Post van den Neder-Rhijn (1781–1787)

Titelbeschrijving
De Post van den Neder-Rhijn.

Periodiciteit
De Post verscheen van 20 januari 1781 tot kort na 16 oktober 1787. Wegens de overhaaste vlucht van de redacteur vanuit Amsterdam naar Frankrijk in oktober 1787 is de einddatum slechts bij benadering vast te stellen.
De redacteur noemt zijn blad steevast een ‘weekblad’. Aanvankelijk verscheen het eenmaal per week. Vanaf begin juni 1784 (nr. 237) werd de frequentie opgevoerd naar tweemaal per week, wegens de toename van de hoeveelheid nieuws en ingezonden stukken, en omdat het aantal extra nummers moest worden ingeperkt.
De afleveringen zijn gebundeld in 12 delen (geen jaargangen), elk van 52 afleveringen (behalve het onvoltooide laatste deel). In De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn (17 november 1795) worden de laatste Post-afleveringen van deel 12 aangekondigd (nr. 615-624); deze afleveringen zijn echter nooit uitgegeven.
Verscheidene malen hebben lokale autoriteiten gepoogd de Post te verbieden. Op 12 en 17 december 1782 stond Post-uitgever Van Paddenburg voor het Utrechtse gerecht. Hij won het proces. De stukken werden later uitgegeven als Pleydoye in der zaake van Gisbert Timon van Paddenburg, boekverkoper en boekdrukker te Utrecht (1783). Een verbod op onder meer de Post, uitgevaardigd door de magistraat van Den Haag op 30 juni 1783, werd reeds op 28 juli 1783 opgeheven na een protest van de Haagse boekverkopers. Een ander verbod werd uitgevaardigd door de stadsregering van Arnhem op 22 april 1786, naar aanleiding van een bijdrage in nr. 433. Van september tot en met december 1787 werd het blad in nagenoeg alle steden en gewesten van de Republiek verboden.

Bibliografische beschrijving
Het blad verscheen in octavoformaat. Op een aantal uitzonderingen na bevat elke aflevering acht pagina’s. Er verschenen 72 afwijkende afleveringen, waarvan 43 dubbelnummers.
Het voorwerk van ieder deel bestaat uit een pagina met de titel van het blad en het nummer van het deel; een verklarend gedicht bij de titelprent, ‘Verklaring van het Vignet’ genaamd (in deel 3 ontbreken deze woorden); de titelprent; en een ‘voorberigt’ of ‘voorrede’. In deel 2 volgt na het ‘voorberigt’ een lofdicht op de redactie, door ‘Vaderlander’.
Het voorwerk wordt afgesloten met een inhoudsopgave van 2 tot 6 pagina’s (deel 1-8). Er zijn voorts twee uitvoerige registerdelen verschenen (voor deel 1-6 en deel 7-12 plus bijlagen). Beide registers bevatten een opgave van de dagtekening der afleveringen; die waren namelijk ongedateerd verschenen. Het voorwerk van de delen 9-12 verscheen pas in 1798, als gevolg van de verbanning van de redacteur en onenigheid tussen hem en uitgever (zie hieronder).

