Post van den Helicon (1788-1789)

Titelbeschrijving
De Post van den Helicon.
¶ De Post van de Hel (nr. 21).

Periodiciteit
Er zijn 40 nrs. verschenen, in 2 delen gebundeld (nrs. 1-25 en 26-40). Beide delen hebben 1788 in het impressum. Voor nr. 1 wordt geadverteerd in de Leydse Courant van 25 april 1788. Nr. 40 wordt door Oomen (2011) gedateerd op 12 maart 1789.
Aanvankelijk verschijnt het blad iedere vrijdag, al heeft nr. 19 twee weken op zich laten wachten. Vanaf nr. 34 wordt dit blijkens de colofon de reguliere frequentie. In nr. 40 maakt de schrijver de balans op. De fut is eruit, zo lijkt het:

Hoort de reden waarom in [sic] mijne reizen van den Zangberg naar ’t gemeene land & vice versa staak. Leert er uit de veroordeelen te eerbiedigen – merkt er in op dat wind en stroom in te zeilen, weinig doet vorderen. (p. 315)

Elders in het blad wordt gesuggereerd dat het debiet gering is (bijvoorbeeld nr. 14), al behoren dergelijke opmerkingen ook tot de bekende topoi van schrijvers en uitgevers. Niettemin: literaire bladen die buiten de wereld van genootschappen en leesgezelschappen om verschenen, zouden minder kans op succes hebben gehad.

Bibliografische beschrijving
Op het titelvignet is de gevleugelde Mercurius als postrijder afgebeeld, door een paar kwajongens bekogeld met stenen. De toelichting hierop is te vinden in nr. 26 (p. 204).

Beide delen zijn voorzien van een inhoudsopgave. De afleveringen tellen 8 pagina’s in groot octavo (in totaal: 316 pagina’s), met uitzondering van nr. 40. Het titelblok bevat alleen informatie over de titel en het volgnummer. 
Nr. 21 heeft een afwijkend titelblok. Bij nr. 3 hoort een ‘Nieuwe Kaart van een Hollandschen Helicon’, die voor het eerst wordt aangeboden in de colofon van nr. 25. Nr. 3 bevat tevens een met sierrand omlijst visitekaartje: ‘Apollo A.L.M. & Poëseos Prof. ord. Parade lid van de meeste Genootsch:’. Zo ook nr. 27: ‘Thalia Pour prendre Congé’. Nr. 18 bevat een tweetal schema’s die het onderscheid tussen treurspel, drama en parodie moeten verduidelijken.

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘Te Amsterdam, bij J. ten Brink Gz.’. In de Rotterdamse Courant van 31 mei 1788 worden de volgende verkoopadressen genoemd:

Te Amsterdam by J. ten Brink Gz., ’s Hage van Drecht, Leiden Honkoop, Herdingh &c., Rotterdam Cornel, Hofhout en Zoon, Utrecht H. van Emenes, Deventer Brouwer, Monnikendam J. Gorter, en verder alom.

Blijkens de advertentie van boekverkoper Leonhard Letsch in Paramaribo in de Surinaamsche Nieuwsvertelder van 13 november 1788 werd De Post van den Helicon ook in Suriname gelezen.
De Vries (1885) schrijft over de oplage: ‘De oplaag was van de eerste Nummers 17 boek, daarna 8 boek’. Omgerekend zouden de eerste afleveringen een oplage van 850 exemplaren hebben gekend; later 400. Oomen (2011) vindt deze aantallen om onduidelijke redenen niet waarschijnlijk.

Prijs per aflevering: 1½ stuiver.
Prijs ‘Nieuwe Kaart van een Hollandschen Helicon’: 13½ stuiver (colofon nr. 25).
Prijs voor 2 delen, titelblad en kaart: ƒ 3:14 (Leydse Courant 12 mei 1790).

Medewerkers
De schrijver is Johannes KINKER (1764-1845), een van de belangrijkste denkers en schrijvers tijdens de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw. Zijn werk varieert van filosofische poëzie en satirisch proza tot theoretische taal- en letterkunde. Op het moment dat hij de Post van den Helicon schrijft, staat hij nog aan het begin van zijn carrière. Hij was eind 1787 medewerker geworden van het Haagse advocatenkantoor van Bilderdijk en Joannes van der Linden. 
Willem BILDERDIJK (1756-1831) was ingenomen met de ‘Letterkundige Vertoogen’ van Kinker. Er zijn dan ook relatief veel dichtstukken en brieven van hem te vinden in de Post van den Helicon, zoals ‘Yrwin en Fredebag of de steenrotsklip’ (nr. 30), ‘Ahacha. Guineesche romance’ (nr. 35), ‘Ilias’ en de ‘Liefde’ (nr. 37). Later suggereert Bilderdijk dat hij die laatste dichtstukken als bladvulling had geschreven voor Kinker. De ingezonden brief over de vraag of het woord ‘zon’ mannelijk of vrouwelijk is (nr. 15), is ondertekend door Bilderdijk.

