Oog in ’t Zeil (1768-1769; 1780)

Titelbeschrijving
Het Oog in ’t Zeil.
De titelpagina van de uitgave uit 1780: Het Oog in ’t Zeil, in vijftig geestige Vertoogen, door Jacob Campo Weyerman. Geschreeven, geduurende zijne detentie op de Voorpoorte van den Hove van Holland. Naar deszelfs eigen Handschrift gedrukt.

Periodiciteit
Het blad verscheen om de veertien dagen, van maandag 2 mei 1768 t/m maandag 3 april 1769. De nrs. 26-50 zijn in november 1779 in één keer op de markt gebracht. Het voorwoord dateert van 6 november 1779, de titelpagina verscheen in 1780.
De uitgave had zoveel vertraging doordat de kopij bij boekverkoper Johannes van Zijp lag, die met de handel gestopt was. Ten slotte kwam men overeen om alle nog ongedrukte vertogen in één keer uit te geven en die samen met de eerder gedrukte exemplaren te koop aan te bieden.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in kwarto. De uitgave van 1780 telt 400 doorgenummerde pagina’s, voorafgegaan door 2 pagina’s met een voorwoord ‘Aan den Leezer’.
Het titelblok van de nrs. 1-25 bevat achtereenvolgens een short title, het volgnummer, de datum en een motto. Dit is 21 keer ontleend aan Horatius; op de tweede plaats staat Juvenalis met vijf citaten. In het titelblok van de nrs. 26-50 ontbreekt de datum.
De titelpagina van de uitgave uit 1780 bevat de titel, een titelvignet (compositie met schildersattributen) en het impressum. De hierna te noemen advertenties in de Leydse Courant maken melding van een ‘fraaye Tytelplaat’. Een anonieme graveur heeft vermoedelijk gebruik gemaakt van de etsplaat van de titelprent uit de Amsterdamsche Hermes. Daarop verving hij het schilderij op de ezel: deze toont in plaats van een bloemstuk nu een botter met een oog in het zeil. In de cartouche linksboven staat de titel HET OOG IN ’T ZEIL.

Boekhistorische gegevens
De stoklijst van de eerste 25 afleveringen luidt: ‘Te Leyden, by C. van Hoogeveen, Jun. J. van Zijp en C. Heyligert, en elders bij de Boekverkoopers’.
Bij de uitgave van 1780 meldt de titelpagina ‘Te Leyden, Bij C. van Hoogeveen, Jun. en C. Heyligert’. Deze wijziging was het gevolg van het feit dat Van Zijp in 1766 met zijn handel was gestopt en er onenigheid was ontstaan in het driemanschap. Cornelis Heyligert daagde op 15 september 1769 mede namens Cornelis van Hoogeveen Jr. de voormalige compagnon Van Zijp voor de Leidse vredemakers.
Uit een advertentie in de Leydse Courant van 29 november 1779 blijkt dat de complete uitgave te koop was in Arnhem bij Troost, in Amsterdam bij Bom, Borchers, Van Gulik, Hayman, Holtrop, Keyzer, Van der Kroe en Schalekamp, in ’s-Hertogenbosch bij Pallier, in Breda bij Oukoop, in Dordrecht bij Blussé en Van Braam, in Nijmegen bij Van Goor, in Rotterdam bij Bothall, Manheer, en A. en D. Vis, en nog vele anderen.
Iedere aflevering kostte 2 stuivers. Van Hoogeveen en Heyligert adverteerden in de Leydse Courant van 29 november en van 6, 20, 24, en 29 december 1779 voor de complete uitgave van Het Oog in ’t Zeil tegen de aantrekkelijke prijs van f 2:12 (in plaats van ƒ 4). De editie op ‘best’ schrijfpapier boden ze aan voor de voordeelprijs van ƒ 4 (in plaats van f 5:5).

Het beoogde lezerspubliek wordt gevormd door Weyermanfans. In hun prospectus wijzen de Leidse uitgevers op de voorgaande geestrijke werken van deze schrijver zoals Den Echo des Weerelds, Den Ontleeder der Gebreken en Den Amsterdamschen Hermes. Voor de liefhebbers en kenners brengen ze dit blad op hetzelfde formaat uit als de andere werken van Weyerman.