Het blad bevat diverse allegorische prenten, met als onderwerpen de vrijheid, wijsheid, voorzichtigheid en staatkunde, die samen met patriotse gewapende burgers en met Frankrijk de Nederlandse maagd voor despotisme, tweespalt en aristocratie behoeden. Als ontwerper/tekenaar werden hierbij betrokken Christiaan van Geelen sr. (deel 1), Jacobus Buys (deel 2-12). Er zijn verder twee graveurs bekend: Izaak de Wit Jansz. (deel 1-4) en Cornelis Brouwer (deel 5-12). Twee titelprenten zijn twee keer gebruikt: die van deel 9 in deel 11  en die van deel 10 in deel 12. De ‘Verklaring van het Vignet’ verschilt echter per deel.
Binnen de Post zijn ook andere illustraties opgenomen: portret van F. Mourand (nr. 431; ‘Getekend op de gevangenpoort in ’s Haage 1786’); publieke verbranding van nr. 433 van de Post te Arnhem (nr. 437; zie 2); portret van mr. Cornelis G. Visscher (nr. 565; gedateerd 1787); portret van ‘Johannes’ (=Robertus) van der Vlerk (nr. 565; gedateerd 1787); prent van het gevecht bij Vreeswijk, 9 mei 1787 (nr. 565; gedateerd 1787). De makers van deze gravures zijn onbekend.
Van de volgende illustraties zijn nog geen exemplaren opgedoken: een prent met daarop de afzetting van negen leden der Amsterdamse vroedschap, 21 april 1787 (nr. 559; zie Sautijn Kluit); drie prenten van het hoekerschip ‘De Vrouw Machtelyna’ voor Curaçao, gegraveerd door K.F. Bendorp naar een ontwerp P.M. la Cave (bijlage 6; vermeld door F. Muller; idem in het Vervolg op J. Wagenaar, Vaderlandsche historie, deel 5, p. 358; en idem in J.C. Mollema, Geschiedenis van Nederland ter zee, deel 3, p. 308).

Boekhistorische gegevens
Het blad werd uitgegeven te Utrecht, bij G. T. van Paddenburg en Zoon. De afleveringen 602-614 verschenen echter bij H. Keyzer, ‘op de Gelderse Kaai’ te Amsterdam. Deze wijziging was het gevolg van de vlucht van de redactie naar Amsterdam voor naderende Pruisische troepen, in de nacht van 15 op 16 september 1787.
Stoklijsten ontbreken. Onder vele nummers vindt men de aanduiding dat het blad te Utrecht bij Van Paddenburg en Zoon verkrijgbaar is: ‘… en alomme bij de meeste Boekverkoopers in Nederland, daar dezelve Weeklijks wordt uitgegeeven’. De Post werd ook verkocht in de Oostenrijkse Nederlanden (nr. 283, 13 november 1784).
De prijs bedroeg anderhalve stuiver per aflevering; extra afleveringen en die met 10 tot 16 pagina’s werden voor dezelfde prijs verkocht. De voorwerken met bijbehorende prenten werden gratis uitgegeven; de prent bij nr. 559 was verkrijgbaar voor 10 stuivers.
De oplage bedroeg 2.400 à 3.000 stuks.

Het verschijnen van bijlagen en het voorwerk wordt in het blad zelf aangekondigd.
Nr. 192 wordt afgesloten met de aankondiging van een register over de eerste vier delen; dit is nooit verschenen. In nr. 518 wordt het wél verschenen register over de eerste zes delen aangekondigd. Het ‘voorberigt’ van het eerste registerdeel bevat een aankondiging voor het pas in 1798 verschenen tweede registerdeel. Nr. 200 bevat een advertentie voor een Aanhangsel tot de Post van den Neder-Rhijn.
Een advertentie in de Hollandsche Historische Courant (13 september 1781) meldt dat de Post (toen nog slechts 34 afleveringen groot) ‘voor ’t  grootste gedeelte voor de vierdemaal herdrukt’ was.
De informatie over de prent met de afzetting der negen Amsterdamse vroedschappen (bij nr. 599) heeft Sautijn Kluit ontleend aan een advertentie in de Oprechte Nederlandsche Courant (28 juli 1787).
In veel Post-exemplaren is achter bijlage 11 een advertentie te vinden van Otto van Paddenburg, met een uitvoerige fondslijst van de uitgeverij Van Paddenburg en Zoon.

