Raak-Al (1793)

Titelbeschrijving
Den Raak-Al, of Twaalv Oogen.

Periodiciteit
Van dit weekblad zijn alleen de eerste vijf (ongedateerde) afleveringen bekend, alsmede een register op de nrs. 1-52 (dat echter al verscheen na nr. 4). De eerste vier nummers werden tegelijkertijd uitgegeven, blijkens een advertentie in de Groninger Courant op 26 juni 1793. Veel meer dan die vijf zullen er niet verschenen zijn aangezien het blad 24 juni 1793 door een verbod getroffen werd.

Bibliografische beschrijving
De vijf afleveringen in octavo tellen elk 8 bladzijden. Het geheel is doorgepagineerd 1-40. Het titelblok bevat de short title en nummeraanduiding; na een steeds ander motto of citaat begint de tekst.
Aan het einde van nr. 4 wordt reeds aangeboden ‘het register waar over dit eerste-deel zoude handelen’. Dit register telt 4 bladzijden en heeft een eigen titelpagina: Register wegens den Raak-Al, of; Twaalv Oogen. Eerste-deel. Omnium prudentium; avo vul, sapientissimum: hoc situs onem arp, calliditate potest [herkomst citaat onduidelijk] Te Groningen, bij L.S. Hovingh, boekverkooper aan de Breede Markt. 1793. Het geeft globaal de inhoud van de nrs. 1-52. De versozijde van de titelpagina meldt: ‘NB. Dit Register is als eene Voorleidster bij voorraad; zullende ieder Eigenaar van ons Weekblad, bij ieder vol deel of 52 No., een nieuw dergelijk Register erlangen, om bij het Werk te voegen’.

Boekhistorische gegevens
Colofon nr. 1: ‘Te Groningen, by L:S: Hovingh, 1793’.

Medewerkers
De auteur is de ‘37-jarige, te Bellingwolde geboren Wilke HOMMES, koopman in tabak en kruidenierswaren’. Hommes werd op 11 juli 1793 mede wegens sodomie en blasfemie, in het blad duidelijk geworden, veroordeeld, aan de kaak gesteld en levenslang uit de provincie Groningen verbannen.

Inhoud
De stof van dit blad, dat volgens p. 2 ‘bij nommer’ en ‘als in manieren, een weekblad’ behandeld zou worden, is nauwelijks te determineren. De inhoud heeft alle kenmerken van een ongecoördineerd betoog over abstracta, waarbij en passant de basis en compositie van de wereld behandeld worden. Een klein voorbeeld: in het register wordt als onderwerp van de nrs. 47-52 opgegeven: ‘Over de mooglijkheid van wonderen te doen; en hoe verre ieder Mensch dezelve konne verrichten, uit aanleiding van de sympathetische werking’.
De tekst heeft veel weg van de geschriften van Willem van Swaanenburg, Nicolaas Kroese en Lou de Palingboer. Dat de autoriteiten hier blasfemie vonden, is niet zonder reden. Zo wordt op p. 36 zonder omhaal betoogd dat de heer Paulus nergens iets van heeft begrepen. ‘Hij is de grondlegger der verkeertheid in het Christendom’.
Er wordt vrij veel poëzie gebruikt. Een nog redelijk heldere passage luidt:

Ik wil roemen voor mijn moeder; moeder, die mijn Schepper is;
MOEDER, die mij steld’ aanwezig, uit haar’ Deelmaat. DUISTERNIS
Zull’ mijn lov-aêr, niet, verpesten, als wanneer ik eed’loos zij.
Ik wil schragen aan mijn werpster: hulpe schenken: vloek-harpij,
Moge zwellen van verwachting, in zijn bodemloosen ziel,
Die tot ketting van oneindig averechts in handen viel;
Want: mijn kracht, is van mijn’ moeder; geenzins van iets meer gedaan:
GROOTMAT’RONE, woud’ heur eere vinden in fijguurs-bestaan;
Ik maakt’ Enster door mijn Werpster, Wrocht het heerschap: FOLIO;
UIT Octavo: maar na omm’keer wiert het Heerschap: strekt in ô:
Want! ’t was red’loos, GROOTMAT’RONE!!! dat Jehovah SCHEPPER wiert;
’t Is maar jok-Taal, wen men leze: “’t is de Heer die ’t al bestiert.”

Exemplaren
¶ Groningen, Universiteitsbibliotheek: M.V.O. Port 101 no 12

Literatuur
¶ A.H. Huussen jr., ‘Censuur in Stad en Ommelanden’, in: Jaarboek Nederlandse Boekgeschiedenis 1995, p. 13-33, vooral p. 24-26, 33.

André Hanou