Praet-Vaer, en Zeden-Meester (1771-1772)

Titelbeschrijving
De Praet-Vaer, en Zeden-Meester. Vertellende, op eene vrolyke wyze, de Voorvallen van dezen tyd; vermengd Met geestige Invallen, Oude Historien en nuttige Zedelessen.
Dit is een overkoepelende titel. Het weekblad verscheen achtereenvolgens als De Weekelyksche Praet-Vaer (nr. 1-7), De Weekelyksche Praet-Vaer, en Zede-Meester (nrs. 8-11) en De Weekelyksche Zede-Meester (nrs. 12-13) en De Weekelyksche Zeden-Meester (nr. 14-35).

Periodiciteit
De Weekelyksche Praet-Vaer verscheen van 16 september 1771 t/m 28 oktober 1771. Op 4 november 1771 werd alvast een voorschot genomen op de nieuwe titel en veranderde de naam in De Weekelyksche Praet-Vaer, en Zede-Meester. Deze titel bleef t/m 25 november 1771. Van 2 december 1771 t/m 11 mei 1772 heet het blad De Weekelyksche Zede(n)-Meester.
Voor nr. 1 wordt in de Leydse Courant van 16 september 1771 geadverteerd. Op 21 oktober 1771 blijken de nrs. 1-6 te zijn verschenen die ‘Weekelyks op Maandag gecontinueerd [zullen] worden’. In de Oprechte Haarlemse Courant en de Leydse Courant van resp. 3 en 4 december 1771 wordt geadverteerd voor de nrs. 1-12. Op 18 december 1771 is blijkens de Leydse Courant nr. 14 verschenen, op 26 februari 1772 het 23ste ‘Vertoog’.
In totaal kent het blad 35 gedateerde afleveringen, van 16 september 1771 t/m 11 mei 1772.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering bevat 4 doorgenummerde pagina’s in kwarto. Het titelblok bevat links en rechts rond het titelvignet (een postrijder): short title, volgnummer en datum. Vanaf nr. 12 (9 december 1771) is het titelvignet verdwenen en is het woord ‘zede-meester’ in sierletters vormgegeven.
De afleveringen hebben aanvankelijk in het titelblok ook de ondertitel, maar vanaf 14 oktober 1771 (nr. 5) wordt deze vervangen door een spreekwoord of citaat.
De 35 afleveringen zijn samengevoegd tot één geheel (de volgnummers van de verschillende titels lopen ook door) en door de nieuwe uitgever voorzien van een eigen titelpagina en 2 pagina’s ‘Voorbericht aan den lezer’.

Boekhistorische gegevens
Het impressum op de achterzijde van iedere aflevering geeft: ‘Te Utrecht, By Willem David Grommé, Boekverkooper in de Lange Nieuwstraat’. Op de titelpagina van de 35 gebundelde afleveringen staat: ‘Te David Baars, Boekverkooper op het Oude Kerkhof, 1773’.
Het blad was blijkens eerstgenoemde advertentie voor 1 stuiver te koop en was tevens verkrijgbaar ‘te Leyden by J.H. van Damme, ’s Hage Wynants, Rotterdam Bothall, Gouda van der Klos, Amsterdam M. de Bruin, Dord Blussé, Arnhem Moeleman en allomme in de Steden.’ In de tweede advertentie worden nog slechts genoemd: ‘te Amsterdam by W. Borstelman, Leyden J.H. van Damme, Rotterdam Bothall &c.’ In latere advertenties worden ook de Amsterdammer Hayman en de Middelburger W. Abrahams genoemd.

Medewerkers
De schrijver beschouwt zich als een broodschrijver, getuige zijn uitspraak in nr. 1:

Wy hopen dat vele uit oorzaak van den slegten tyd dezen PRAETVAER zullen kopen om den Schryver en den Drukker aen brood te helpen, en voor zich zelve wekelyksch nog eenige duiten uit te winnen. (p. 2)

Inhoud
Het weekblad bestaat uit

de Geestigste Vertoogen tegen de Gebreeken der Menschen, als de Galante Opvoeding der Jeugd, het Vloeken, Banqueroet Speelen, dat zy, die niet bidden, Lieden van een kwaade smaak zyn &c.

