Recensent (1787-1793)

Titelbeschrijving
De Recensent, of Bydragen tot de Letterkundige Geschiedenis van onzen Tyd.

Periodiciteit
De Recensent verscheen tussen 1787 en 1793 in vier delen. Elk deel bevat een jaargang van vier afleveringen, behalve deel 4 dat slechts twee afleveringen telt. De titelpagina van deel 1 noemt het jaar 1787; deel 2 1790 en deel 3 1792. Deel 4 is een onvolledige jaargang en heeft geen titelpagina: dat nr. 13 niet vóór 1793 is verschenen, valt te herleiden uit het gegeven dat een deel van de besproken werken in 1793 werden uitgegeven.
Het tijdschrift werd als maandwerk opgezet, maar kende, gezien het aantal verschenen afleveringen, een onregelmatig karakter. De turbulente politieke omstandigheden maar ook het polemische karakter van het blad verklaren het onregelmatige verschijnen van de Recensent. Zo kwam de eerste aflevering in augustus 1787 uit, twee maanden nadat Wilhelmina van Pruisen in Goejanverwellesluis door patriotten was tegengehouden. Nr. 2 had in september 1787 moeten verschijnen, maar zag pas in februari 1788 het licht.
De uitgave werd vertraagd door ‘de omwending van zaaken in ons Vaderland’: het mislukken van de coup, de inval van Pruisen op 13 september 1787 en de plunderingen en zuiveringen door de Oranjepartij. Nr. 3 werd op dinsdag 18 april 1788 in de Oprechte Haarlemse Courant aangekondigd. Nr. 4 zou binnen een maand worden uitgegeven, maar pas op 15 juli 1788 verscheen er een advertentie voor in de Oprechte Haarlemse Courant. Hierin werd tevens nr. 5 aangekondigd, maar of die inderdaad binnen een maand het licht zag, is niet duidelijk. Nr. 6 werd op 31 december 1789 aangekondigd. Daarna werd er voorlopig niet meer in de Oprechte Haarlemse Courant geadverteerd. De eerstvolgende advertentie voor de Recensent was voor nr. 14: die zou in december 1793 verschijnen.
Aan het tijdschrift kwam een einde in de aanloop naar de revolutie van 1795.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen omvatten tussen de 128 en 143 pagina’s in octavo. De pagina’s zijn per deel doorlopend genummerd.
Het motto van de Recensent luidt:

Defendat quod quisque senit: sunt enim judicia libera: nos institutum tenebimus, nullisque unius disciplinæ legibus adstricti, quibus in philosophia necessario pareamus, quid sit in quaque re maxime probabile, semper requiremus. Cicero [vert. Iedereen mag zijn eigen inzichten verdedigen. Want meningen zijn vrij. Ik zal mij aan mijn voornemen houden en zonder mij te binden aan de regels van één bepaald filosofisch systeem waar ik mij bij moet aansluiten, zal ik in elk bijzonder geval nagaan wat het meest de waarheid nabij komt].

De titelpagina’s van de afzonderlijke delen zijn sober vormgegeven: alleen tekst, geen vignet en zonder kleur. Er is geen titelprent. Ieder deel heeft een uitvoerig register op besproken titels en auteurs.

Boekhistorische gegevens
De plaats van uitgave is Amsterdam. De Recensent werd aanvankelijk uitgegeven door W. Holtrop (deel 1 t/m deel 2, nr. 5) en later door J.A. Crajenschot (deel 2, nr. 6 t/m deel 4). De prijs in 1787 bedraagt 1:0:0 per aflevering (idem in 1793). Over oplage of abonnementsvoorwaarden is niets bekend.

Medewerkers
De Recensent is een recensietijdschrift; aangezien recensies in de achttiende eeuw anoniem werden gepubliceerd, zijn de auteurs niet met zekerheid te achterhalen. Er zijn echter wel enkele vermoedens.
De oprichter van de Recensent zou volgens tijdgenoten de Amsterdamse patriot en advocaat Willem IRHOVEN VAN DAM (1760-1802) zijn geweest. Zo pleit Petrus de Wacker van Zon (1758-1818), een medestander van Irhoven van Dam, in 1806 in het weekblad De Ster onder het pseudoniem L.S.A. Scheidius voor een nieuw tijdschrift, een ‘wezenlijk Recensent’ naar het voorbeeld van Irhoven van Dams Recensent.

