Salomo (1798-1816)

Titelbeschrijving
Salomo, door J.H. van der Palm. Eerste [t/m zesde] deel.

Periodiciteit
Het weekblad omvat 309 afleveringen, verdeeld over 6 delen.
In het voorbericht bij deel 1 wordt gezegd dat Salomo elke dinsdagmorgen zal uitkomen, ‘en dikwijls, misschien doorgaans, nog een tweede Nommer, ’t welk alsdan Vrijdags morgens in het licht zal komen’ (p. VI). Hiermee zal een begin gemaakt worden, twee weken na uitgave van het voorbericht én eerste nummer.
Het is dus mogelijk dat de vertogen in deel 1 wat frequenter zijn verschenen. Op dit moment is echter de verschijningsdatum van de eerste aflevering nog niet vastgesteld.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen elk 8 pagina’s in octavo, behalve het openingsnummer dat 10 pagina’s telt.

Elke aflevering begint met de titel, waarna een nummeraanduiding en één of meer verzen uit het boek Spreuken volgen. Het tijdschrift bevat achtereenvolgens:

¶ Deel 1: VI + p. 1-450 (vertoog 1-55). Het voorwerk bevat french title, titelpagina, en het ‘Voorberigt der uitgave van een zedekundig weekblad, onder den titel: Salomo; behelzende eene Uitlegkundige en Zedekundige behandeling van het boek der Spreuken, in afzonderlijke vertogen door J.H. van der Palm, Hoogleeraar in de Gewijde Dichtkunst en Welsprekendheijd te Leijden’.
¶ Deel 2: IV+ p. 451-810 (vertoog 56-100), plus een extra p. 1-16 met een ‘Register der voornaamste zoo uitleg- en oudheid- als zedekundige aanmerkingen, in het eerste en twee[de] Deel voorkomende’.
¶ Deel 3: IV + p. 1-420 (vertoog 101-152).
¶ Deel 4: IV+ p. 1-22 (= Register op deel 3 en 4) + p. 421-802 (vertoog 153-200).
¶ Deel 5: IV+ VIII (bevattend de naamlijst van de intekenaars op het vijfde deel) + p. 1-352 (vertoog 201-244).
¶ Deel 6: IV + p. 353-872 (vertoog 245-309), plus een extra p. 1-12 (= Register op deel 5 en 6).

Boekhistorische gegevens
De titelpagina meldt: ‘Te Amsterdam, bij Johannes Allart, 1798’ (deel 1). De delen 2, 3 en 4 verschenen eveneens bij Allart in respectievelijk 1798, 1810 en 1811. Deel 5 (1811) heeft ‘Te Leyden, bij D. du Mortier en Zoon. Gedrukt te Leyden, ter Boekdrukkerij van Herdingh en du Mortier’. Deel 6 (1816) heeft: ‘Te Leyden, bij D. du Mortier en Zoon’.
Vanaf vertoog 195 (in deel 4 van 1811) volgt in het geraadpleegde exemplaar als subkopje onder de titels van de vertogen: ‘Te Amsterdam, by J. Ruys’.

Niet echt begrijpelijk is de opmerking van de auteur, aan het eind van deel 6 (p. 871), dat hij de soms spoediger, soms langzamer verlopende uitgave van zijn blad, wel wil beëindigen na zijn negenjarige arbeid, maar dat hij dan nog wel een deel 7 wil opleveren om de resterende stukken van Spreuken te behandelen (zij het op een andere manier). Is zijn opmerking over negen jaar juist, dan zou men – gerekend vanaf 1798 – op het jaar 1807 moeten uitkomen, terwijl deel 6 in 1816 verschenen is. Wellicht bestaan er dus exemplaren van het blad met dat impressum; een uitvoeriger onderzoek van alle bestaande exemplaren zou dat moeten controleren.
Het kan zijn dat de hier gebruikte delen 5 en 6 (uit 1810 en 1811), de uitgaven-Mortier, slechts heruitgaven of supplementaire uitgave zijn; maar Saakes geeft in zijn Naamlijst slechts aan dat deel 5 en 6 inderdaad bij Mortier uitgekomen zijn, en niet bij Allart.
Van de niet geringe populariteit van het blad getuigt over de opmerking in het ‘Naberigt’ van deel 6 (p. 872), waar gezegd wordt dat de eerste afleveringen van deel 5 geheel uitverkocht zijn; en dat zij die toch aanvulling willen en hun delen 5 en 6 compleet willen maken, zich via hun boekhandelaar tot Mortier moeten wenden.
Er zijn later nog verschillende heruitgaven van Salomo geweest: ’s-Gravenhage 1821-1824, Leeuwarden 1834-1835.

Medewerkers
Johannes Henricus VAN DER PALM (1763-1840) was tot 1788 predikant. In de jaren tachtig was hij verwoed patriot. In 1796 werd hij eerst hoogleraar te Leiden, maar in 1799 werd hij agent van Nationale Opvoeding, tot 1806, toen hij naar Leiden terugkeerde.

Inhoud
In zijn voorbericht bij deel 1 meldt de schrijver dat hij al jaren voornemens was iets met Spreuken te doen maar dat de wijze waarop hem onduidelijk bleef. De recente vertaling (1796) van het bijbelboek, door Herman Muntinghe, gaf hem de juiste vorm in: wekelijkse zedelijke vertogen. Daardoor hoefde niet het gehele boek als zodanig in één keer aan de orde te komen. Bovendien: de natie had behoefte aan een zedekundig weekblad.
Aan het einde van het vierde deel (1811) volgt als slotopmerking, dat hij het voornemen had korter van stof te worden en daarom meer dan één spreuk per aflevering te gaan behandelen (p. 800-802). De lezers hadden zich daartegen gekeerd. Hij gaat dus op de oude voet voort, temeer daar er nog steeds lezers genoeg zijn om aan een vijfde deel te beginnen!
Van der Palm behandelt in eerste instantie dat deel van het in zijn tijd nog aan koning Salomo toegeschreven boek Spreuken, dat begint met hoofdstuk X.
Zijn exegetische mode is vrij simpel. Het gaat hem bij de behandeling duidelijk niet zozeer om orthodoxie (waartoe dit boek zich ook niet leent) als wel om de uitleg van de morele waarde. Wel gaat hij vaak na wat er in de westerse, niet zelden ook oosterse literatuur, over deze spreuken en wijsheden gezegd is. Zelfs Rousseau en Schiller worden aangehaald. Soms voert de auteur enige discussie met andere exegeten; zoals Michaelis, Arnoldi, Van Hamelsveld, Doederlein, A. Schultens.
Na de eigenlijke uitleg volgt soms een zedekundige toepassing. Vanaf deel 1, nr. 19 wordt een enkele keer een ingezonden brief opgenomen (zoals die door A. Répandu, in deel 3, p. 326). Deze lijken fictief.
In deel 2 (p. 809-810) uit de auteur zijn teleurstelling dat zijn Salomo nergens besproken is, behalve in de Konst- en Letterbode.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 81-29 t/m O 81-34
¶ Full text deel 1 (heruitgave 1808), deel 2 (heruitgave 1808)deel 3 (1810)deel 4 (1811)deel 5 (1813) en deel 6 (1816)

André Hanou