In de eerste advertentie leest men over nr. 1, ‘waar in op eene vrolyke wyze verteld worden de Voorvallen van dezen Tyd, opgehelderd met Oude Historien en Geestige Invallen’. De tweede advertentie bevat informatie over de 6 nrs. tezamen: ‘Hetzelve behelsd de Voorvallen van dezen Tyd, op eene vrolyke wyze, benevens verscheidene Satyrique Reflexien, als op het Kapsel der Dames, het Kaartspeelen, het Aanplakken van Briefjes by Zieken, Opheldering van het Spreekwoord à la Mode de Paris, en op den Denker &c.’
Nr. 14 wordt als volgt omschreven: ‘behelzende een Brief van iemant, welke gezien en gesprooken heeft met den WANDELENDEN JOOD, welke nu reeds 1800 Jaaren oud is en Leeven moet tot den jongsten Dag’. Nr. 23 bevat ‘Reflexiën over het uitdeelen van Briefjes hoe veel ’er op den Bededag in iedere Godsdienst gecollecteerd is’.

In het voorbericht aan de lezer verklaart de auteur waarom hij gekozen heeft voor een nieuwe titel. Aanvankelijk wilde hij het nieuws op een vrolijke manier opdissen, maar hij vond dat deze opzet hem te veel beperkingen oplegde. Hij wilde ook zedenmisbruiken van landgenoten aan de kaak stellen; vandaar zijn transformatie van Praet-Vaer tot Zeden-Meester (zie ook nr. 13). Die zedenmisbruiken buitelen dan ook over elkaar heen. Genoemde advertenties laten er al wat van zien, maar in het Voorbericht geeft de schrijver per aflevering het hoofdthema weer.
In zijn vertogen spaart de Zeden-Meester de orthodoxie niet. Zo merkt hij naar aanleiding van de kritiek op Barueths Advocaet der vaderlandsche kerk (1771-1772) in nr. 26 op dat hij in een tijd leeft ‘waer in men de Hervormde Kerk, welke hier te Land onder de bescherming der Overigheid, gevestigd is, zoo Godloosen dat ongestraft beleedigen mag’ (p. 103). En in een passage over zijn bezoek aan anatomisch theater (nr. 27) komt onverhoeds zijn constatering ‘Ja wel, ik zeg, de mensch is een wonderlyke machine’ (p. 108).
De associatieve stijl lijkt op die van Doedijns en, na hem, Hoefnagel: de Praet-Vaer gebruikt korte krantenberichten (voornamelijk buitenlands nieuws) om op basis daarvan zijn satirisch commentaar met scabreuze kwinkslagen op te bouwen. Ook hier wordt het proza soms afgewisseld met studentikoze Latijnse spreuken en citaten, maar anders dan Doedijns en Hoefnagel houdt de Zeden-Meester zijn lezers regelmatig een religieuze moraal voor.
Het satirische commentaar werd niet door iedereen gewaardeerd. Reeds op 14 oktober 1771 (nr. 5) blijkt de schrijver ‘in allerlei onaengename ontmoetingen’ te zijn geraakt. Hij laat zich echter door zijn critici niets gezeggen, omdat hij nu eenmaal geen personen doch slechts de gebreken zegt te hekelen (p. 18). Bij de overgang van Praet-Vaer naar Zede-Meester (nr. 13) spreekt hij over de ‘gewaende Plakvoerders, alias de Schoolmeesters’ die hem de les lezen (p. 49). Ook bij de jaarwisseling (nr. 16) komen zijn criticasters ter sprake.

Relatie tot andere periodieken
De Praet-Vaer richt frequent zijn pijlen op De Denker (1763-1774).

Deze komt ook als een verligte voor den dag, aen het hoofd van een meenigte zulke Dweepers van het eigenzinnig vernuft, gewapend met knotzen van bittere schempscheuten op den openbaren Godsdienst en Godsvrugt. (p. 10)

Op 23 september 1771 blijkt ‘den Godloozen Denker’ een reactie in zijn eigen blad te hebben geplaatst (p. 15).

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 478 B 23
Full text

Rietje van Vliet