Proeve van den Smaak en Prosaischen Schryftrant van Asmus (1798-1799)

Titelbeschrijving
Proeve van den Smaak en Prosaischen Schryftrant van Asmus. In vertaalde Fragmenten uit de Wandsbekker-Bode.

Periodiciteit
Deze Nederlandse uitgave is niet als tijdschrift verschenen maar wordt door Buijnsters (1969) wel genoemd in zijn lijst (vertaalde) spectators. Dit laatste legitimeert de opname van deze titel in de ENT. Het origineel, de Wandsbecker Bothe, verscheen wel als tijdschrift: viermaal per week, van 1 januari 1771 t/m 28 oktober 1775.
De vertaalde fragmenten kwamen in twee ‘stukken’ op de markt: blijkens advertenties in november 1798 en juni 1799. 

Bibliografische beschrijving
De delen 1 en 2 bevatten VIII (voorwoord vertaler) + 139 pagina’s respectievelijk 4 (‘Verbeteringen van Misstellingen eerste stuk’) + VIII (voorwoord vertaler) + 204 pagina’s in octavo. Beide ‘stukken’ zijn voorzien van een inhoudsopgave. In deel 2 geeft de vertaler uitleg bij het gebruik van symbolen in de tekst (handje, asterisk).
Het titelvignet is een uil, zittend op een verhoging en omgeven door drie niets vermoedende fouragerende muizen. Het vertoog ‘Ernst en spel van mijnen oom aan mij’ (deel 2, p. 50-65) is voorzien van zeven eenvoudige illustraties.

Boekhistorische gegevens
Impressum: ‘Te Utrecht, by W. van Yzerworst’.
Prijs van deel 1: 18 stuivers.

Medewerkers
De auteur van de Proeve is de Duitse dichter en journalist Matthias CLAUDIUS (1740-1815), werkend onder het pseudoniem Asmus. Door zijn redactiewerk voor de Hamburgischen-Adreß-Comtoir-Nachrichten, in 1768-1770, kwam hij in contact met verlichte auteurs als Herder en Lessing. 
In 1771 werd Claudius in Wandsbeck, nu een deelgemeente van Hamburg, redacteur van de Wandsbecker Bothe, die in heel Duitsland werd verkocht. Claudius nam in dit blad het ‘gelehrten Teil’, de mengelingen, voor zijn rekening. In dit onderdeel staan gedichten en bijvoorbeeld een gefingeerde briefwisseling tussen Asmus en zijn neef Andries. Ook andere auteurs leverden er bijdragen aan, onder wie Klopstock.
Nadat de Wandsbecker Bothe was stopgezet, publiceerde Claudius voor eigen rekening de uit meer delen bestaande bloemlezing Asmus omnia sua secum portans, oder Sämtliche Werke des Wandsbecker Bothen (Hamburg, 1775-1802). Aan deze uitgave refereert de vertaler in zijn voorbericht van deel 1.
In nr. 2 staat een bijdrage over Voltaire ‘van eene Nederlandsche hand’ die getuigt van gedegen kennis van de Franse grootheden uit de République des Lettres. Mogelijk is de vertaler de schrijver van dit vertoog.

Inhoud
De Proeve is zeer divers van samenstelling: wat de literaire vorm betreft maar ook de inhoud varieert sterk. Er staan bijvoorbeeld vertogen in (over staatkunde, academisch leven, muziek, Swedenborg), correspondenties (over de orthodoxie en godsdienstverbeteringen, over verbeteringen van kerkliederen, bijbelvertalingen, studie ‘der schoone wetenschappen’), parabels, gesprekken (over vrijheid), vertellinkjes, een sermoen voor meisjes (over schoonheid en onschuld) en een stijloefening. In beide stukken neemt de briefwisseling met Andries – met een eigen french title waarop een groot zwart kruis staat afgebeeld – een bijzondere plaats in. De bijdragen in deel 2 zijn aanzienlijk minder lang dan die in deel 1.
Willem van Yzerworst prijst deel 2 van de Proeve – wanneer het nog ter perse is – als volgt aan in de Groninger Courant van 1 januari 1799: 

Alles word hier door den Schryver meesterlyk uitgevoerd, en op eene wyze die by uitstek leerzaam, en te gelyk zeer vermaakend is, behandeld. Elk beminnaar van het waare en het schoone, zal dit Stuk met nut en vermaak door lezen, en aan het zelven zyne toejuiching niet kunnen weigeren.

De recensent van de Vaderlandse Letteroefeningen (1799) spreekt naar aanleiding van deel 1 van de Proeve over de ‘Styl van Claudius [die] dikwerf zeer ingewikkeld en raadselachtig is’. Niettemin is hij het eens met de vertaler over het feit dat de geschriften van Claudius ‘zoo veel vernuft, populariteit en boert; zoo veel ernst, waarheidsliefde en Christendom, in zich vereenigen’. Maar ook plaatst de recensent inhoudelijk enkele kanttekeningen, bijvoorbeeld bij het vertoog ‘Over de nieuwe Staatkunde’ (p. 1-52), waarin Claudius ‘de nieuwe Staatkundige gevoelens, die in Europa zints eenigen tyd zoo veel opgangs maakten, gestrenglyk gispt’.
Vermoedelijk is deel 2 door een ander gerecenseerd. Deze is namelijk ingenomen met de ‘de naïve, zinryke, en met ernst en boert doormengde, Schryftrant van Claudius’. In het bijzonder spreekt de recensent over een reactie ‘van eene Nederlandsche hand’ op een korte bijdrage van Claudius over het gedicht ‘Jean qui pleure et qui rit’ van Voltaire. De recensent vindt deze reactie – ‘Betijteld Asmus Voltaire naar verdienste?’ (p. 140-172) – 

als zeer geschikt zynde om de grondbeginselen van den Heer Voltaire van naderby te doen kennen, terwyl wy niet twyffelen of dit Stukje zal veeler blinde ingenomenheid met dien, aan zich zelven zoo ongelyken, Vrydenker doen wankelen.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 3123 B 9
¶ Full text

Bronnen
¶ Algemeene Vaderlandsche Letter-Oeffeningen 1799, deel 1, p. 92-96 en deel 2, p. 373-374.

Literatuur
¶ Annette Gerlach, ‘Matthias Claudius und sein “Bothe” aus Wandsbek’, in: Lichtenberg Jahrbuch 1990, p. 89-103
¶ P.J. Buijnsters, ‘18e-eeuwse spectatoriale tijdschriften in Nederland’, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 1969, p. 16-25, aldaar p. 24.

Rietje van Vliet