Nieuwe Amsterdamsche Postryder (1718-1720)

Titelbeschrijving
Nieuwe Amsterdamsche Postryder, verhalende op een boertige wys, het voornaamste nieuws uyt alle gewesten.

Periodiciteit
Voor de Postryder verscheen een advertentie in Jan van Gysens Weekelyksche Amsterdamsche Merkuur (1718, p. 116): in januari komt de Postryder voor het eerst van de pers en ‘staat alle weeken precies te vervolgen’.
Dat er minimaal elf afleveringen zijn verschenen, blijkt uit een verwijzing van Jan van Gysen in nr. 36 van zijn Merkurius (maart? 1718, p. 142), naar de ‘Postryder, negen, tien en elfde’. De Katalogus van de Atlas van Stolk maakt gewag van een aflevering van de ‘maandelijcke Amsterdamsche Postryder’ uit oktober 1720.

Boekhistorische gegevens
Het blad werd gedrukt en uitgegeven te Amsterdam door Jacobus van Egmont.

Medewerkers
De Postryder verscheen op naam van ene J.R., achter wie volgens De schim van Robert Hennebo (1767) de boertige toneelschrijver Jacob ROSSEAU schuilging.

Inhoud
Omdat de anonieme schrijver van de Schim (p. 17) in een noot spreekt van de ‘Nieuwe Amsteldamsche Rym-Postryder’, zou het moeten gaan om een op rijm gezette tekst. Maar in geen van Van Egmonts advertenties is sprake van een blad op rijm. Aangezien de Schim een uitgave uit 1767 betreft dat vermoedelijk veel eerder is geschreven, lijkt het waarschijnlijker dat een uitgever/redacteur de noot heeft toegevoegd zonder het rijmgehalte van de Postryder te verifiëren.
Wat wel vast staat, is dat het blad ‘op een Boertige Wys’, aldus de advertenties in de Merkuur, ‘het voornaamste Nieuws uyt alle Gewesten’ verhaalde.

Relatie tot andere periodieken
Rosseau probeerde met zijn Postryder (1718) het succes van de Weekelyksche Amsterdamsche Merkuuren (1710-1722), eveneens uitgegeven door Van Egmont, te evenaren. Rosseau werd daardoor een serieuze concurrent van Jan van Gyzen, de auteur van de mercuren. Deze beschouwde de betrokkenheid van zijn uitgever bij de Postryder dan ook als verraad en vertrok naar diens concurrent Hendrik van Monnem.
Een ruzie tussen Van Gyzen en Van Egmont, tussen Van Egmont en Van Monnem, en tussen Van Gyzen en Rosseau, was het gevolg. Die werd op straat breed uitgemeten door de lopers van de mercuren. Het op rijm geschreven Antwoord van de Post-Ryder, op Jan van Gyzens 30ste Merkurius (Amsterdam, J. van Egmont 1718) heeft betrekking op deze concurrentiestrijd. Zo ook de Merkurius van Jan van Gysen.
In het hierboven aangehaalde nr. 36 verwijst hij bijvoorbeeld naar de ‘Postryder, negen, tien en elfde’, welke afleveringen voor hem, Jan van Gysen, nogal grievend zouden zijn. In nr. 37 (ca. april 1718, p. 147) staat eveneens een citaat uit de Postryder, namelijk een ‘Grafschrift’ op François Nicolaas Fagel († 23 februari 1718): ‘Dees zerk daar leyd held Fagel onder,/ Vreesde voor geen Oorlogs donder,/ Maar stont in ‘t felst van het Vuur,/ Pal als een metale muur’. Geen wonder dat Van Gysen vervolgens breeduit de spot drijft met dit vers.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 556 J 4 (deel 7, na nr. 30) (Antwoord van de Post-Ryder).

Literatuur
¶ R. Beentjes, ‘“… En de man hiet Jan van Gyzen.” Een verslag van twaalf jaar lief en leed in Jan van Gyssens Weekelyksche Amsterdamsche Merkuuren (1710-1722)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, 17 (1994) 1, p. 1-14, 12
¶ J.Z. Kannegieter, De Amsterdamse Jordaan. Een onderzoek naar de oorsprong van de naam (Amsterdam 1959), p. 28
¶ C.J. Gimpel, ‘Jan van Gijsen, de Amsterdamsche volkspoëet’, in Jaarboek Amstelodamum 1919, p. 81-113, 108
Atlas van Stolk. Katalogus der historie-, spot- en zinneprenten betrekkelijk de geschiedenis van Nederland, deel 4 (Amsterdam, 1900), p. 403.
De schim van Robert Hennebo, z.p. [1767], p. 17-18

Rietje van Vliet