Neerlandsch Echo (1770-1771)

Titelbeschrijving
Neerlandsch Echo. Of Weer-Klank van Klugtige, Schertsende, Raare, Snaaksche, Verliefde, Galante, Bespottelyke, Schelmagtige, Listige zoo stille als openbaare Gerugten. Doormengt met Satyrique Aanmerkingen, die de ongeregelde en openbaare Zotheeden, der wulpsche, verkwistende, en Hoogmoedige Nederlanderen, volmaakt vertoonen enz.
¶ In het titelblok van de afleveringen: Neerlandsch Echo. of Weer-Klank van Klugtige, Raare, Satyrique, Bespottelyke, en Wetenswaardige Geruchten: die de Wonderlyke Zotheeden der Waereld, volmaakt vertoonen.

Periodiciteit
Voor de nrs. 1 t/m 3 van dit maandags weekblad wordt geadverteerd in de Leydse Courant van 26 november 1770. Daarom moet nr. 1 begin november 1770 in de winkel hebben gelegen. Er zijn 56 nrs. verschenen (vgl. ‘Compleet in Sesenvyftig Spectatoriale Vertoogen’ op de titelpagina, maar abusievelijk 57 nrs. volgens de inhoudsopgave). 
Het blad werd begin november 1771 in Amsterdam verboden, volgens Jongenelen (2014) zeer waarschijnlijk na een klacht van de actrice Maria Huisman, die in de Echo van prostitutie was beschuldigd.
Ten tijde van het verbod was de naam van de auteur van de Echo nog niet bekend. Er verscheen een tweetal pamfletten naar aanleiding van het verbod: Vreugde-galm, toegewyd, aan alle welmeenende, op het verbieden, van het brutaal, lasterlyk en vuylaardig paskwil-schrift, genaamd Neerlandsch Echo (z.p. [1771]) en Vrymoedige doch onpartydige bedenkingen. Over den verhaaste dood en verryzenis van den al te streng geroskamde en gehekelde schryver der weekelyksche Nederlandsche Echo (z.p. [1771]) dat ondertekend is met Paulatinus Philocalus (=Willem Ockers). 
In de Leydse Courant van 27 november 1771 worden behalve deze laatste reactie ook genoemd: 

Neerlandsch Echo, tegen het infaame Laffe Eer-Roovende en lasterende Prul-Schrift (genaamd Lyk- en Geboorten-Zang&c. &c. door J.L.C.V.B.) Verdedigd. Nog de Onsterfelykheid van Neerlandsch Echo Verheerlykt, tegen den Rymelaar van het Graf-Schrift enz.

Al eerder was de auteur van plan geweest het blad – en vooral zijn relatie met de drukker-uitgever ervan – te beëindigen. Eén van de schrijvers uit diens fonds, de zojuist genoemde Ockers, was namelijk een lastercampagne tegen de schrijver van de Echo begonnen. Deze zag dat als verraad van de uitgever en besloot een jaargang vol te maken en over te stappen naar een andere uitgever.

Bibliografische beschrijving
Met uitzondering van nr. 21 tellen alle afleveringen 8 pagina’s in groot octavo.
Het ongepagineerde voorwerk van de bundel bestaat uit achtereenvolgens: french title, ‘Verklaaring van de Tytel-plaat’, frontispiece, titelpagina, ‘Opdracht aan myn beminnenswaerdige Pommersche Weduwe’ en een register met uitgebreide inhoudsbeschrijvingen per aflevering.
Op de frontispiece is een schrijvende man uitgebeeld, zittend aan een tafel en achter hem twee allegorische figuren: de Waarheid en Fortuna op het Rad. De Waarheid heeft een roskam in haar hand. Op de vloer bevinden zich een dansende aap, een putto en een paar ratten. Door het raam is de Pommerse weduwe (?) te zien. De prent zou later, met kleine wijzigingen, ook worden gebruikt als frontispiece van Hoefnagels Nederlandsche Overweeger (1771-1772).

