Philarche of Vorsten-Vriend (1785)

Titelbeschrijving
De Philarche of Vorsten-Vriend.

Periodiciteit
Er zijn van dit weekblad 18 nrs. bewaard gebleven. Een advertentie voor nr. 11 in de Rotterdamse Courant van 25 augustus 1785 wijst erop dat het blad vanaf begin juni 1785 in de winkel moet hebben gelegen. 
Het blad eindigt abrupt. Misschien zijn er meer afleveringen verschenen? In nr. 11 schrijft de auteur over zijn intenties met betrekking tot het aantal afleveringen:

Alzoo ik met eenig leedweezen zie, dat mijne afweezigheid van den Drukpers, onvermijdelijke feilen van alle soort veroorzaakt, en voorneemens ben een deel uit drie bijzondere stukjes te laaten bestaan, ieder van twintig Nomeros, zoo zal bij de twintigste No. een Catalogus van de fouten en derzelver verbeeteringen gevoegd worden, beneffens een tijteltje voor ’t eerste stukje, en kan ik in de twintig volgende de fouten niet voorkoomen, ook dan van ’t zelfde, en zoo bij voortgang: maar zeker bij ijder twintig Nos een tijteltje, en bij sestig Nos welken een deel besluiten zullen, een zaakelijk Register naar alphabetischen order geschikt […]. (p. 96)

Echter: in zijn autobiografische ‘Curriculum vitae’ schrijft de auteur dat er 26 nrs. zijn verschenen. Aan het blad was een einde gekomen, ‘dewijl de boekverkooper eeuwig op meer debiet wagte en echter geduurig om copij vroeg, de voordeelen had, ik de arbeid en mijn but [=doel] onbereikt bleef’.
Als het hier vermelde aantal afleveringen juist is – de auteur fabuleerde wel vaker – en als de frequentie gelijk is gebleven, dan moet de laatste aflevering begin december 1785 zijn gedrukt.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 genummerde pagina’s in groot octavo. Het geheel wordt voorafgegaan door een ‘Inleiding’ van 2 pagina’s.  De afleveringen zijn niet genummerd of gedateerd.

Boekhistorische gegevens
Uitgever is J.P. Kraefft te Rotterdam.
Prijs per aflevering: 1½ stuiver. Nr. 1 was gratis, aldus Grietje en Diewertje nr. 24 (16 juni 1785).
Het debiet van Philarche viel tegen; dat zou althans de uitgever hebben gezegd. Niettemin vond de schrijver dat de uitgever goed aan de Philarche verdiende.

Medewerker
De schrijver is Jan Willem KUMPEL (1757-1826), advocaat die de geschiedenis in is gegaan als fel orangist, ijdeltuit, mislukkeling en leugenaar. Hij zou van de stadhouder financiële steun hebben gekregen in ruil voor publicitaire diensten. Hij zat lange tijd achter slot en grendel wegens financiële malversaties ten nadele van de eerste mevrouw Bilderdijk. 
In zijn ‘Curriculum vitae’ schrijft Kumpel dat hij in 1785 woonde op het Rapenburg in Leiden. Daar richtte hij naar eigen zeggen met een aantal plaatsgenoten een armenkas op om de gezinsleden van ernstig gedupeerde Leidse orangisten – zoals de familie van bakker Trago en juffrouw Van der Meulen – te kunnen ondersteunen. Maar ‘ons fonds bezwaarlijk ontoereikend, besloot ik een weekblad, in voordeel voor dien armencas, te schrijven onder den tijtel de Philarch of Vorsten-vriend […]’.
Ook verhaalt Kumpel van het bezoek van Adriaan de Meij uit Den Briel, eveneens 1785, die hem vroeg ‘in Den Briel te koomen etablisseeren’. Omdat de broodschrijver zich in Leiden niet veilig voelde, aanvaardde hij de aangeboden post van pensionaris in Brielle, ook al vond hij deze adviseursfunctie van het stadsbestuur weinig aantrekkelijk. Op 12 november 1785 werd hij formeel als burger en poorter toegelaten tot de stad Brielle. Deze verhuizing kan evenzeer een rol hebben gespeeld bij Kumpels besluit om een punt te zetten achter de Philarche.