Ook om andere redenen is het waarschijnlijk dat Irhoven van Dam de belangrijkste man is achter de Recensent: op 24 januari 1794, drie weken na het verschijnen van de laatste aflevering, ontving deze een brief van generaal Daendels waarin hij werd opgeroepen gezamenlijk met anderen de revolutie voor te bereiden. Gezien het pro-revolutionaire karakter van de Recensent – het voorwoord van 1787 meldt dat de media de kunsten en wetenschappen maar moesten bevorderen zolang een nieuw landsbestuur die taak niet op zich kon nemen – lijkt het niet onwaarschijnlijk dat na januari 1794 Irhoven van Dam geen tijd meer had voor de Recensent. Het vestigen van een nieuw bestuur zal voor hem de prioriteit hebben gehad. Het is overigens nooit de bedoeling geweest van Irhoven van Dam om met de Recensent te stoppen: in een advertentie van 24 april 1795 in de Leydse Courant wordt aangekondigd dat de werkzaamheden aan de Recensent hervat zouden worden zodra dit mogelijk is. Het is er echter door onbekende oorzaak nooit meer van gekomen.
De remonstrant Paulus VAN HEMERT (1756-1825) zou heel goed nauw bij het tijdschrift betrokken kunnen zijn geweest. Hij was de zwager van Irhoven van Dam. De Recensent besteedt opmerkelijk veel aandacht aan zijn geschriften en spreekt zich hier in gunstige zin over uit. Het moet indertijd gegonsd hebben van de geruchten van zijn mogelijke betrokkenheid, want Van Hemert trachtte ze te ontkrachten door in de Algemene Konst- en Letterbode van 1788 (nr. 16, p. 128) in een advertentie te verklaren

dat hij geen deel ter Waereld aan het gemelde Geschrift [de Recensent] heeft, dat hij nimmer, het zy directelyk, het zy indirectelyk zyne Pen daar aan geleend, of iets, hoe genaamd, daar toe bygedragen heeft.

Vermoedelijk was het Van Hemert die begin negentiende eeuw de kantiaanse opvolger van de Recensent oprichtte: de Recensent, ook der Recensenten (1806-1850).

Inhoud
De Recensent is een algemeen cultureel recensietijdschrift. Het blad is qua opzet vergelijkbaar met de Vaderlandsche Letteroefeningen (1761-1876) en de Vaderlandsche Bibliotheek (1789-1811), met het verschil dat de Recensent alleen recensies bevat en geen mengelwerk. Wel kent het blad een ‘maandelyksche katalogus’ waarin kleinere en minder belangrijke werken worden besproken. Deze rubriek kan ook een lijst ‘prulschriften’ bevatten: werken die eigenlijk niet gedrukt hadden moeten worden.
De Recensent was vooruitstrevend: het blad was revolutionair gezind en voorstander van de uit Duitsland afkomstige, niet orthodoxe, protestantse verlichtingstheologie (neologie). Het verwierf in progressief verlichte kringen een grote reputatie, maar kreeg door zijn felle kritiek op de publieke kerk en haar geestelijkheid al snel weerstand te verduren.
De eerste twee afleveringen werden in de Allgemeine Literatur-Zeitung (1785-1849) gerecenseerd. Het Duitse literatuurtijdschrift voorspelde dat de Recensent het moeilijk zou krijgen in het Nederlandse politiek-culturele klimaat (1787, deel 4, nr. 248, kolom 141-144). Hopelijk zal het blad niet door ‘Priesterkabalen, die selbst die übersetzten Priestleysverfolgt’ gehinderd worden.De tweede recensie is veel minder positief: de Recensentwas veel te polemisch. De Duitse recensent adviseert dan ook om niet iedereen tegen zich in het harnas te jagen, omdat de Recensent anders, wanneer het al niet bij geboorte wordt verstikt, zijn doel voorbij zal schieten (1788, deel 2, nr. 102, kolom 200).