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘Gedrukt voor den Auteur en zyn in Commissie te bekomen. By F.H. Demter, Boekverkooper’. De colofon van nr. 2 noemt als overige verkoopadressen: 

In Rotterdam by de Vissen, ’sHage J.P. Wynandt en Bakhuisen, Amsterdam de meeste Boekverkopers, Leiden Honkoop en Heiligerd, Utrecht Schoonhoven en Spruyt, Delft van der Smout, Haarlem van Delden, Gouda van der Klos en in alle buiten Steeden by de Boekverkoopers.

Prijs per aflevering: 1½ stuiver.
In de Oprechte Haerlemse Courant van 8 februari 1772 biedt Demter het voorwerk van de bundel aan voor 6 stuivers. Hij voegt als NB toe aan de advertentie: ‘Om de Nieuwsgierigheid der Lezeren te voldoen heeft den Auteur zyn Naam op ’t Tytelblad geplaatst’.

Medewerkers
De periodiek is blijkens de titelpagina geschreven door Nicolaas François HOEFNAGEL (1735-1784). Deze broodschrijver, afkomstig uit Monnickendam, was in de jaren zeventig en tachtig in Amsterdam woonachtig. Hij staat bekend als kenner van de zelfkant van het leven en heeft verschillende schimp- en lasterbladen op zijn naam staan. Vanaf 1779 zou hij zich voornamelijk gaan toeleggen op politieke geschriften, waarin zijn satirische schrijfstijl overigens nog altijd goed herkenbaar is.

Inhoud
Kenmerkend voor de satirische tijdschriften van Klaas Hoefnagel zijn de cryptische toespelingen op gebeurtenissen waarin zijn slachtoffers een rol spelen. Dat het om satire gaat, blijkt uit het citaat uit Horatius’ Satiren op de titelpagina: 

Audire, atque togam jubeo Componere, quisquis
Ambitione malâ aut argenti pallet amore,
Quisquis Luxurià — —
Hor. L. II. Sat. III. 77

In deel 6 van de Spectator, of Verrezene Socrates is dit aldus vertaald: ‘Hy hoor myn lessen dan met een bedaart gemoedt,/ Die aan de Staatzucht, of de zucht naar geldt en goedt,/ Aan wulpsche dartelheit of andere gebréken/ Der ziele deerlyk quynt’ (p. 405).

Hoefnagel noemt zijn blad op de titelpagina ook ‘Spectatoriale vertoogen’, maar die zijn niet te vergelijken met die van bijvoorbeeld Van Effen. De vertogen van Hoefnagel hebben weliswaar een zedekundig of moraliserend aspect, maar altijd speelt hij op de man. Hij personaliseert, maakt mensen uit zijn nabije omgeving te schande en laat zijn lezers vooral meegenieten van hun misdragingen. Dit roept bij ene Philippus Humanus (?) de volgende reactie op: Brief aan den schryver van de Neerlandsche Echo, en wel hoofdzaakelyk over zyn particularizeren en pasquiljeeren in’t XVII. vertoog (z.p. [1771]).
Bij Hoefnagel zijn voorwerp van spot, aldus Jongenelen (2014), ‘lapzwanzerige rijkeluiszoontjes en onbetrouwbare zakenjongens die, vergezeld van een aantrekkelijke dame, in protserige koetsen langs de Overtoom sjeesden, maar nooit hun rekeningen betaalden’.
Veel anekdotes in het schandaalblad gaan over de Pommerse weduwe. Bedoeld is Anna Elisabet Blaasenberg, gehuwd met Louis Theodorus Pomeresschen. Zij kreeg na zijn overlijden in 1768 een verhouding met Jan Carel Somers, eigenaar van buitenhuis Saxenburg aan de Overtoom. Over haar schreef Hoefnagel ook andere pamfletten, waaronder De klagende Pommersche weduwe vertroost, en haar ongelukkige Overtoomsche koets vojagie ten toon gestelt. Een aertig dichtkundig antiquitytje tot opheldering van ’t weeuwtje, haare zonderlinge levens-gevallen, waar van tot heden nog niets in de Nederlandsche Echo gemeldt is (z.p. [1771]). Dit vond gretig aftrek, getuige de tweede druk die ervan verscheen (Leydse Courant 26 juli 1771). 
Hoefnagel besteedt in zijn Echo echter meer aandacht aan de buitenechtelijke avonturen van apotheker Willem Blok en zijn familie. Ook diens vrouw nam het blijkens de Echo niet zo nauw met de huwelijkse moraal; bovendien deed zijn dochter het met haar stiefvader. De echtelijke en buitenechtelijke perikelen van al deze Amsterdamse personages worden door Hoefnagel breed uitgemeten.

