Nieuwe Spectator met de Bril (1795)

Titelbeschrijving
De Nieuwe Spectator met de Bril.

Periodiciteit
Het weekblad verscheen iedere maandag van februari t/m november 1795. In de Nationaale Courant van 20 februari 1795 wordt nr. 1 aangekondigd. Er zijn 40 nrs. verschenen, zo meldt Saakes in zijn Naamlijst van december 1795 (p. 207). Uitgever noch schrijver kondigt het einde van het blad aan.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 8 doorgenummerde pagina’s in octavo (320 pagina’s). Het titelblok bevat slechts de titel en het volgnummer.

Boekhistorische gegevens
De colofon van nr. 1 geeft een lijst met verkoopadressen:

te Bergen-op-Zoom, by van Riemsdyk en Bronkhorst; Breda, Wed. Ter Veen en Zoon; Schoonhoven, Schieke; Alkmaar, Hartemink; Zaandam, Tolk; Hoorn, Breebaart; Delft, de Vries; Gouda, Verblaauw; Schiedam, Bakker; ’s Hage, Leeuwenstein;s Bosch, Pallier; Zwol, Thyl en Zoon; Haarlem, C.B. van Brussel; Amsterdam, M. van Kolm; Harlingen, Stuurman; Leeuwaarden, van der Haak; Sneek, Eransma; Arnhem, Nyhof; Groningen, Zuidema en Doekema, en verder alom in de meeste Boekwinkels van Nederland.

Aanwijzingen over de daadwerkelijke uitgever zijn te vinden in Saakes’ Naamlijst van 1795 (p. 115 en 207). Saakes kondigt in februari 1795 nr. 1 van de Nieuwe Spectator aan, onder vermelding van de uitgever Martinus van Kolm. Van Kolm was gevestigd in de Tuinstraat te Amsterdam en heeft vele radicaal-revolutionaire volksblaadjes in zijn fonds. Hij adverteert in de Nationaale Courant van 8 april 1795 voor de Samenspraak tusschen Kees en Lourens (1795) en meldt van de Nieuwe Spectator met de Bril dat de nrs. 1-8 herdrukt zijn.
De 40 nrs. tezamen zijn volgens Saakes uitgegeven door J. Verlem, gevestigd in de Warmoesstraat te Amsterdam. Dat er op een gegeven moment vermoedelijk een wisseling van uitgever heeft plaatsgevonden, is ook af te leiden uit de colofon van de nrs. 20-21. Daar wordt als enig verkoopadres genoemd alle boekwinkels ‘alwaar de Domkop à 1 st. te bekomen is’. De Domkop of Nationaal Volksboek (1795-1796) was blijkens het impressum aldaar te koop bij ‘de Burgers J. Verlem en R. Dóll Timman’.
Prijs per aflevering: 1½ stuiver.

Medewerkers
In nr. 1 staat een oproep om brieven ter publicatie in te zenden. Hier wordt gehoor aan gegeven want het hele blad bestaat grotendeels uit ingezonden (gefingeerde) brieven van auteurs die zich achter pseudoniemen schuilhouden.
Soms lijkt het pseudoniem op een reële naam, zoals die van Hendrik SCHOLTE, wiens dichtstukje ‘Aan de Commissie tot onderstand voor de gewezene Uitgewekene, doch te rug gebrachte en ongelukkige Patriotten, en Burgers der Stad Amsterdam’ is opgenomen in nr. 33. Vermoedelijk is deze Scholte de voormalige bode van de burgersociëteit te Amsterdam.
De Spectator meldt in zijn antwoorden in Amsterdam woonachtig te zijn.

Eén van de briefschrijvers zou, volgens de hierna te noemen Heymeriks en Helmcke, ene Jan BRUYN zijn, ‘voorheen gediend hebbende als Tweede Schryver op ’s Lands Schip den Admiraal de Ruyter’. Ook mogelijk is dat deze Bruyn slechts informant was voor de Spectator, die vervolgens van de irritaties van Bruyn een leesbaar samenspraakje vol naming & shaming heeft gecomponeerd.
Het chagrijn van Jan Bruyn was ontstaan nadat de Amsterdammer Jan Roelof Heymeriks in de Nationaale Courant van 15 mei 1795 had geprotesteerd tegen het in zijn ogen onjuiste bericht van Bruyn dat Heymeriks ƒ 2500 achterover gedrukt zou hebben. Bovendien had Heymeriks een verklaring van Bruyn laten afdrukken, waarin deze zijn beschuldiging zou herroepen.
In de Nationaale Courant van 22 mei 1795 was Bruyn met een nieuwe verklaring verklaring gekomen. Hij heeft het verhaal over Heymeriks, eertijds ‘Eerste Schryver op ’s Lands Schip de Admiraal de Ruyter’, van derden vernomen. Daarna is hij naar Heymeriks gegaan, bij wie op dat moment aanwezig was ‘zyn liefste Clasiena Helmke, dochter van D. Helmke uit de Oosterse Swaan op de Nieuwendyk’. Heymeriks had Bruyn met geweld gedwongen een ‘reeds geconcipieerd’ papier te ondertekenen waarin hij verklaarde dat alles gelogen was. Nu herroept Bruyn dit alles. 
Op 27 mei 1797 was Heymeriks in de Nationaale Courant met een nieuwe verklaring gekomen. Getuigen onderstrepen zijn gelijk. Bovendien is er een verklaring van Bruyn opgenomen dat het ‘genarreerde’ in de oorspronkelijke beschuldiging ‘volstrekt van alle waarheid ontbloot is’.
Daarop moet Bruyn of zelf de pen ter hand hebben genomen, of de schrijver van de Nieuwe Spectator met de Bril hebben ingeschakeld. Het resultaat is een ingezonden brieven in nr. 15, met daarin het bewuste samenspraakje: ene Pietje Domöor vertelt uitgebreid over Jean Rudolph Geyneriks, achter wie iedereen Heymeriks herkent, en Clasiena Helming, dochter van een ‘Oranjekraaijer, die de Keezen voor Domkoppen uitmaakt’ (p. 116-119).
Op 29 mei 1795 protesteren Heymeriks – en nu ook Clasina Helmcke – tegen de beschuldigingen die Bruyn heeft geuit in nr. 15 van de Nieuwe Spectator met de Bril.