Medewerkers
De auteur is de schrijver-schilder Jacob Campo WEYERMAN (1677-1747). In december 1738 was Weyerman gevangen genomen en op verzoek van het Hof van Holland overgebracht naar de Gevangenpoort in Den Haag. Na uitvoerige verhoren veroordeelde het gerechtshof hem tot levenslange gevangenisstraf vanwege zijn smaadschriften en chantagepraktijken. Op 9 maart 1747 overleed hij in die Haagse gevangenis en de beroemde schilder-schrijver werd pro deo begraven.
Net als in zijn andere tijdschriften richt de auteur van Het Oog in ’t Zeil zich onder de naam van zijn periodiek tot de lezer. Noemde hij zich in die tijdschriften ‘Hermes’, ‘den Echo’, of ‘den Ontleeder’, deze keer heet hij ‘Het oog in ’t zeil’ en woont op een buitenplaats in ’t Sticht.
Het periodiek bevat tevens brieven, gericht aan ‘Heer Oog in’t Zeil’. De briefschrijvers vragen hem om hun verhaal te plaatsen in zijn papier. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de brief met het historisch relaas, getiteld ‘Vryplaats Voorval’ (nr. 12), en de brief over spoken en hekserij in het Westerwald (nr. 13).
Tijdgenoten twijfelden of de vertogen echt van Weyerman waren. Daarom bevestigden de uitgevers in nr. 10 (5 september 1768) dat het echt Campo’s geschriften waren. Zij hadden een ‘missive’ ontvangen, ondertekend door Jan van Dordrecht, waarin verondersteld wordt dat dit ‘Veertiendaegsch blad door bijzondere Schrijvers wordt uitgegeven quasi onder den naem van Jacob Campo Weijerman’. Iedereen kan echter zien dat het manuscript van zijn hand is. Aan de vijftig vertogen van Weyerman zijn er geen toegevoegd, want goede uitgevers van periodieke werken doen zoiets niet.

Inhoud
Het Oog in’t Zeil past in de lange reeks van Weyermans tijdschriften, zoals de Rotterdamsche Hermes (1720-1721), de Amsterdamschen Hermes (1722-1723), de Ontleeder der Gebreeken (1724-1726) en de Vrolyke Tuchtheer (1729-1730).
De inhoud van de vijftig vertogen is gevarieerd: van een essay over het geheugen tot een karakterschets van een verwaande dorpsjonker, van een klassieke monoloog tot een compleet herdersspel, van een brief van Machiavelli tot een vertelling over een reis naar Londen.
Weyerman gebruikte in zijn vertogen soms materiaal dat hij al eens eerder gepubliceerd had. Zo herhaalt hij in nr. 14 over het geheugen bijna woordelijk zijn Redenvoering over het geheugen (1742). In nr. 17 verwerkt hij een gebeurtenis in de Bredase herberg De Prins Kardinaal met de commandant van de vesting Balfour, die hij al behandelt in de Amsterdamschen Hermes (deel 2, p. 227) en in zijn Voorlooper van de kronyk der bankrotiers (1738). In nr. 32 beschrijft hij een heksensabbath in het Westerwald die in grote lijnen ook voorkomt in zijn nooit in druk uitgebrachte Wandelende Jood.
Belangrijker is dat hij sprookjes van Jean de la Fontaine vertaalt en opneemt in Het Oog in ’t Zeil. In nr. 19 trakteert hij de lezers op zijn vertaling van ‘Het vertellingtje van den schoenlapper’ en in de nrs. 39-41 van ‘Jokonde’. In nr. 45 neemt hij een verkorte brief van Niklaas Machiavel op, vertaald uit het Italiaans (naar aanleiding van de uitgave van Anti-Machiavel rond 1741).

Al in zijn verantwoording in de eerste aflevering bekritiseert Weyerman het proza en de poëzie van de Nederlandse schrijvers die de Bataafse zanggodinnen beschadigen met hun geschriften. Die kritiek zal in de volgende afleveringen niet verstommen. Een hoop vertalingen deugen niet: zowel die van Miltons Verlooren paradijs door Van Zanten als Aretino’s Huuwelyks mintafereel door Le Clercq.
Jean de la Fontaine oogst de meeste bewondering en komt in vier vertogen ter sprake. Veel respect toont Weyerman voor Richard Steele en Milton, maar zijn eerbied voor Horatius is nog groter en blijkt uit bijna elk vertoog. Diens voorschrift over het nut en het vermakelijke lijkt wel het richtsnoer voor Het Oog in’t Zeil. Een enkele keer verwijst Weyerman naar bekende geleerden als Isaac Newton, Anthonie van Leeuwenhoek, Petrus van Musschenbroek, Aristoteles en Descartes.