Hoefnagel schreef zelf een recensie van de Echo in de vorm van het volgende pamflet: Herbergs praatje. Over het wekelyksche blaadje genaamt den Echo, waar in den schryver voor zyn vuil en lasterlyk heekelen, op een geeestigen [sic] wys afgerost, en zyn perzoon en caracter aan ’t publiek opentlyk ten toon gesteld word. In een zaamenspraak tusschen agt perzoonen gehouden in een welbekende herberg binnen Amsteldam (Amsterdam [1771]).
Andere reacties:
¶ Echo. Gevonden op den Rapenburger gracht (z.p. [1771]) 
Brief van een’ voornaam heer uit Noordholland aan zyn’ vriend te Rotterdam, over het laffe, chocquante en eerrovende prulschrift, tot opschrift voerende: Neerlandsch Echo , of Weerklank van klugtige, raare, satyrique, bespottelyke en weetenswaardige geruchten: die de wonderlyke zotheden der waereld volmaakt vertoonen. Met het waare character van deszelfs schryver, om geplaatst te kunnen worden by den nu compleeten Echo (Amsterdam 1771) 
Op dit laatste pamflet had Hoefnagel het volgende antwoord: Echte en waare verantwoordiging van Nicolaas Hoefnagel schryver van de Neerlandsche Echo. Zynde  hier in eene opregte bekentenis van zyn persoon en karacter te vinden, benevens een sagte streeling, voor de leugenagtige Noordhollandsche brief-schryver, en meer anderen; die de lezers godloos door leugenen en valsche omschryvingen misleid hebben: zynde dit een werkje, waar in Nicolas Hoefnagel; schryver van de Nederlandsche Echo, zich tegen zyne tegenschryvers verregtvaerdigt, enz. (Amsterdam, by F.H. Demter enz. 1771).

Relatie tot andere periodieken
Onmiddellijk na het verbod in Amsterdam begon Hoefnagel met De Nederlandsche Overweeger (1771-1772)

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 3107 B 29
¶ Full text 

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, ‘De papieren schandpaal. De laster- en schimpbladen (1770-1774) van Nicolaas Hoefnagel’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37 (2014), p. 188-201
¶ Ton Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794 (Amsterdam 1998), p. 35 (nr. 110)
¶ André Hanou, ‘Bibliografie Nicolaas Hoefnagel (1735-1784) – I’, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw nr. 18 (1973), p. 22 (noot 87, 88)
¶ André Hanou, ‘Bibliografie Nicolaas Hoefnagel (1735-1784) – II’, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw nr. 21 (1973), p. 15-26, aldaar p. 22 (nr. 96 en noot 89)
¶ André Hanou, ‘Een 18e-eeuwse broodschrijver: Nicolaas François Hoefnagel (1735-84) – I en II’, in: Spektator 2 (1972-1973), p. 61-81 en 535-547
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘Nicolaas Hoefnagel als journalist’, in Nederlandsche Spectator 1881, p. 172-175, 180-182.

Rietje van Vliet