Medewerkers
De anonieme auteur was Pieter ’T HOEN (1744-1828). Als enige zoon van een welgestelde Utrechtse kruidenier had hij zich via zelfstudie opgewerkt tot rentmeester en toezichthouder van het Collegium Willebrordi, een internaat voor armlastige scholieren te Utrecht. Hij ontwikkelde zich tot een niet onverdienstelijk dichter en toneelschrijver. ’t Hoen was een van de oprichters van het dichtgenootschap Volmaakter Door Den Tijd. Hij diende als luitenant in de Utrechtse schutterijcompagnie Turkijen en behoorde tot de patriottensociëteit Getrouw Voor Het Vaderlan, in de jaren 1783-1785 de harde kern van de Utrechtse patriottenbeweging. In 1786 was hij betrokken bij de patriotse machtsovername in de stad Utrecht en op 9 mei 1787 nam hij deel aan een gevecht tegen oranjegezinde troepen.
Tijdens zijn ballingschap in Frankrijk (oktober 1787-begin 1795) was hij actief als auteur, vrijmetselaar en secretaris van de Jacobijnenclub te Watten. Bij zijn terugkeer hervatte hij zijn Post, in de vorm van een vervolg: De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn (1795-1799), waarin hij een radicale en unitaristische koers propageerde. Ook bekleedde hij diverse secretariaatsfuncties in de opeenvolgende revolutionaire Bataafse besturen van het gewest Utrecht en het Departement van de Rijn. Bij zijn overlijden was ’t Hoen griffier van het vredegerecht te Amersfoort.
Behalve ’t Hoen kende de Post geen aanwijsbare vaste medewerkers. Wellicht kreeg hij hulp van zijn oudste zoon Reinier ’T HOEN, die in de Utrechtse stedelijke politiek actief was als burgerafgevaardigde en commandant van de patriotse artillerie.
Aan het blad hebben ongeveer 710 correspondenten, individueel of als lid van een groep, een bijdrage geleverd. Zij waren verantwoordelijk voor 1101 van de 2040 bijdragen. Onder hen bevonden zich vele vooraanstaande patriotten, onder wie W. VAN IRHOVEN VAN DAM, redacteur van de Courier van Europa, die onder de pseudoniemen Candidus en Adolus den Opmerker acht Post-bijdragen schreef.

Inhoud
De Post was patriotsgezind en ondersteunde het streven naar een democratische regeringsvorm. De titel is geënt op Le Courier du Bas-Rhin.
’t Hoen begon de Post uit bezorgdheid over het desastreuze verloop van de Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784). Het blad stond aanvankelijk, tot medio 1782, welwillend tegenover Willem V. Het constateerde echter een politiek breukvlak in de Nederlandse samenleving en begon ook met eigen kritiek op het regeringsbestel. Dit leidde tot krachtige steun aan de opbouw van de patriottenbeweging en aan het streven naar democratie bij representatie, vernieuwing van oude burgerrechten op basis van volkssoevereiniteit, en burgerwapening.
Toen een conflict met Oostenrijk dreigde, verloor de Post zijn laatste vertrouwen in de zwakke stadhouder. De Post speelde een belangrijke rol bij de revolutionaire ontwikkelingen en de patriotse machtsovername in de stad Utrecht (april 1783–september 1786).
De politisering en democratisering van het platteland en van de kleinere steden vormden na februari 1785, in het verlengde van het bovenstaande, een belangrijk thema. Ook kwam de Post sterk op voor gelijkberechtiging van katholieken, protestantse dissenters en, in mindere mate, ook joden.
De enige belangrijke ruzie binnen de Post ontstond kort na ’t Hoens terugkeer uit Frankrijk, begin 1795, tussen hem en uitgever Van Paddenburg. ’t Hoen, die Van Paddenburg  herhaaldelijk had verzekerd de Post na de Bataafse Revolutie bij hem te zullen voortzetten, had vernomen dat de uitgever na de contrarevolutie van 1787 de portretten van de Oranjes in zijn kantoor had opgehangen en een lofdicht op de prins gedrukt. Verontwaardigd gaf ’t Hoen het vervolg op zijn blad uit bij Jan Mulder.
Vanwege deze ruzie zijn de laatste afleveringen (nr. 615-624) niet meer verschenen. In plaats daarvan bracht Van Paddenburg een door hemzelf samengesteld ‘Historiesch Verhaal’ uit over de jaren 1787-1795. Dit was gedateerd 1 januari 1798 maar verscheen pas in december, met het tweede registerdeel van de Post. Het ‘Historiesch Verhaal’ werd voorafgegaan door een ‘Berigt’ waarin Van Paddenburg zijn versie gaf van de ruzie met ’t Hoen. ’t Hoen diende hen in 1799 van repliek, in het voorbericht van deel 4 van de Nieuwe Post van den Neder-Rhyn.

