Rotterdamse Courant (1738-1867)

Titelbeschrijving
Rotterdamse Dingsdagsche [Donderdaagsche, Zaterdaagsche] Courant.
Vanaf 30 april 1765 heet de krant Rotterdamsche Dingsdagsche [Donderdaagsche, Zaterdaagsche] Courant.Per 15 juli 1766 luidt de titel Rotterdamsche Courant van Dingsdag den 15 July [enz.]; vanaf het volgende nummer, van 17 juli 1766, is het woordje ‘van’ uit de titel verdwenen.
Andere titels zijn de Gazette de Rotterdam / Rotterdamsche Courant (1811), Affiches Annonces et Avis Divers de Rotterdam / Advertentien Aankondigingen en Berigten van Rotterdam (1812-1813) en – opnieuw – de Rotterdamsche Courant (1813-1867).
Onder het bewind van Reinier en Benjamin Arrenberg kwamen er ook vervolgen, bijvoegsels, supplementen, extraordinaire en buitengewone kranten uit.

Periodiciteit
De krant verscheen vanaf 13 mei 1738 driemaal per week, op dinsdag, donderdag en zaterdag. De frequentie werd op 1 juli 1853 verhoogd naar zes keer per week.
Op 22 januari 1811 werd de krant op last van het napoleontische regime veranderd in de tweetalige Gazette de Rotterdam / Rotterdamsche Courant. Op 31 december 1811 verscheen de krant in deze gedaante voor het laatst. Op 26 september van dat jaar was namelijk bij decreet bepaald dat er in elk van de afzonderlijke departementen nog slechts één nieuwsblad mocht verschijnen, namelijk daar waar de Prefectuur gevestigd was. De Gazette de Rotterdam moest toen plaatsmaken voor de Affiches Aannonces et Avis Divers de Rotterdam / Advertentien Aankondigingen en Berigten van Rotterdam, die van 2 januari 1812 t/m 18 november 1813 verschenen. Na 20 november 1813 werden de meeste wijzigingen teruggedraaid en verscheen nr. 1 van de hernieuwde Rotterdamsche Courant, die t/m 30 juni 1867 zou voortbestaan. De enorme verliezen die de krant leed, maakten dat de toenmalige eigenaars krant te koop zetten. Toen bleek dat deze actie geen resultaat had, werd het Rotterdamse krantenbedrijf geliquideerd.

Bibliografische beschrijving
De krant is een half vel folioformaat (2 p.). Vanaf 10 december 1778 werd het een heel vel folio. De tekst is in twee kolommen opgemaakt; de datum staat in het colofon, op de achterzijde. Vanaf 11 april 1744 werden de advertenties ook overdwars in de marge gedrukt. Vanaf 17 juli 1766 kwamen er strepen tussen de advertenties op de achterpagina, die overigens weer verdwenen op 17 maart 1768. De Affiches, Annonces et Avis Divers de Rotterdam zijn in kwartoformaat en hebben in de linker en rechter kolom de Franse resp. Nederlandse tekst.
Op 24 augustus 1745 werd een nieuwe letter ingevoerd. Op 15 augustus 1758 gebeurde dit opnieuw. Per 15 juli 1766, toen Arrenberg net een paar jaar bij de krant werkte, werd de letter weer vernieuwd.
Het titelblok bevat het wapen van Rotterdam, geflankeerd door twee druipstaartende leeuwen als schildhouders. Het wapen wordt vernieuwd op 15 augustus 1758. Met ingang van 4 december 1770 is er het wapen opnieuw opgeknapt, deze keer voorzien van niet-druipstaartende leeuwen. Op 4 november 1780 heeft het wapen weer een opknapbeurt ondergaan. Onder het bewind van Napoleon, op 27 juli 1811, werd het wapen vervangen door het oude Rotterdamsche schild, vermeerderd met de keizerlijke bijen en getooid met de keizerlijke adelaar.
Vanaf 24 januari 1795 ging de titel vergezeld van de leus ‘Vryheit. Gelykheit. Broederschap’. De datum kreeg als toevoeging ‘Het Eerste Jaar der Bataafsche Vryheit’. De vorm, het adres en het wapen bleven dezelfde als voorheen. Met ingang van 2 juli 1795 werd de spelling van de leus en jaartalaanduiding gewijzigd. Met ingang van 10 maart 1796 luidde de leus: ‘Gelykheid. Vryheid. Broederschap’. Deze woorden waren op 12 november 1801 voor het laatst in het titelblok te lezen.

