Poëtische Spectator (1784-1786)

Titelbeschrijving
De Poëtische Spectator.

Periodiciteit
Er zijn slechts 2 nrs. (‘stukjes’) verschenen, die op de titelpagina de jaartallen 1784 resp. 1786 hebben. Er is geen vaste regelmaat, noch een vaste omvang: 

Hoe dikwijls wij een stukje zullen geven, weten wij niet, en het is ons niet mogelijk, om eene bepaaling, noch van de grootte der stukjes, noch van den tijd, wanneer zij zullen uitkomen, te geven. (nr. 1, p. 9)

Eind april 1784 ontvangt de uitgever de eerste kopij voor nr. 1, zo meldt Kloek (2001), maar de resterende kopij laat nog enige tijd op zich wachten. Liefdesperikelen, actie voeren, faalangst: elk van het schrijverscollectief had wel een reden om de pen even neer te leggen.
Er wordt voor nr. 1 pas geadverteerd in de Hollandsche Historische Courant van 1 januari 1785. ‘Van tyd tot tyd zal het met een stukje vervolgd worden’, klinkt het optimistisch. Het was echter een project van zeer korte duur door het overlijden van de belangrijkste auteur. Nr. 2 zou enkele maanden na zijn dood verschijnen, getuige de advertentie in de Leydse Courant van 29 mei 1786, maar ook deze aflevering liet op zich wachten. Pas in oktober 1786 was nr. 2 een feit.

Bibliografische beschrijving
De twee afleveringen tellen samen 146 pagina’s in groot octavo (excl. voorwerk).

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘Te Amsteldam, Bij A. Mens Jansz.’. Antony Mens was gevestigd in de St. Luciasteeg, op de hoek van het burgerweeshuis.

Medewerkers
Het blad is blijkens de titelpagina geschreven ‘door eenige vaderlandlievende vrienden’. De voornaamste auteur (de ‘Verzamelaar’) is Jacobus Bellamy. De auteursnaam wordt na zijn overlijden in diverse advertenties genoemd, bijv. in de Amsterdamse Courant van 21 oktober 1786.
De Zeeuw Jacobus BELLAMY (1757-1786) was lid van het Haagse dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt, dat hij wegens de ambachtelijke, formalistische manier van dichten aldaar in de Poëtische Spectator fel bekritiseerde. Hij was inmiddels lid geworden van het literaire genootschap Dulces Ante Omnia Musae (vert. Boven alles, de zoete Muzen) in Utrecht, de stad waar hij theologie studeerde. 
Bellamy behoorde tot de Utrechtse democratische patriotten en publiceerde onder andere in de Post van den Neder-Rhijn (1781-1787). Hij had echter al snel genoeg van het ‘politiek gedruis’ maar vond ook geen genoegen in het predikambt. Vanaf 1785 verdiepte hij zich meer en meer in zijn letterkundige werk. Zijn opvattingen over de dichtkunst hadden zich geëvolueerd tot een sterke voorkeur voor het ‘natuurlijke’.
De overige contribuanten waren Bellamy’s studievrienden Adriaan UYTTENHOOVEN (1759-1839) – net als Bellamy opgeleid tot predikant – en de patriotse studentenleider Pieter Philip Juriaan Quint ONDAATJE (1758-1818). Ook Jan HINLÓPEN (1759-1808) – die in Utrecht rechten had gestudeerd – voegde zich bij het trio. Naar verluidt was Bellamy in de armen van Hinlópen (orangist!) gestorven. Verder zou – aldus het NNBW (in voce) – de Waalse predikant te Leiden, orangist Sebald Fulco Johannes RAU (1765-1807), de inleiding van nr. 1 hebben geschreven, waarin wordt opgetreden tegen de sentimentele mode in de literatuur. Zij waren allemaal lid van de kring ‘genialische vrienden’ binnen Dulces Ante Omnia Musae.
Vermoedelijk heeft Ondaatje alleen aan nr. 1 bijdragen geleverd. Mogelijk heeft Hinlópen ondanks al zijn toezeggingen uiteindelijk niets in de Poëtische Spectator geschreven (wat hij wel inzond, vond Bellamy niet geschikt). Uyttenhooven schreef in ieder geval in nr. 2 ‘Brief aan mijne vriendin C.M.B….’, bij wijze van uitleiding.
Bekend is verder dat ook de dichter Hieronymus VAN ALPHEN (1746-1802) een recensie heeft geschreven: van nr. 1 van de Proeven voor het Verstand, den Smaak en het Hart. Nota Bene een tijdschrift waarvoor Bellamy eveneens als spil fungeerde. Van Alphen uit stevige kritiek op de dichtstukken van Antoinette en Willem Anthony Ockerse. Bellamy zelf kreeg, zo merkt Buijnsters (1973) op, naast lof voor zijn anakreonteia het verwijt te horen dat ze niet geheel vrij waren van ‘wulpsche’ dubbelzinnigheid.