Inhoud
Democratisch/revolutionair pro-Frans volksblad. Het bestaat voornamelijk uit ingezonden brieven, een enkele keer door de Spectator beantwoord, en een lange reeks samenspraken onder de titel ‘De rechtbank van Radamanthus’ (rechter van de onderwereld). In nr. 35 staat het vertoog ‘De Spectator over de Vryheid. Aan zyne Landgenooten’.
Enkele weken voor de start van de Nieuwe Spectator was de Bataafse Republiek uitgeroepen, de stadhouder naar Engeland gevlucht en de Franse troepen als bevrijders binnengehaald. In rap tempo werden staatkundige hervormingen doorgevoerd. Zo riepen de Provisionele Representanten in Amsterdam verkiezingen uit voor het nieuwe stadsbestuur. Die was op 19 juni 1795 een feit: ‘Representanten van het Volk van Amsterdam’. Maar burgers roerden zich, omdat de stadsbestuurders uit het oude regime niet hard genoeg werden aangepakt. Het leidde in september en november 1795 tot heuse volksoproeren.
In de brieven brengen doorgaans gefingeerde burgers actuele thema’s ter sprake die te maken hebben met de staatkundige hervormingen die zojuist in gang zijn gezet. Voor naming & shaming van Oranjeklanten schrikken ze niet terug.
Hieronder volgt een aantal advertenties die lezers tot de aanschaf van het blad moeten verleiden. In de Nationaale Courant van 13 april 1795 wordt nr. 9 onder de aandacht gebracht:

Zie daar Burgers en Burgeressen, daar koom ik SPECTATOR met de BRIL, het zy u lief of leet, voor de 9de maal op de lappen, met een vraag van P. Weetniet, of hy het Request zal tekenen, en myn antwoord, ô zoo mooy! een vraag van J. Botterik, of onze Landtroepes trouw zullen vegtten, en myn suffisante raad daar voor; een lieve Brief van Kaat Mossel overheerlyk in order, en dan van Blyswyk voor de Rechtbank van Radamanthus.

In de Nationaale Courant van 1 mei 1795 vraagt de Spectator-uitgever met betrekking tot nr. 11:

of hy U mag diverteeren met een stukje over de Aristocratie? Iets over de pynelyke en zyn schouder uit ’t lid gevallene Ex-Voorzanger P. HOGERBEEST, ook van J.J. WEGER; een Matroos komende uit de Middelandsche Zee, en dan nog iets over een kromme Kurketrekker.

Nr. 22 wordt beschreven in de Nationaale Courant van 13 juli 1795:

Vraage van P. weetniet, of men de Leden van het voorig bestuur moet Arresteeren of niet, omstandig antwoord van de Spectator; vraage, of men alle de Oranje Amptenaaren moet removeeren? antwoord hierop door den Spectator: Brief van Batavus over de dierectie van ’s Lands Modder Comptoir: Bylage tot de Slofbaazen van den Spectator, en zamenspraak tusschen Professor Camper en Caron in de Elizeese Velden.

Een advertentie in de Goudasche Courant van 10 augustus 1795 geeft een korte beschrijving van nr. 26:

Brief van P. Batavus over zekere Sequester en Pakhuismeester. Een dito van Gs. Patria, betreffende de Oranje Koornmeesters. Een dito van een Slooterdyker Boer, een ieders aandagt waardig. Zeer interessante Missive van J.H. von Swienenburg aan zekere Corps du Guarde. Iets van Denkwel, over eene zilvere Naaldekoker, met het beeld van Willem de V. Een belangryke Brief van P. Hollandicus, over eenige Oranje-Vrienden.

Relatie tot andere periodieken
Met zijn titel positioneert de Nieuwe Spectator zich in nr. 1 als opvolger van De Nederlandsche Spectator met de Bril (1786-1787). Ook hier is sprake van een aaneenschakeling van ingezonden brieven.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 61-9943
¶ Full text

Rietje van Vliet