Boekhistorische gegevens
Het colofon van nr. 1 vermeldt: ‘Te Rotterdam, by Jan Abraham en Jacobus Casteleyn, in den Oppert. Den 13 Mey 1738’. Jan Abraham Casteleyn was afkomstig uit Haarlem waar hij 32 jaar lang namens weduwe Gerard Casteleyn de directie had gevoerd over de Oprechte Haarlemse Courant. Na verkoop van deze krant in 1737 vertrok hij naar Rotterdam waar hij de burgemeesters verzocht samen met zijn zoon een krant te mogen beginnen. Hij had daar de beschikking over één pers en twee knechts.
Op 8 maart 1738 werd dit verzoek ingewilligd. Voorwaarden waren onder meer dat belangrijke handelsberichten eerst aan de burgemeester moesten worden meegedeeld, dat de krant gratis ten stadhuize geleverd zou worden, dat aankondigingen over stadszaken kosteloos geplaatst werden en dat te zijner tijd preekbeurtenbriefjes ten behoeve van diaconie om niet gedrukt zouden worden. De stadscourantier was bovendien verplicht een recognitie te betalen van aanvankelijk ƒ 50 per jaar, een bedrag dat in 1749 zou zijn opgelopen tot ƒ 800 (totaalsom eerste tien jaar ƒ 3700). Het debiet was echter in de eerste jaren zo slecht dat Casteleyn in 1738, 1741 en 1742 van de recognitie werd vrijgesteld.
Vanaf 15 augustus 1758 is de naam van Jacobus Casteleyn uit het colofon verdwenen. Omdat het debiet tegenviel, zo betoogde hij, verzocht hij op 16 juli 1760 de burgemeesters om ontslag als courantier.
Op diezelfde datum vroeg zijn vader Jan Abraham Casteleyn aan de vroedschap om het octrooi op naam te zetten van hem en Salomon Redding, uit Den Haag. Redding zou het revitaliseringsproces van de krant kunnen leiden, maar dit kostte wel geld; vandaar dat er opnieuw om vrijstelling van het recognitiegeld werd gevraagd. Op 20 oktober 1760 werd op dit verzoek positief beschikt. De voorwaarden waren gelijk aan die van 1738 – de predikbeurtenbriefjes werden kennelijk inmiddels al wel gedrukt – en het recognitiegeld zou vanaf mei 1772 in twaalf jaar oplopen van ƒ 50 naar ƒ 800 per jaar (totaalbedrag in tussenliggende periode ƒ 3800).
Vanaf 1 januari 1761 luidt het colofon: ‘Te Rotterdam by Jan Abraham Casteleyn en Salomon Redding, In den Oppert’. De samenwerking was echter van korte duur want het colofon op 31 december 1761 luidt: ‘Te Rotterdam by Jan Abraham Casteleyn, In den Oppert’. Na vastgelopen onderhandelingen met de Rotterdamse boekdrukker Stefanus Mostert vond Casteleyn zijn definitieve partner en toekomstige opvolger: Reinier Arrenberg. Later zou deze verklaren dat Casteleyn feitelijk geen bemoeienissen meer had met de krant.
Eind 1764 verzocht de oude Casteleyn aan de vroedschap om Arrenberg als medecourantier aan te nemen en de betaling van recognitiegelden te herzien. Op 27 december 1764 werd dit alles toegestaan. Vanaf 1769 moest ƒ 50 worden betaald, daarna oplopend naar (vanaf 1778) ƒ 800 (totaalbedrag in tussenliggende periode ƒ 3650).
Het colofon luidt vanaf 1 januari 1765 ‘Te Rotterdam by J.A. Casteleyn en R. Arrenberg’, al onderging het daarna nog enkele minimale wijzigingen. Het debiet was nog steeds niet naar wens, want op 28 april 1770 scholden de burgemeesters op verzoek van de courantiers het recognitiegeld voor twee jaar kwijt. Echter, toen het tweetal op 9 september 1772 het privilege voor de florerende Gazette van Antwerpen wilde overnemen, besloot de vroedschap op 2 november 1772 prompt tot een hogere recognitie: in 1772 was dit ƒ 200, in 1773 ƒ 300, de vijf jaren daarna ƒ 600 en in 1779 ƒ 800 (totaal over deze periode ƒ 4300). Daarna zou het bedrag worden vastgesteld op ƒ 1000 per jaar.