Inhoud
Zogenaamd vanaf de Nederlandse Helicon, de berg waar de muzen woonden, recenseert Kinker genadeloos de literatuur van zijn tijd. Spot en sterniaanse ironie zijn de stijlmiddelen die hij inzet. Proza, dichtwerk, brieven en samenspraken wisselen elkaar af. Kinker hult zich met het masker van Mercurius, dat hij van de eigenzinnige muze Thalia heeft toebedeeld gekregen.
Bepaald rustig is het literaire wereldje niet. Er is sprake van een oorlog op de ‘Sentimenteele Weg’, onderdeel van de fictieve literaire landkaart van de Helicon, waaraan veel besprekingen worden opgehangen.

Kinker bindt de strijd aan tegen de Sentimentalisten à la Feith, die zelf in een machtsstrijd verwikkeld zijn met de prozaïsche Reuzen die zelfs Thalia willen ontvoeren. Oomen (2011) spreekt in dit verband van een literaire oorlog tussen de Sentimenteelen en de francofone, heerszuchtige Prosaïsmieten. Omdat beide partijen de heersende machtsstructuur omver willen werpen, vormt de oorlog een bedreiging voor het bestaan van Apollo en de muzen op de Helicon. Oomen vergelijkt deze vechtende partijen met de orangisten en patriotten, wier strijd een jaar vóór de Post voorlopig tot stilstand was gekomen.
Kinker heeft het in de Post van den Helicon gemunt op de rijmelaars binnen de dichtgenootschappen, die hij te kijk zet in bijvoorbeeld het Genootschap ‘Met een verdronken Kalf is het goed sollen’ (nr. 4). Van prutswerk op toneel en in de muziek moet hij niets hebben. Hij gruwt van slaafse navolgingen. Neoclassicistische theorieën hebben voor hem afgedaan. Ook wordt de spot gedreven met ambtelijk taalgebruik en ambtelijke verboden.
Nederlandse schrijvers die het bij Kinker moeten ontgelden, zijn met name de reeds genoemde Rhijnvis Feith en Jacob Eduard de Witte. Over Jacobus Bellamy is hij opvallend mild. Op Bilderdijk heeft hij ook wel eens iets aan te merken en zelfs spaart hij zijn eigen publicaties niet.

Er worden diverse uitgaven besproken. Het zijn geestige recensies, gevat in een originele literaire vorm en op ludieke wijze geschreven. Een voorbeeld is de bespreking in nr. 20 van de Lierzang, op den eersten Verjaardag van haare koninglijke hoogheid Wilhelmina de Groote (1788) door Everard Jan Benjamin Schonck.
In zijn kritiek is Kinker bepaald niet barmhartig. Zo kraakt hij het Beknopt onderwys in de muzyk voor de eerstbeginnenden (1788) van Georg Caspar Hodermann genadeloos af in nr. 36 (‘onkundige vermetelheid’). De in Amsterdam woonachtige Saksische musicus liet het niet op zich zitten en publiceerde een ‘Brief van G.C. Hoderman aan de Schryvers van de Post van de Helicon’ (advertentie Oprechte Haerlemsche Courant 25 april 1789).

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: KW 461 B 5
¶ Full text deel 1 en deel 2 

Literatuur
¶ Amber Oomen-Delhaye, ‘“Geef acht! – (mijn spleen!) – rechtsom keer!” Politieke kaders in het literair-kritisch tijdschrift De Post van den Helicon(1788-1789) van Johannes Kinker’, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 43 (2011), p. 209-230 
¶ Amber Delhaye,‘O Imitatores’. Literaire opvattingen en politieke kaders in het literair-kritische tijdschrift De Post van den Helicon (1788-1789) van Johannes Kinker (Nijmegen, ongepubliceerde masterscriptie Radboud Universiteit 2009)
¶ Marleen de Vries, ‘Johannes Kinker, Nieuwer-Amstel 1764 – Amsterdam 1845’, op website Literatuurgeschiedenis.nl 
¶ André Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting, in de vrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845 (Deventer 1988)
¶ H. van Leeuwen, ‘De post van den Helicon’, in: De Nieuwe Gids 26 (1911), p. 625-640 
¶ R.W.P. de Vries, Jan ten Brink Gerritsz., J. ten Brink Gz. en J. de Vries. Ten Brink en de Vries. 1785-1 mei-1885 (z.p. 1885)
¶ J. van Vloten, ‘De Post van den Helicon’, in: De Nederlandsche Spectator1860, p. 266-268, 329-331, 373-375.

Rietje van Vliet