Wie waren voor de makers van de Post de belangrijkste denkers en schrijvers? Wanneer we afgaan op het aantal keren dat eruit wordt geciteerd, staat de Bijbel bovenaan. J. Wagenaar bezet de tweede plaats met zijn Vaderlandsche historie (1749-1759), de Verkorte vaderlandsche historie (1774), en zijn periodiek De Patriot (1747). Op de derde plaats vinden we het Groot placaatboek van Utrecht (1729-1733). De staatsrechtelijke werken van Hugo de Groot volgen daarop, te weten Apologeticus (1622), Inleydinghe tot de Hollandsche rechtsgheleerdheydt (1639) en De iure belli ac pacis (1625). Daarbij horen tevens de becommentarieerde Franse vertaling van dit werk door Jean Barbeyrac (1724) en een commentaar van Heinrich Henniges (1673).
Het patriotse handboek voor politieke hervormingen Grondwettige herstelling van Nederlands staatswezen (1784-1786) deelt een vijfde plaats met de werken van abbé Raynal, namelijk diens Histoire philosophique des Européens dans les deux Indes (1770-1774), de Révolution d’Amérique in vertaling (1781) en de Esprit & genie de M. l’abbé Reynal (1782). Op plaats zes treffen we werken van L. van Aitzema aan: diens Historie of saken van staet en oorlogh (1655-1671) en Herstelde Leeuw (1652). Het Groot placaet-boek (1658-1798) vinden we op plaats zeven. Plaats acht wordt gedeeld door verscheidene auteurs, onder wie Montesquieu met zijn De l’esprit des loix (1748), S. Pufendorf met zijn De iure naturae et gentium (1672), een geannoteerde, Franstalige uitgave daarvan door J. Barbeyrac (1759) en een commentaar op Pufendorfs colleges door A. Hochstetter, het Collegium Puffendorfianum (1710), alsmede de meest in de Post geciteerde klassieke auteur, Cicero. Voor het overige valt ’t Hoens voorliefde op voor G.W. Rabener en J.-H. Bernardin de Saint-Pierre.

De in de Post behandelde materie kreeg op de volgende wijze vorm. Het betoog komt het meeste voor (746 van de 2040 bijdragen). Het blad telt ook 253 dichtstukken. Verder bevat het tal van algemene redactionele mededelingen, inleidingen en reacties op ingezonden stukken, alsmede een scala aan andere literaire en journalistieke genres (advertenties, korte nieuwsberichten, toespraken, monologen, dialogen en gesprekken, polemieken, fabels, apologieën, karakterschetsen en dodengesprekken; naast officiële documenten en kritische commentaren daarop).
Bij de Post werden 24 bijlagen uitgegeven, gevuld met tal van betogen, verslagen van gebeurtenissen en politieke dichtstukken.
Vooral in deel 1 en 2 zijn proeven gedaan met het opnemen van korte nieuwsberichten; later nogmaals, onder de titels ‘Weetenschappen’ (nrs. 287 en 297) respectievelijk ‘Fragmenten’ (nr. 327). Dit werd echter geen vaste rubriek.