Het overlijden van Casteleyn had een nieuwe wijziging in het colofon tot gevolg. Vanaf 19 maart 1774 staat onderaan de krant: ‘Te Rotterdam by Reinier Arrenberg op het Westnieuwland’.
Op 19 april 1779 werd op het verzoek van Arrenberg om het octrooi ook op naam te zetten van zijn zoon Benjamin Arrenberg, positief beschikt. Vanaf 29 april 1779 luidt het adres: ‘Te Rotterdam by Reinier Arrenberg en Zoon op het Westnieuwland’. Omdat het debiet aanzienlijk was toegenomen, moest Reinier Arrenberg het jaarlijkse recognitiebedrag wel verhogen. Gedurende 25 jaar moest hij telkens ƒ 100 méér betalen, waardoor het bedrag in 1803 ƒ 3500 zou zijn.
Na de verhuizing van de drukkerij veranderde het colofon. Vanaf 21 januari 1786 staat er: ‘Te Rotterdam by Reinier Arrenberg en Zoon, in den Oppert’. Vanaf 6 oktober 1787 tot 11 januari 1812 wordt het adres aan de Oppert niet meer vermeld. De drukkerij bleef op dit adres gevestigd tot 31 december 1858.
Nadat de firma Arrenberg en Zoon in 1803, 1804 en 1805 de recognitie van ƒ 3500 nog had kunnen voldoen, braken er door groeiende concurrentie, hogere papierprijzen en portokosten, toenemende belastingen en ingrijpende saneringen in het perswezen kommervolle tijden aan. Het debiet kelderde, waardoor de courantiers het enorme geldbedrag niet meer aan de stad konden betalen. Voor de jaren 1806 en 1807 werd het daarom met ƒ 1600 verminderd; voor 1808, 1809 en 1810 werd de courantiers een remissie gegund van ƒ 2000 per jaar. De recognitie van het laatstgenoemde jaar werd later zelfs nog verder verlaagd. Voor 1811 moesten ze nog slechts ƒ 500 betalen.
In augustus 1809 schreef Arrenberg aan een vrienden: ‘De couranten zijn zulk eene onbeduidende zaak niet als men soms wel denkt; van de onze bestaan hier direct 15 à 16 gezinnen, en er moet meer dan ƒ 20.000 gewonnen worden eer wij een duit voor ons eigen bestaan hebben’ (geciteerd naar G. van Reyn).
In december 1811 legde Reinier Arrenberg zijn werkzaamheden neer. Het colofon luidt vanaf 2 januari 1812 ‘Te Rotterdam by Benjamin Arrenberg’. Dit is het eerste nummer van de Affiches, Annonces et Avis Divers de Rotterdam. Reeds op 11 januari 1812 is de colofontekst uitgebreid tot: ‘Te Rotterdam, Ter Drukkerye van Benjamin Arrenberg, in den Oppert, No. 159 en 166’; en op 22 mei 1813 staat er ‘in den Oppert, wyk F, no. 159 en 166’.
Op 20 november 1813, het eerste nummer van de hernieuwde Rotterdamsche Courant, is de adresaanduiding verdwenen en vermeldt het colofon nog slechts ‘Te Rotterdam by Benjamin Arrenberg’.
Het octrooi werd na het vertrek van de Fransen hersteld, echter niet vóór 17 april 1814. Benjamin Arrenberg was daartoe een jaarlijks bedrag ad ƒ 500 recognitiegeld verschuldigd. Bij resolutie van 22 februari 1817 werd hem toegestaan zich met zijn zoon Jan Arrenberg, volgens Sautijn Kluit ‘sedert lang zijn vluggen medehelper’, te associëren.

