Saturdags Kroegpraetje (1786-1787)

Titelbeschrijving
Het Saturdags Kroegpraetje.
Eén maal (18 juli 1787) viel de aanduiding ‘Saturdags’ weg. Vanaf 22 april 1786 verscheen het blad onder de titel: Het Saturdags Kroegpraatje; vanaf 24 januari 1787 kwamen de woensdagnummers onder de titel Het Kroegpraatje uit.

Periodiciteit
Het openingsnummer van dit weekblad verscheen op 4 maart 1786, de laatste aflevering op 15 september 1787: totaal 118 afleveringen op 476 (ongenummerde) pagina’s. Niet alleen op zaterdag, maar ook op woensdagen verschenen er afleveringen (vandaar de titelwijziging). Meestal waren dat extra nummers (13, 20 september en 25 oktober 1786), die soms als ‘Noodzakekyke [sic] bylagen’, werden gepresenteerd, bijvoorbeeld bij de nrs. 52-54.
De restauratie van Oranje door de komst van de Pruisen in september 1787 betekende het voorspelbare einde van Het Saturdags Kroegpraetje, dat drie dagen vóór de bezetting ophield te bestaan.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt vier pagina’s in kwartoformaat, is tweekoloms opgemaakt en gedrukt op een slechte kwaliteit papier, overigens niet ongebruikelijk in die tijd.

Boekhistorische gegevens
Het Saturdags Kroegpraetje werd te Rotterdam uitgegeven bij de van origine Vlaardinger Jan de Leeuw, de gereformeerde boekverkoper Jan Krap (ook Crapp) Azn. (1755-1797) en Cornelis van den Dries (1750-1817). De stoklijst van het eerste nummer vermeldt als distributiepunten: ‘te Delfshaven by de Vries, te Vlaerdingen by Nykerk, te Delft by Brouwer, te Rotterdam by van den Dries, de Leeuw, van Santenen Crapp, te Leyden by Koenigen voorts by de meeste Boekverkoopers’.
In de Hollandsche Historische Courant van 4 maart 1786 kondigden de uitgevers de eerste aflevering aan. Een nummer kostte 4 duiten.

Medewerkers
De belangrijkste redacteur is Jan VERVEER, sergeant van de Rotterdamse schutterij, een man die zijn wortels had in het beschavingsoffensief van de Verlichting. Mogelijk dreef hij met zijn vrouw Anna Maria van Alphen een van twee weinig florerende winkels in laken en andere wollen stoffen van zijn vader.
Verveer was in 1773 een van de oprichters van het Rotterdams letterkundig genootschap Studium Scientiarum Genitrix. Hun Dichtöefeningen (1778) telt tientallen bijdragen van hem, veelal met een sociale of zedekundige strekking. Hij schaarde zich onder de remonstranten en doopsgezinden die zich tegen het eind van de achttiende eeuw tegen de slavenhandel en slavernij keerden. Hij was ook lid van patriottenclubs als het Leidse Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen en het Goudse Goudsblommen. Volgens het satirische Testament of uiterste wille (1783?) zou Jan Verveer ‘zeer ondankbaar geschopt’ zijn uit een vrijmetselaarsloge (p. 19). Waarschijnlijk voerde hij de redactie over Zamenspraakjes tusschen Klaartje en Trijntje (Rotterdam? 1787).
Naast Verveer leverde ook de ‘dikke luije Schoolmeester’ Cornelis VAN DER PALM (1730-1789) bijdragen aan Het Kroegpraatje, maar wat zijn aandeel precies was, is niet bekend. Hij was een zoon van de bekende patriot Johannes van der Palm, leidde een kostschool in Delfshaven en genoot als dichter en taalkundige enige bekendheid.