Inhoud
In de Inleiding van dit orangistisch tijdschrift beschrijft Kumpel wat hij zijn lezers zal voorschotelen:

Veel en meest in onrijm, maar ook zomtijds een verdraaglijk vaers, zomtijds iets Kerkelijks, zomtijds een Satijre een Allegorische vergelijking: maar altijd zullen wij ervoor zorgen, dat ons blad eere geeft dien de eere toebehoort, boosheeden doemt zonder bijzondere boosdoenders aan de kaak te stellen; de Justitie zullen wij niet bedillen: maar zoo schrijven dat wij ’t voor ons geweeten niet alleen kunnen verantwoorden, maar des noods zulks gevordert wordende voor ’t licht zullen durven treeden. (p. 2)

De titel verwijst naar Phylarchus (3e eeuw vChr.), de Griekse geschiedschrijver wiens belangrijkste werk, de Historiae, alleen dankzij citaten hieruit is overgeleverd.
De Philarche kent verschillende literaire vormen: van samenspraak, ingezonden brief en schuitenpraatje tot dichtwerk en essay. Onderwerpen zijn veelal abstracte politieke thema’s, zoals het begip patriot, het fenomeen vrijkorps, relatie vorst-volk, de stadhouder als Eminent Hoofd, democratie, despotisme. Opmerkelijk is de uiteenzetting over de scheiding der machten, die gezien wordt als een vorm van socianisme (nr. 8): de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende machten zijn ‘werkdaadige buigingen (modificatien) der opperste Macht’. In de stadhouder waren deze ‘buigingen’ verenigd.
Er wordt gerefereerd aan een beperkt aantal actuele gebeurtenissen. Verder wordt er waarderend gesproken over Johannes le Francq van Berkhey, Petrus Hofstede en de orangistische boekverkoper Hendrik Arends. De gevangenisstraf van de patriot Hespe, de man achter de Politieke Kruyer (1782-1787) krijgt veel aandacht; de patriotse predikant Van der Kemp wordt veroordeeld.
Weinig inspirerend blad.

Relatie tot andere periodieken
Er wordt veel kritiek geuit op de Politieke Kruyer, zowel op de schrijver ervan als op de uitgever.
In de volksblaadjes Louw en Krelisen Grietje en Diewertje van 5 juli 1785 resp. 16 juni 1785 wordt in negatieve zin gesproken over het nieuwe ‘Rotterdamsche Weekpapiertje’. Grietje en Diewertje hebben het blad duidelijk nog niet in handen gehad maar weten wel te vertellen dat ‘de welbekende Rotterdamsche Uitgeever belooft door zynen Philarche in de meer en meer gegrond wordende klagten over het verlies der Vredebazuin te voorzien’. – de orangistische Vredebazuin (1783-1785) is overigens uitgegeven door Johannes Hofhout uit Rotterdam.
Positiever is men in de orangistische pers, bijvoorbeeld bij de aankondiging van nr. 7, in deel 1 nr. 22 van de Vaderlandsche Byzonderheden (1795-1787, 1789). Hierin wordt tevens gesuggereerd dat de drukproeven reeds vóór verschijning in beperkte kring circuleerden. Kumpel zelf schreef in de daarop volgende aflevering van de Vaderlandsche Byzonderheden een bijdrage onder de titel ‘Brief van de Philarche aan de schryvers der Vaderlandsche Byzonderheden’. 
Ook Elie Luzac, de schrijver van de Vaderlandsche Staatsbeschouwers (1784-1792), vindt dat het blad aanprijzing verdient (deel 2, p. 110). Hij heeft op dat moment alleen nr. 1 gelezen, en ‘met nut en vermaak’ kennisgenomen van de vergelijking tussen de ‘Burmanniaanschen Patriot, den Nieuwerwetschen Patriot, en den Echten Patriot’.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 559 E 75
¶ Full text nrs. 1-18 

Literatuur
¶ Laurien Hansma, Oranje driften. Orangisme in de Nederlandse politieke cultuur 1780-1813 (Hilversum 2019)
¶ Hanneke Ronnes (ed.), De herinneringen van Jan Willem Kumpel (1757-1826). Het rampspoedige leven van een Amsterdams jurist, publicist en Orangist (Hilversum 2015), i.h.b. p. 74.

Rietje van Vliet