Weyerman bekritiseert voorts de onbetrouwbare en bijgelovige Ieren, het eet- en drinkgedrag van menige Brit, diens schelden en vloeken, en de Britse wellevendheid. De meeste kritiek heeft hij echter op de Fransen.
Net zoals in zijn andere satirische periodieken blijkt Weyerman ook in Het Oog in’t Zeil een duidelijke afkeer te hebben van de katholieke godsdienst. Vooral de geestelijkheid moet het ontgelden. Weyerman verwijst daarbij regelmatig naar zijn Historie des pausdoms (1725-1728). Daarom is het des te merkwaardiger dat hij twee ‘vrome’ vertogen invlecht tussen al die kritiek: over een zeker bisschop, met grote eerbied voor Sint Andries, die wordt bedreigd door een ‘opgetraliede satanin’ (nr. 47) en zijn vertelling ‘Het Schiedgebedeke aan Sint Juliaan’ (nr. 48).

De volgorde van de vertogen is problematisch. Is die bepaald door Weyerman of door de drie uitgevers? Hebben zij een rommelig manuscript aangetroffen? In nr. 3 geeft de auteur een staaltje van zijn bekwaamheid op het gebied van dramaturgie. Nadat hij de lezers verrast heeft met zijn toespraak van Sylla’s Geest, belooft hij hun in een komend vertoog te trakteren op een dialoog tussen Kurius en Fulvia. Pas twintig afleveringen verder komt hij die belofte na. Het vertoog over hekserij in nr. 13 eindigt vol spanning, maar de lezers moeten hun geduld bewaren tot nr. 32 (dat maar liefst meer dan elf jaar later verscheen).

De stijl van Weyerman is flonkerend, vooral door zijn verrassende beeldspraak en zijn merkwaardige bijvoeglijke naamwoorden: het de ‘gehoepelrokte burgt van een Meestres’; gepluimde en gekokarde Mavorsen; zo gestrikt en ‘gequikt als zingende Pingsterbloemen’. Door de opeenstapeling van beelden kan de stijl wat gekunsteld overkomen. Zo opent hij zijn schets over de bezoekers van een dorpsherberg (nr. 4) met de zin:

De eerste vink die geluid sloeg in die wynmuit, was een Speeler by beroep, dat zyn aanvang neemt met eerst te werden bedroogen, en naderhant met anderen het net des bedrogs over het hoofd te haalen.

Relatie tot andere periodieken
In zijn Oog in’t Zeil heeft Weyerman het met name gemunt op de Amsterdamschen Diogenes (1721) en de Verrezene Socrates (1720-1727). Die tijdschriften vermommen zich met klassieke namen, maar het is werk van onbelezen en onbekwame schrijvers.
Ook de rijmelaar Jan van Gyzen wordt beschimpt. Felle kritiek heeft Weyerman op de vaderlandse tijdschriften: bij het oud papier horen al die ‘rymende Merkuuren, Argussen, Proteussen, de Amsterdamsche Diogeenen en de ’s Gravenhaagsche Verreezene Sokratessen’. Zij verheffen Griekse schrijvers die ze niet eens kunnen spellen!

Exemplaren
¶ Breda, Gemeentearchief: Dep. 4 154 F 10
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 191 C 8
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: LTK 533 (manuscript Den Wandelende Jood).
Full text

Literatuur
¶ J. Bruggeman, ‘Aanvullingen op “… als zodaanig in de openbaare Nieuwspapieren Geadverteerd”’, in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 24 (2001), p. 150-160
¶ R. van Vliet, ‘“… als zodaanig in de openbaare Nieuwspapieren Geadverteerd” II Weyerman in cadeauverpakking’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 24 (2001), p. 32-40
¶ J. Bruggeman, ‘De Redenvoering over het geheugen. Een onbekend werk van Jacob Campo Weyerman’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 22 (1999), p. 81-96
¶ W. Hendrikx, ‘JCW en Het Oog in’t Zeil, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 7 (1984), p. 20-24
¶ B. Luger, ‘Een aankondiging van een Oog in ’t zeil’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman (1979), p. 129-130
¶ A.J. Hanou, Den Heer is betoovert, en De Juffer is behext. De Schoone Dwaalstar, of De Vereenigde gelieven, De Vruchtbaare Juffer, door Jakob Campo Weyerman (Amsterdam 1979), voorwoord
¶ L.R. Pol, ‘“Het Oog in ’t Zeil”: werk van Weyerman?’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman (1978), p. 106-107
¶ A.J. Hanou, Wa. R.D. van Oostrum, ‘Cornelis Heyligert: Apekees, en het faillissement van een Leidse boekdrukkerij in 1792’, in: Spektator 4 (1974-1975), p. 290-295.

Frans Wetzels