Inhoud
De Poëtische Spectator heeft ondanks de titel geen kenmerken van een spectatoriaal tijdschrift. Het blad wordt gezien als het eerste moderne literaire tijdschrift waarin ongezouten kritiek wordt geleverd op nieuw verschenen literair werk. Interessant wat dit betreft is de programmatische beschrijving van ‘De Recensent’ in nr. 1. 
Het oogmerk van het vriendenclubje was een oordeel te vellen over de ‘dichtkundige voordbrengsels van ons vaderland’:

De werken van deze Dichters, zoo veel mogelijk is, te toetsen, aan de steen van het gezond verstand – goeden smaak: – en, dat genoegzaam het zelfde is: deze werken te vergelijken met het groote origineel – de goddelijke Natuur […].

Het is een programmatisch tijdschrift, aldus Kloek (2001), aangezien de auteurs duidelijke opvattingen hadden over goede poëzie. Edward Young, met zijn Conjectures on original composition (1759) was hun grote voorbeeld. Dichterlijke creativiteit, daar ging het hun om.
Deze esthetische opvattingen wilden Bellamy c.s. uitdragen in hun recensies. Er wordt stevig afgerekend met het sentimentele, zenuwzieke gezucht en met de rijmelcultuur in de genootschappen. Johannes (2017) wijst in dit verband op de analogie tussen enerzijds het normatieve functioneren van dichtgenootschappen en anderzijds de onderdrukkende werking van de bestaande maatschappijordening.
Het credo van Bellamy was ‘losheid, waarheid, natuur’. De ware dichter brengt tot uitdrukking wat de natuur (het dichterlijke karakter) hem ingeeft. De beoogde losheid vindt men ook terug in de opzet van het blad:

Wij zullen ook geen vaste orde houden, in het beöordeelen der stukken: nu zullen wij eens een pasgeboren dichtwerk aan de waereld vertoonen: dan eens den reedsvergeten dichter, aan den smaak onzer landgenooten aanbieden. Wij zullen slegts fragmenten geven [dus geen ellenlange citaten zoals in de Vaderlandsche Letter-Oeffeningen]; nu zullen wij eens iets over de Ode zeggen, dan weer over andere soorten van gedichten eenige aanmerkingen mededeelen; ook hier in zullen wij geene vaste orde houden. (nr. 1, p. 9)

Relatie tot andere periodieken
Gelijktijdig met de Poëtische Spectator verscheen Proeven voor het Verstand, den Smaak en het Hart (1784-1785), waar Bellamy eveneens nauw bij betrokken was en waaraan dezelfde esthetische opvattingen ten grondslag liggen. 

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 661 B 11:2
¶ Full text 

Literatuur
¶ Gert-Jan Johannes en Inger Leemans, Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Republiek (Amsterdam 20172), p. 202-204 
¶ Joost Kloek, ‘De titaantjes van Tachtig. De Poëtische Spectator van Jacobus Bellamy en de zijnen (1784-1786)’, in: Tijdschrift voor Tijdschriftstudies nr. 10 (2001), p. 11-28 
¶ P.J. Buijnsters, Hieronymus van Alphen (1746-1803) (Assen 1973), p. 217
¶ Johanna A. Nijland, Leven en werken van Jacobus Bellamy (1757-1786), deel 2 (Leiden 1917) 

Rietje van Vliet