Inhoud
Het Saturdags Kroegpraetje bevat dialogen in Rotterdams dialect tussen de schoenmaker Piet en zijn broer, de winkelbediende Kees aan de toog van de zwijgzame herbergier Koos, waar ze bitter of klare jenever drinken (aanvankelijk eens in de week op zaterdag, later ook op woensdag). Af en toe worden hun gesprekken, die niet altijd over lokale situaties gaan, maar ook meer algemene en landelijke kwesties betreffen, onderbroken door een Delfshavenaar. In de nrs. 62-117 treedt Sinjeur op, een kritische buitenstaander uit ‘Moffenland’, die zich in de gesprekken als patriots theoreticus ontpopt, gespreksonderwerpen aangeeft, vragen stelt en toelichting geeft. Hij speelt de rol van intellectueel die de eenvoudige stamgasten inzicht in de politiek verstrekt: de patriotten, zo verkondigt hij bijvoorbeeld niet zonder arrogantie, bedoelen ‘niet anders als het heil van de burgerij, zelfs van die domme beesten die er zig tegenkanten’.
De opzet van het weekblad was kluchtig, de redactionele toon spottend, de kritiek sarcastisch als het oranjegezinden betrof, en het doel altijd onderwijzend: de lezer moest politiek bewust worden, liefst patriots. Dat hield niet in dat het ‘grauw’ directe politieke invloed moest krijgen; daarover wordt nergens gesproken. De redactie wilde de stadhouderlijke macht inperken en de regenten verplichten rekening te houden met de burgerij. Als daarbij geweld nodig was, dan moest dat maar, hield Verveer zijn lezers voor.
De broers staken de draak met bekende Rotterdammers, zoals hun veelgeplaagde orthodoxe stadgenoot Petrus Hofstede, gereformeerd hoogleraar aan de Illustere School, die de felle aanvallen op zijn persoon en geloof even onbeheerst beantwoordde. Dominees als Hofstede hitsen het gewone volk op, menen de kroegmaten, het volk gelooft alles wat ze vanaf de kansel beweren. En natuurlijk bespotten Piet en Kees stadhouder Willem V, die na zijn militaire optreden in Hattem en Elburg tot ‘Wimpje de Veroveraar’, en later tot Willem de Moordenaar wordt uitgeroepen. Hij voerde een dure hofhouding en hoefde geen belasting te betalen, kwesties waarover de redactie regelmatig schreef.
Daartegenover mochten de patriotse preken van dominee Johannes le Sage ten Broek op grote bijval van de drinkebroers rekenen: ‘ik heb staan schreien als een kind, niet uit benaauwtheid, maar van blijdschap, dat we heus zoon beste Regering hebben’, aldus een van de broers. Ook de vreemdeling laat zich niet onbetuigd over de stadhouder, ‘die tiran, die bederver van het vrije Volk, en van het Vaderland, die vergiftigde ratelslang’. Steeds duidelijker wordt het redactionele doel: het ‘Oranjevee’ moet verslagen en gestraft worden, anders zal het oproer nooit beteugeld worden.
De Rotterdamse vroedschap mr. Isaac van Teylingen kreeg van zijn magistraat geen antwoord op zijn klacht over ‘verregaande wijze, waarop hij tegens de waarheyd aan is getraduceert en gecalumnieert in het 55enummero van zeker periodicq werk, genaamd het Kroegpraatje’. Daarin werd geïnsinueerd dat hij met sommige van zijn schuldeisers een akkoord had gesloten. De vroedschap had een beloning van 7000 gulden uitgeloofd ten behoeve van de diaconie van de Gereformeerde kerk, als iemand die lasterlijke aantijging waar kon maken.
De patriotse hoofdofficier Paulus Gevers liet Van den Dries op 6 juni 1786 als één van de uitgevers van het weekblad bij zich komen om hem voor te houden dat de vrijheid van drukpers ‘door het debiteeren van palpabele onwaerheden en het diffameeren van bekende personen niet zoude overslaan tot een allezins ongeoorloofde en strafbare licentie’. De controversiële Gevers zag bijtijds in dat hij de patriotse zaak geen dienst bewees door de patriotse journalisten ongebreideld hun gang te laten gaan en tegelijkertijd een felle jacht te openen op orangistische boekhandelaren en uitgevers. Vermoedelijk is het bij deze berisping gebleven en werd de verkoop van Het Kroegpraatje niet verboden.
Het aantal actieve patriotten in Rotterdam alleen al wordt in 1787 geschat op ongeveer 1.200, die allen gerekend kunnen worden tot het lezerspubliek van Het Kroegpraatje.