De krant geeft weinig prijs van de verkooptarieven. De Gazette de Rotterdam kostte ƒ 6 per jaar. Het eerste nummer van de Affiches, Annonces et Avis Divers de Rotterdam meldt dat het blad ƒ 10 per jaar kostte (vrij van port) en wegens het recht van zegel ƒ 2:10 per kwartaal. De advertenties kostten 2 stuivers per regel maar omdat de tekst in beide talen moest worden afgedrukt, was de adverteerder het dubbele kwijt. Bovenin staat tevens:

Men kan zich vervoegen aan het Kantoor van dit blad, in den Oppert, te Rotterdam; by de Wed. Vriese, naast de Beurs, te Amsterdam, en verders by alle de vorige Uitgevers der Rotterdamsche Courant, of by alle de Heeren Directeuren der Posteryen.

Op 28 december 1813, toen de Rotterdamsche Courant terug was, werd meegedeeld dat de prijs per maand ƒ 1 bedroeg, inclusief de kosten van zegel en port. Wegens deze laatste kosten werd de krant alleen bij intekening verkocht. Voor advertenties tot drie regels moest men 30 stuivers betalen; en voor elke regel extra 9 stuivers meer. Geboorte-, trouw- en overlijdensberichten tot zes regels kostten 36 stuivers; elke regel extra kostte 6 stuivers meer. Genootschappen moesten voor hun berichten en programma’s 3 stuivers per regel neertellen.
Reeds het volgende nummer, van 30 december 1813, werd informatie gegeven over de losse verkoop. Daarvoor kon men terecht ‘by de meeste Boekverkoopers, maar zeker by de Boekverkoopers van Westerkappel en Groenendyk, naast het Stadhuis, of aan de Courant-Drukkery zelve’. De prijs per aflevering bedroeg 14 duiten.

Medewerkers
Zeer waarschijnlijk waren Jan Abraham CASTELEYN (1687-1774) en zijn zoon Jacob CASTELEYN ook als redacteur werkzaam. Later zou hun opvolger Reinier ARRENBERG (1732-1812) verklaren dat hij vanaf zijn aantreden de krant geheel alleen heeft geschreven en ‘dat het schrijven en dirigeren van eene Courant eene moeilijke en naauwlijks eenige verpozing toelatende arbeid en inderdaad geen werk voor een enkel mensch was’ (citaat Sautijn Kluit, p. 44).
Reinier Arrenberg was een erudiet man. Hij schreef in de jaren 1791-1801 ook bijdragen aan de Vaderlandsche Letteroefeningen en hij was actief lid van het Bataafsch Genootschap voor Proefondervindelijke Wijsbegeerte. Ook zijn zoon Benjamin ARRENBERG (1759-1820) en kleinzoon Jan ARRENBERG (1792-1846) waren actief als redacteur-courantier.
Sautijn Kluit signaleert voorts bijdragen van derden. Zo was de Rotterdamse Courant in 1801 het strijdperk waar voor- en tegenstanders van de kinderpok- en koepokinenting elkaar ontmoetten. Gijsbert Karel van Hogendorp was een van degenen die, op 28 februari 1801, in de Rotterdamse Courant het inenten verdedigde.

Inhoud
Nieuwsblad dat, met name in de revolutionaire jaren tachtig, zich nadrukkelijk neutraal opstelde. De redacteur van de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken van september 1787 spreekt dan ook over

de Rotterdamsche Courantier, die op eene uitsteekende wyze de onzydigheid, en den eigenlyken post van Dagschryver, in alle deze onstuimige tyden, allerstiptst heeft weten te houden. (p. 4557)

Het is dan ook opmerkelijk dat de tamelijk brave krant op 2 december 1786 in Den Briel verboden werd. Het was evenwel een represaillemaatregel van de vroedschap aldaar omdat die van Rotterdam zojuist de verkoop van de Brielsche Courant had verboden.
In augustus 1809 werd de burgemeester van Rotterdam van hogerhand opgedragen erop toe te zien dat de courantiers alleen nog staatkundig nieuws gaven dat eerder in de Koninglyke Courant was gepubliceerd. Arrenberg schreef hierover in een door G. van Reyn niet verder aangeduide brief:

Ik was nooit voor de licentie van de drukpers, die in onze vorige troebelen zooveel kwaad heeft gebrouwen; maar geloof mij dat eene betamelijke vrijheid eene belangrijke zaak voor dit land is. Het zoetste kind wordt narrig als men het zijn speelpop afneemt. Waag het eens den Franschman zijne soep te verbieden. Zoo zijn de Hollanders met het nieuws, zij moeten een courantje bij het ontbijt hebben, behalve dat het in een land van commercie onmisbaar is.