Auteurs in de achttiende eeuw waren nog niet gewend aan stevige kritiek op hun werk. De Recensent wilde daarin verandering brengen door auteurs te provoceren om zo de publieke ruimte tot volle wasdom te brengen. Dat deze nobele overwegingen lang niet altijd werden begrepen, blijkt uit de felle reacties van besproken auteurs op hun recensenten.
Een eerste reactie op de Recensent kwam uit de pen van de dichters Vonk en A.L. Kaldenbach. Zij waren geïrriteerd over de vernietigende bespreking van de dichtbundel Myne ledige uuren (1789) van Kaldenbach (met daarin ook een bijdrage van Vonk), gepubliceerd in de Recensent (deel 2, p. 382-387). Omdat Kaldenbach en Vonk consequent ‘melaatsch’ hadden geschreven voor het woord helaas, had de Recensent zich aan het slot van de recensie verontschuldigd aangezien hij de lezers ‘melaatsch! reeds zo lange met deze melaatschen’ had beziggehouden. De gekwetste dichters plaatsten daarom in enkele kranten een advertentie, waarin ze eisten dat de Recensent binnen acht weken zijn woorden terugtrok. Het blad weigerde dat en bleef bij zijn standpunt (deel 2, p. 516).
Een tweede ruzie met een beledigde auteur vindt zijn oorsprong in de negatieve recensie van Manier om geneeskundige voorschriften te schrijven (1789) van J.F.C. Pichler, vertaald door de arts Alexander Balthazaar. De recensie in de Recensent (deel 2, p. 395-397) noopte de vertaler tot een weerwoord: Recensie op de recensie van den Recensent, in het 7stuk, over het vertaalde werkje van J.F.C. Pichler, Manier om geneeskundige voorschriften voor te schrijven (1789). Ook dit werd negatief besproken in de Recensent (deel 3, p. 120-121). De vertaler, inmiddels witheet van woede over zoveel negatieve publiciteit, publiceerde wederom een tegenaanval: Vervolg van de recensie op de recensie van de Recensent, in het 7de stuk van het vertaalde werkje van J.F.C. Pichler […] ten antwoord op de hoonende beoordeeling van de Recensent, over de gemelde recensie, in het 9de stuk van dat alom genoeg bericht [sic!], kwaadaardig libel, en prul-lasterschrift, den Recensent genaamd. In de recensie die op deze publicatie volgde, raadde de Recensent (deel 3, p. 260-261) de vertaler aan niet weer de pen ter hand te nemen, maar een goede dosis van het ‘poeder van Halle’ te nemen, zuurdeeg voor zijn voeten te laten maken en naar bed te gaan. De Recensent was van mening dat Balthazaar kritiek moest kunnen verdragen.
Het conflict tussen de gereformeerde predikant IJsbrand van Hamelsveld en de recensent van diens Zedelyke toestand der Nederlandsche natie, op het einde der achttiende eeuw (1791) is een derde voorbeeld (deel 3, p. 303-323 en p. 469-488). Die recensent was vermoedelijk Paulus van Hemert. Al sinds gedwongen uittreding van Van Hemert uit de publieke kerk in 1784 en de pennenstrijd tussen hem en Van Hamelsveld die daaruit volgde, was de relatie tussen beide heren ernstig verstoord. Nog jaren later, in Lektuur bij het Ontbijt en de Thetafel (1804, nr. 3, p. 120) zou Van Hemert zijn opponent nog graag herinneren aan de gewraakte recensie. Eelt kweken op de ziel van Van Hamelsveld, was het doel van Van Hemerts herhaalde aanvallen op Van Hamelsveld, want die laatste kon, zo suggereerde Van Hemert, geen kritiek verdragen en kroop in zijn schulp van schaamte bij een negatieve beoordeling.