Relatie tot andere periodieken
Naast het volkse Kroegpraatje verscheen in Rotterdam ook het meer elitaire weekblad De Republikein aan de Maas (1786-1787), bedoeld voor politiek meer ontwikkelden, met name kooplieden. Dat blad was verbonden met de ‘deftige’ patriotse Vaderlandsche Sociëteit, waar alle rekesten werden opgesteld, ondertekend en ingediend.
In mei 1787 werd voor de lagere sociale strata een Vaderlandsche Burgersociëteit gesticht, bedoeld voor patriotten als Piet en Kees, ‘zoo van ons en ons soort, die zoo veul geld niet uitgeven willen’, aldus Piet. Maar meer dan De Republikein nam Het Kroegpraatje een onafhankelijk positie binnen de lokale patriotse beweging in. Dat blijkt bijvoorbeeld op de kritiek die Verveer op leidende patriotten uitoefende en die men nauwelijks in De Republikein aantreft.
Tot de bladen die Het Kroegpraatje en de schrijver weerwoord gaven behoren de Plechtige Lijkstaatsie (1787) en Het Vrydags Burger Gesprek (1786). De Plechtige Lijkstaatsie oordeelt:

Veele patriotten ontvingen dit Pluto’s geschenk als een heerlyke lekkerny, het monde hun zoo wel en ’t voldeed zoo volkomen aan hunnen verdorven smaak, dat diegeenen, welker vermogen het toelieten, ruimschoots in de beurs tastten, om den berooiden schryver uit deszelfs bekrompene omstandigheden te reden.

Het Vrydags Burger Gesprek meldt in het openingsnummer ‘voornamentlich ingericht’ te zijn om Verveers ‘vuilaardig Prulschrift’ te weerspreken. Verveer zelf werd niet alleen in 1787 bespot, nog in 1798 werd hij in het Eenvoudig en kort verhael een ‘vlugtende Bandiet genoemd, ‘een Monster van een Sociaen’.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 483 C 11
Full text

Bronnen
¶ Rotterdam, Stadsarchief, Resolutiën van de Weth van 27 mei en 6 juni 1786,7 februari en 5 maart 1787
Dichtöefeningen van het kunstlievende genootschap onder de zinspreuk Studium Scientiarum Genitrix (Rotterdam 1778)
Testament of uiterste wille, van wylen den hoog-onëdelen, hoog-onwaarden, in den rook gebooren heer, de heer Jan Verveer (z.p. 1783?)
Plechtigelijk staatsie welke ’er heeft plaatsgehad bij het putwaards bezorgen van het overleedene weekblaadje, ten hoogsten beminden geliefkoost bij alle nieuwmodische patriotten, genaamd het Saturdags Kroegpraatje, met eene exacte lijst, van alle de heeren bloedverwandten, goede vrienden en voorstanders van den overleedenen, welke deeze plechtigheid, zoo op galgekarren, mistkarren als hordens, met hunne aanzienlijke tegenwoordigheid hebben gelieven te vereeren ([Rotterdam1787])
Het Vrydags Burger Gesprek (1786)
Samenspraak van Cornelis en Jan, zynde twee Hilgersbergse burgers, waar by nog komt een Pieter, zynde een oud Rotterdams burger ([z.p.z.j.])
¶ [H. Sterck], Testament of uiterste wille, van wylen den heer Jan Verveer (1787)
¶ [H. Sterck], Catalogus en appendix der nagelatene goederen, van wylen den heer Jan Verveer (1787)
Eenvoudig en kort verhael aengaende den oorsprong en den voortgang der oneenigheeden in de gemeente (Rotterdam 1798).

Literatuur
¶ Simon Vuyk, ‘Politiek op volkse maat. Het Saturdags Kroegpraatje(1786-1787) van Jan Verveer’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 37/2 (2014), p. 227-241
¶ Ton Jongenelen, ‘O so mooy! O so fraay! O so curieus! De Lanterne magique (1782-1783)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 31/2 (2008), p. 124-132
¶ Pieter van Wissing, Stokebrand Janus. Opkomst en ondergang van een achttiende-eeuws satirisch politiek-literair weekblad (Nijmegen 2003), passim
¶ E.F.M. Sassen, ‘Republikeinse kroegpraatjes aan de Maas’, in: Holland. Regionaal Historisch Tijdschrift 19 (1987), p. 268-279
¶ E.F.M. Sassen, Over twee patriotse tijdschriften, denkbeelden en rol in de Rotterdamse patriottenbeweging 1785-1787 (Rotterdam,ongepubliceerde doctoraalscriptie Erasmus Universiteit 1985)
¶ H.C. Hazewinkel, Geschiedenis van Rotterdam (Rotterdam 1974), deel 2, passim.

Pieter van Wissing