De Post werd gesteund of ten minste gedoogd door patriotsgezinde regenten, maar wegens het economisch belang voor de boekhandel en de grote informatieve waarde werd het blad gedoogd door menig oranjegezind of conservatief regeringscollege.
Het lezerspubliek bestond vooral uit de brede middenlagen van de bevolking. Daarnaast zijn er lezers bekend uit de lagere bevolkingsklasse. Zelfs het establishment en politieke tegenstanders lazen de Post. Het lag ter inzage op leestafels van koffiehuizen en genootschappen. Het bereikte publiek was daardoor vele malen groter dan het aantal verkochte nummers.
Op de Post zijn honderden reacties gekomen, overwegend positieve van patriotse en uitsluitend negatieve van oranjegezinde zijde, in kranten, periodieken, pamfletten, politieke prenten en lof- dan wel schimpdichten.

De redactie van de Post publiceerde, als redactie, nog andere politieke geschriften. Zo verscheen op 20 december 1783 het Aanhangsel tot de Post van den Neder-Rhijn, geschreven onder het pseudoniem H. Vrijburger. Het is een protest van de patriottensociëteit Getrouw Voor Het Vaderland tegen het rechtstreeks benoemen van Utrechtse raadsleden door stadhouder Willem V bij tussentijdse vacatures.
Het enige vooralsnog bekende exemplaar werd door ‘sociëteit Getrouw tezamen met een rekest tegen deze benoemingen op 29 december 1783 demonstratief overhandigd aan de Utrechtse stadsregering. Ook is er een verslag van de bezetting van het patriotse Hattem door oranjegezinde troepen op 5 september 1786: Informatien wegens de plunderingen en geweldenarijen van de militie te Hattem, op verzoek van den Raad van Staaten, ingewonnen door den magistraat der stad Zwolle. Uitgegeven door de schrijvers van het weekblad De post van den Neder-Rhijn (1786). Dit werd op 3 november 1786 tegelijk met Post-nummer 498 uitgegeven.

Relatie tot andere periodieken
Bladen waarmee de Post inhoudelijk verwant was, waren allereerst De Politieke Kruyer (1782-1787). De auteur daarvan, J.C. Hespe, had banden met de Utrechtse patriottenbeweging. De bladen boden elkaar wederzijdse steun, ondanks een klein meningsverschil, begin 1783. Verder is de Post te vergelijken met de Courier van Europa (1783-1785). De auteur hiervan, W. van Irhoven van Dam, sprak in zijn blad meermaals zijn waardering uit voor de Post. Tenslotte De Staatsman (1779-1785). De auteur, L.Th. graaf Nassau la Leck, refereerde onder meer aan de Post, maar stelde zich in sommige opzichten gematigder op dan ’t Hoen. ’t Hoen kwam in zijn nr. 245 voor Nassau la Leck op, nadat deze door de oranjepartij uit zijn ambten was ontzet.
Lovend is ’t Hoen eveneens over de volgende bladen: de Zuid-Hollandsche Courant, de Utrechtsche Courant en de Hollandsche Historische Courant.

Pieter ’t Hoen vermeed doorgaans te polemiseren met andere bladen. Desondanks zijn er drie tijdschriften die van tijd tot tijd heftig werden bestookt, door hem persoonlijk en door zijn correspondenten. Allereerst fulmineerde de Post tegen de door het stadhouderlijk hof gesteunde ’s-Gravenhaagsche Courant. Het kwalitatief uitstekende maar steeds meer anti-revolutionaire nieuwsblad Le Courier du Bas-Rhin en De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1781-1783) vormden het tweede respectievelijk derde mikpunt.
’t Hoens blad kende één navolger. Dat was een oranjegezinde tegenhanger: De Post naar den Neder-Rhyn (1782-1783).
De Post werd opgevolgd door De Nieuwe Post van den Neder-Rhyn.