De Recensent bezit een algemeen cultureel karakter en bespreekt werken op het gebied van de letteren. Theologische werken die besproken worden, zijn onder meer: Opheldering van het gebed des Heeren of het onzen Vader, voor gemeene Christenen (1786) van Johann Christoph Döderlein; Brieven, betreffende de beöefening der godgeleerdheid (1785) van Johann Gottfried von Herder; Leerredenen over de gewigtigte gebeurtenissen, uit het leven van Jesus Christus (1786) van Johannes Tissel; en Het plan door den stichter van het christendom ten beste der menschen ontworpen, als een bewys voor de waarheid van den christelyken godsdienst (1787) van Franz Volkmar Reinhart. Twee werken van Joseph Priestley komen aan de orde: Brieven aan de Joden, waarïn zy worden uitgenodigd tot eene vriendelyke onderhandeling over de baarblyklykheid van het christendom (1787) en zijn Historie der verbasteringen van het christendom (1787). Aan het belangrijke theologische conflict tussen Van Hemert en zijn vroegere Utrechtse leermeester Gisbertus Bonnet besteedt de Recensent veel aandacht. Het blad koos partij voor Van Hemert, wiens oratie overigens evenzeer positief werd besproken.

In de Recensent zijn sporen van vroege, maar kritische belangstelling voor Kant terug te vinden. In het jaar dat Van Hemert zijn eerste, inhoudelijk nog weinig solide essay over Kants Kritik der reinen Vernunft publiceerde, schreefde Recensent naar aanleiding van de recensie Zeno: over ongeloof en zeden (1790) van Allard Hulshoff:

Hetzelve koomt ons voor hoofdzaaklyk ingericht te zyn tegen het zedekundig stelzel van den Heer Kant, wiens wysgeerige begrippen wy openlyk bekennen, tot hiertoe, nog eenenmaale raadselachtig voor ons te zyn. Wy wenschen dat de schryver hem beter begreepen mooge hebben, dan wy tot nog toe in staat geweest te zyn doen, onaangezien de moeite, welke wy genoomen hebben om een systema van wysbegeerte van meer dan 700 bladzyden te door bladeren […]. (deel 3, p. 347-348)

Blijkbaar is de recensent in het bezit van de Kritik der reinen Vernunft en heeft hij bovendien de moeite heeft genomen om Kants werk te begrijpen. De Recensent is kritisch ten aanzien van het nieuwe dat Kants filosofie te bieden heeft en vraagt zich af of zijn filosofisch stelsel niet veel te omslachtig is.

In de Recensent is ook aandacht voor bellettrie. Het blad heeft een grote afkeur van sentimentele romans. Zo wordt Feiths Fanny (1787) zeer negatief besproken (deel 1, p. 371-375). Wolf en Deken konden evenmin op een goedkeuring rekenen: de Brieven van Abraham Blankaart (1787) (deel 1, p. 499-506) en de Historie van mejuffrouw Cornelia Wildschut (1793) (deel 3, p. 103-106) worden als onbelangrijk afgedaan.
Het revolutionaire élan van het tijdschrift blijkt onder andere uit een lovende bespreking van Condorcets Lofreden op den heer Benjamin Franklin (1791) (deel 3, p. 525-526). Over Georg Forsters ‘Reizen in den jaare MCCXC’ (1792) – over de reis die hij in 1790 heeft gemaakt door Braband, Vlaanderen, Holland, Engeland en Frankrijk – schrijft de Recensent dat de staatskundige betrekkingen van die landen ‘de aandagt van elk verlicht waereldburger’ verdienen (deel 4, p. 2).

De stijl van de Recensent laat zich beschrijven als literair, humoristisch en voor achttiende-eeuwse begrippen soms ronduit schokkend. In de bespreking van de anonieme dichtbundel Eerstlingen (1788) vervagen bijvoorbeeld de grenzen tussen toneeltekst en recensie (deel 2, p. 124-125). De recensent citeert eerst uit het voorbericht van de dichter; laat vervolgens de dichter, de landgenoten tot wie hij het woord richt en zijn geliefde Jeanette aan het woord komen en geeft daarna zichzelf in de vorm van ‘de recensenten’ een plaats in de tekst.
Fictionele wetenschap kon ook in het tijdschrift worden geïntegreerd: zo bespreekt de Recensent (deel 1, p. 511) het werk De waereld (1786), van de Amsterdamse uitgever Johannes Allart, in de rubriek ‘hypercosmogonoscopographie’ om duidelijk te maken dat het besproken werk in de ogen van de recensenten slechts bestond uit pseudowetenschappelijk geleuter.
Ironie en sarcasme zijn vaste bestanddelen van de Recensent. Over het dichtwerk Lotje en Daphne (1788), geschrevenin de sentimentele stijl van Feith, schrijft de Recensent (deel 2, p. 248-249) spottend dat het werk veel aanprijzing verdient.
Naar achttiende-eeuwse begrippen vulgair en schokkend taalgebruik schuwt de Recensent niet. Het blad oordeelt naar aanleiding van het klaarblijkelijk toch wat erotische karakter van Jan Kinkers Myne minderjaarige zangster (1786) dat ‘deeze Minderjaarige Zangster alle geschiktheid heeft, om zelf nog voor haare meerderjaarigheid eene der afgerigte straatnymphen en bordeelsletten te worden, die het immer gewaagd hebben den Helicon te beklimmen’ (deel 1, p. 493). Kinkers tekst voldeed niet helemaal aan de goede zeden en de Recensent deed daar graag nog een schepje bovenop.