De Affiches Annonces et Avis Divers de Rotterdam / Advertentien Aankondigingen en Berigten van Rotterdam hadden blijkens een aankondiging in de Gazette de Rotterdam van 31 december 1811 de volgende inhoud:

behalven de gewone en judiciëele advertentien, zeetydingen, arrivementen van schepen, het in lading leggen en vertrek van schepen en schuiten, de tyd van het hoog water, prys-couranten van koopmanschappen, van effecten zoo uitgebreid en zoo naauwkeurig als mooglyk is, marktpryzen van granen, genever, boter en kaas, zetting van het brood en meel, indien er verandering in is, de lyst der geborenen, huwlyken of overledenen binnen deze stad of uittrekzel uit het register van den civielen staat.

Relatie tot andere periodieken
De Rotterdamse Courant moest concurreren met de Gazette van Antwerpen, die eveneens in Rotterdam werd gedrukt en uitgegeven. Na overlijden van de Antwerpse courantier in 1772 namen Casteleyn en Arrenberg deze krant, die duidelijk meer voor de volksklasse was bestemd, over.
In 1795 wisten Reinier en Benjamin Arrenberg met succes bij het stadsbestuur gedaan te krijgen dat het een verbod uitvaardigde van de Rotterdamsche Historische Courant.
Op 19 januari 1809 schreven vader en zoon Arrenberg een Memorie ter toelichting op hun verzoek om vermindering van de jaarlijkse recognitie (volledig geciteerd door Sautijn Kluit).Een van hun argumenten heeft betrekking op de toegenomen concurrentie. Had de krant de eerste zes decennia van haar bestaan nog een zekere monopoliepositie wat het leveren van nieuws uit Frankrijk en Engeland, na 1795 moest zij die positie delen met andere kranten. De Bataafsch Historische Courant, vanaf 1797 onder de naam Dordrechtsche Courant (1795-1896), kon door de zuidelijker ligging van Dordrecht eerder berichten over Frans nieuws.
Voor het Engelse nieuws moest de Rotterdamse Courant sinds 1804 de strijd aanbinden met de Algemeene Schiedamsche Courant (1804-1810) die vanaf genoemd jaar het licht zag.
Begin 1811 deden de courantiers opnieuw hun beklag bij het stadsbestuur over het afgenomen debiet. Ze hadden onder meer te kampen met concurrerende Parijse dagbladen, ‘dewelke sedert eenigen tijd overal ter visie liggen’.
Vanaf 1 januari 1844 kreeg de krant concurrentie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1844-1970).

Exemplaren
¶ Rotterdam, Gemeentearchief: microfilm
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: C 46 (microfilm; incompleet, vanaf 1747)

Literatuur
¶ F.C. Koch, ‘Rotterdam onder de Bataafsche Republiek (tijdvak 4 maart 1795-1 mei 1796). Censuur, propaganda en politie’, in: Rotterdams Jaarboekje 1937, p. 47-75, 60
¶ F.C. Koch, ‘Rotterdam onder de Bataafsche Republiek. Rotterdam van 4 maart 1795-1 mei 1796. Sociëteiten en oproeren’, in Rotterdams Jaarboekje 1930, p. 94-156
¶ W.J.L. Poelmans, ‘Nieuwsberichten uit de Rotterdamsche courant, 1801-1813’, in: Rotterdams Jaarboekje 1913, p. 167-207
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘De Rotterdamsche courant’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1878, p. 3-92
¶ G. van Reyn, ‘De Rotterdamsche courant vóór 1859’, in: De Rotterdamsche Courant 5 januari 1859
¶ ‘Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlandsche journalistiek’, in: Algemeene Konst en Letterbode 1859, nr. 7, p. 51-52.

Rietje van Vliet