Exemplaren
¶ Nijmegen, Universiteitsbibliotheek: 24 C 51 en 841 c 84.
¶ Full text Post van den Neder-Rhijn, deel 1, nr. 1-51 (1781), deel 2, nr. 52-104 (1782), deel 3, nr. 105-156 (1783), deel 4, nr. 157-208 (1784), deel 5, nr. 209-260 (1785), deel 6, nr. 261-312 (1786), deel 7, nr. 313-364 (1786), deel 8, nr. 365-405 (1788)
¶ Full text Grondig en volledig register over de ses eerste deelen van de POST van den Neder-Rhijn (1786)
Bijlagen bij de Post van den Neder-Rhijn, nr. 1-6 (1783), nr. 7-12 (1785), nr. 13-18 (1786), nr. 19-24 (1787)

Bronnen
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: handschrift 121 D4/40, brief van P. ’t Hoen aan J. Altheer
¶ Leiden, Erfgoed Leiden en Omstreken, collectie Le Francq van Berkhey, inv. nrs. 46n, 57b en 60b-60f (brieven ’t Hoen-Le Francq van Berkhey, 1775-1779)
¶ Utrecht, Het Utrechts Archief: archief van de secretarie van Utrecht, inv. nr. 80, ‘Poincten tot redres…’ (17 april 1784); inv. nr. 123, Minuten van resolutiën van de raad, 1660-1795; archief van het Gerecht, inv. nr. 2236, criminele sententiën; archief van kolonel en hoofdmannen der schutterij, inv. nr. 2064 (resolutiën 1747-1809); archief van de burgercompagnie Turkije, inv. nr. 2075 (notulen 1783-1786), en inv. nr. 2076 (ingekomen stukken, 1785, 1786); archief van het Collegium Willebrordi, inv. nr. 515 (resolutieboek); archief Huis Amerongen, inv. nr. 2986.ii.360, brief ’t Hoen-B. van Boetzelaer (12 september 1786) en inv. nr. 2893, brief ’t Hoen-F. van Reede (8 januari 1798)
¶ Amsterdam, Stadsarchief: archief van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, handelingen en besluiten der hoofdbestuurders, inv. nr. 4., registerboek van het Genootschap tot Nut van ’t Algemeen, departement Edam (1784-1787), brief ’t Hoen aan het departement Edam, 27 mei 1783
¶ Moskou, Russisch Centraal Staats-krijgshistorisch Archief: fonds 93, opis 1, dela 79, fo.18r-19v, brief  J. van Suchtelen-C. du Moulin (23 januari/3 februari 1784) en fo. 20r-21v, brief  J. van Suchtelen-C. du Moulin (24 februari/6 maart 1784).

Literatuur
¶ J. Urbaniak, ‘”Een taal die door de hand des beuls met een brande toorts verdiende beantwoord te worden”. De ars retorica in dienst van de revolutie of De Post van den Neder-Rhijn verdedigd’, in: Internationale Neerlandistiek vol 58 (2018), nr 1, p. 57-78
¶ P. Theeuwen, ‘Van patriotse idealen tot Bataafse praktijk. Twee ‘Posten van den Neder-Rhijn’ in vergelijkend perspectief, 1781-1787 – 1795-1799’, in: P. van Wissing (red.), Stookschriften. Pers en politiek tussen 1780 en 1800 (Nijmegen 2008), p. 231-252
¶ P. Theeuwen, Pieter ’t Hoen en De Post van den Neder-Rhijn (1781-1787). Een bijdrage tot kennis van de Nederlandse geschiedenis in het laatste kwart van de achttiende eeuw (Hilversum 2002)
¶ P.J.H.M. Theeuwen, ‘Een fictieve broodschrijver. Pieter ’t Hoen en het vroege oeuvre van J.A. Schasz M.D.’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, 24 (2001), p. 89-104
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘De Post van den Neder-Rhyn’, in: Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, nieuwe reeks, 10 (1880), p. 293-385.

Peet Theeuwen