Relatie tot andere periodieken
De recensenten waren bekend met de volgende buitenlandse tijdschriften: Allgemeine Deutsche Bibliothek (1765-1806), Allgemeine Literatur-Zeitung (1785-1849), Philosophical Transactions (1665 e.v.), Journal de Physique (1794-1823), Monthly Review (1749-1845), Magazin für die Religion (1780-1781) van de theoloog Johann Salomo Semler, Deutsches Museum (1776-1791), Medizinische Bibliothek (1783-1795) van de Göttingse natuurwetenschapper Johann Friedrich Blumenbach en Berlinische Monatsschrift (1783-1811). Nederlandse tijdschriften die in de Recensent worden vermeld, zijn: Vaderlandsche Letteroefeningen (1761-1876), Algemene Konst- en Letterbode (1788-1762) en de politieke spectator Janus (1787).
Opvallend is het grote aantal Duitse tijdschriften dat in de Recensent wordt genoemd. Dit is tekenend voor de oriëntatie op de Verlichting in de Duitse landen in de tweede helft van de achttiende eeuw. De Allgemeine Literatur-Zeitung (1787, deel 4, nr. 248, kolom 141) constateert overigens verwantschap van de Recensent met Engelse tijdschriften, aangezien het blad aanvankelijk uitvoerige recensies bevatte en vervolgens ‘nach der Art der engl. Journale einen monatlichen Katalogus oder kürzere Anzeigen von minder wichtigen Schriften nach einzelnen Fächern’.

In het laatste verschijningsjaar van de Recensent kreeg het een tegenhanger in de vorm van de Boekbeschouwer (1793). Dit tijdschrift keerde zich tegen de invloed van de neologie en de Nederlandse woordvoerders hiervan. De Boekbeschouwer was zowel qua inhoud als qua toon die in het blad wordt aangeslagen, bedoeld als een alternatief voor de Recensent.

De Recensent kent diverse navolgers. Als eerste verscheen de Proeve van een Recensent voor de Negentiende Eeuw (1801).In het voorwoord hiervan wordt gewezen op de legendarische reputatie van de eerste Recensent: reden waarom er bij het Nederlandse publiek grote behoefte bestond aan een voortzetting van dit tijdschrift. Ook de opvolger van de Proeve is in zekere zin een voortzetting van de Recensent: de Onpartijdige Critische Recensent van nieuwe Boeken en Geschriften (1802).
Langlopende navolger van de Recensent is het kantiaanse tijdschrift Recensent, ook der Recensenten (1806-1850). Wanneer de Recensent, ook der Recensenten in 1818 terugblikt op zijn bijdrage aan de verbetering van recensies als zodanig, noemt hij de Recensent – ondanks diens lange uittreksels – als positief voorbeeld (deel 2, p. 2-3).

Exemplaren
¶ Utrecht, Universiteitsbibliotheek: MAG: A oct 1347
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 3018 F 8 [-11]
¶ Full text deel 1deel 2deel 3 en deel 4

Literatuur
¶ V. Franke, Een gedeelde wereld? Duitse theologie en filosofie in het verlichte debat in Nederlandse recensietijdschriften (Amsterdam/Utrecht 2009)
¶ H. van Galen, ‘De Recensent 1787-1793, blauwe beul van de achttiende eeuw’, in: Documentatieblad Achttiende Eeuw 23 (1991), p. 59-74.

Viktoria Franke