. Visser, ‘Hendrik Bergh’ in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 3 (Kampen 1988), p. 37.

Pieter van Wissing