Schertser (1735-1736)

Titelbeschrijving
De Schertser. Eerste [Tweede] deel.

Periodiciteit
Maandags weekblad, verschenen in 60 afleveringen, in de periode van 11 april 1735 t/m 28 mei 1736.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen zijn gebundeld in twee delen, elk met eigen voorwerk (titelpagina; in het geval van deel 1 tevens een ‘Voorreden’). Elk deel bevat daarnaast 30 nummers, gepagineerd 1-240. Het titelblok van elke aflevering geeft de nummer- en datumaanduiding, de titel en het motto/citaat.
De titelpagina’s tonen een vignet, ‘A. van der Laan inven. et fec.’: omkranst door een aantal narren, zotskappen, sfinxen en, misschien, een satyr (bijschrift: ‘Schertzende’) zit een schrijver aan zijn tafel. De waarheid, althans ‘Rerum magistra’, wijst hem op een tafereel met onduidelijke voorstelling. Naast de man bevindt zich een andere vrouw met licht, veder en boek. Zijn muze?

Boekhistorische gegevens
Titelpagina’s: ‘t’Amsterdam, By Jacobus Loveringh, Boekverkoper in de Kalverstraat’.
Colofon nr. 1:

Deze Schertser zal alle Maandagen te bekomen zyn: Te Amsterdam, by J. Loveringh; Middelburg, Meerkamp; Vlissingen, Payenaar; Leeuwaarden, Strik; Groningen, Bandsma; Utrecht, Visch; Dort, Van Braam; Rotterdam, Beman; Delft, P. van der Kloot; ’s Gravenhage, C. Boucquet en J. vander Kloot; Leyden, Van Kerchem; Haarlem, Van Lee. &c.

Er zijn naderhand kleine wijzigingen. Ook in advertenties vindt men nog andere verkooppunten genoemd.
Het blad moet per aflevering 1 stuiver gekost hebben, omdat Loveringh in de Leydse Courant van 7 november 1735 adverteert voor het eerste deel à 30 stuivers.

Medewerkers
De auteur is onbekend (voor enige niet substantiële vermoedens: zie de hieronder opgenomen teksteditie van Weyermans Naakte Waarheyt).
Er zijn waarschijnlijk correspondenten geweest; om hun medewerking wordt p. 24 al verzocht. Misschien gaan zij af en toe schuil achter de bijdragen, getekend met doorgaans fictieve namen als Bato Vryheid, Democritus Batavorum, Apollo Filius, Johanna Wankel, Louize Treurenstein, Ignatius Philalethes, Jonker Ligthart, Joachim Vizionaris, Igantius Vryminnaar, S.L. (die een gedicht bijdraagt), Silius Atticus, Joachim Raapzaat.

Inhoud
In de voorrede van deel 1 zegt de auteur dat hij, naar het voorbeeld van de Hollandsche Spectator, toen deze zijn werk beëindigde, aan ‘het Gemeen’ ‘eenige der Menschelyke Gebreken, zoo Schertsende, als Ernstig onder oogen’ heeft willen brengen. Wel heeft hij een andere toon aangeslagen.

Ik heb in myn wekelyks Geschrift een gantsch andere behandeling verkoren; en den middelweg tussen een Zedekundige en Waarheidbetoogende redenering, en een te ongebonde boert, niet vry van straattaal, en andere zouteloosheden, ingeslagen.

‘Myne Schryfwys, die ik eenigsins nieuw mag noemen’, was in het begin niet alle lezers welkom. ‘Sommige verstonden de Schertsing niet genoeg’ om eenzelfde soort waarheid te vinden als ooit de Spectator bedoelde. Anderen vonden het allemaal wat te duister, en hadden weinig affiniteit met de ‘verrassende uitdrukkingen, en geestige overbrengingen, waar in een Schertsing ter ontdekking der bespottelykheden dient [te] bestaan’. Overigens wilde de auteur zich niet keren tegen godsdienstige waarheden, noch zich bezighouden met staatsbestiering.
Anders gezegd: de Schertser beschreef de menselijk gebreken niet expliciet, maar meer impliciet, door middel het opwekken van ‘associaties’. Men zou haast zeggen op de manier van Doedijns en Weyerman. Op dezelfde wijze als bij de genoemden is de stijl ingenieus en wemelt de tekst van referenties aan de klassieken. Ondanks het galante taalspel is het taalgebruik natuurlijk. Mijn papieren popje heb ik ‘een inlandsch Hulseltje opgezet’, meldt de auteur (p. 6).
Het blad hoort eerder bij de satirische tijdschriften thuis dan bij de spectators (tijdgenoten zagen daar vaak toch al geen verschil tussen). De vertogen hebben niet altijd een eenduidig onderwerp. Vaak gaat het over bijgeloof, opvoeding, de vrouwen en hun uiterlijk.
Jacob Campo Weyerman heeft diverse malen het vuur geopend op deze concurrent.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 78 E 26
¶ Full text deel 1 en deel 2

Literatuur
¶ Jacob Campo Weyerman, De Naakte Waarheyt (1737), editie A.J. Hanou (Amsterdam 1977), p. XII-XIV.
¶ Peter Altena, ‘“Liever een’ Arent dan een’ Kerkuil”. Over Den Adelaar(1735) van Jacob Campo Weyerman, De Hollandsche Spectator(1731-1735) van Justus van Effen en de geschiedenis van de ‘weekelyksche schriften’, in: Voortgang 13 (1992), p. 145-166.

André Hanou