Schouwburg-Nieuws (1762-1765)

Titelbeschrijving
Schouwburg Nieuws, of Merkwaardige Berichten; Wegens den Inhoud der fraaiste en deftigste Treur- Bly- als Kluchtspellen, die op den Amsterdamschen Schouwburg gespeeld worden. Doormengd Met nodige Aanmerkingen over de Toneelstukken in ’t byzonder, en vrymoedige beöordeelingen over het spelen der Acteurs en Actrices in ’t algemeen. Eerste [Tweede] Deel.
In het titelblok van de afleveringen t/m augustus 1764: Schouwburg-Nieuws, of Merkwaardige Berichten; Wegens den inhoud der fraayste en deftigste zo Treur- Bly- als Kluchtspelen, die hedendaags op de Amsterdamsche Schouwburg gespeeld worden.
In het titelblok van de afleveringen vanaf september 1764: Schouwburg-Nieuws.

Periodiciteit
Het toneeltijdschrift verscheen eenmaal per maand, vanaf juli 1762 t/m mei 1765 (23 nrs).
De afleveringen zijn in 2 delen gebundeld.

Bibliografische beschrijving
Eerste 10 afleveringen (juli 1762 t/m april 1763) omvatten steeds een half octavo-katern; daarna is de omvang per nummer wisselend: 12, 16, 24, 26, 28, 32, 40 of 48 bladzijden in octavo. Het titelblok heeft alleen de titel; geen volgnummer of verschijningsdatum. De datering is af te leiden uit de vermelding ervan in de kopregel op de oneven pagina’s.
Ieder deel heeft na de titelpagina een ongepagineerde ‘Bladwyzer der toneel-spellen’.
Het tijdschrift heeft 2 paginagrote illustraties. Deel 1 bevat na p. 294 een ongesigneerd portret van ‘Jufv. Nieri, geboren Monti. Eerste dansscheresse op de Amsterdamsche Schouwburg 1764’. Deel 2 bevat na p. 124 het portret van ‘Jan Punt. Teken-konstenaar & plaatsnijder’, ondertekend door ‘C.J. de Keijser sculp’.

Boekhistorische gegevens
Blijkens het impressum werd het tijdschrift uitgegeven door Johannes Willem Kanneman. Deze was in maart 1763 werkzaam als ‘stadsdrukker en boekverkooper in Zalt-Boemel’ (Amsterdamsche Courant van 24 maart 1763); vanaf 1764 in Amsterdam.

Medewerkers
De schrijver/redacteur van Schouwburg-Nieuws werkte met correspondenten. Aanvankelijk kwam men niet verder dan de bespreking van enkele stukken van het maandelijkse Amsterdamse repertoire. Voor een omvattender weergave van dit repertoire, was ‘eene volledige Correspondentie’ noodzakelijk. Potentiële correspondenten werden in het mei-nummer van 1763 opgeroepen zich te melden, met name de auteur van de voormalige Hollandsche Toneel-Beschouwer (1762-1763).
Vanaf oktober 1763 t/m maart 1764 werd ook samengewerkt met een correspondent die de opvoeringen in de Leidse schouwburg versloeg. In het nummer van mei 1764 werd door een correspondent in Batavia verslag uitgebracht van een door Pieter de Vries geschreven groot divertissement, getiteld Apolloos vreugde-feest, opgevoerd op 1 oktober 1763 in de ‘Schouwburg van Batavia’ ter gelegenheid van de ‘Blyde Voorstelling van den Hoog Ed. Heer Petrus Albertus van der Parra tot Gouverneur Generaal van Neêrlands Indiën’.
Behalve met correspondenten werkte men ook met schrijvers van ingezonden brieven, gesigneerd: J.D.B. (deel 1, p. 25-27), G** (deel 1, p. 82), De Beschouwer (deel 1, p. 286-291) en een anonieme ‘missive’ (deel 1, p. 304-305).

Inhoud
Schouwburg-Nieuws behoort samen met de Hollandsche Toneel-Beschouwer (1762-1763) tot de eerste Nederlandstalige tijdschriften die geheel aan het toneel zijn gewijd. Het blad geeft aanvankelijk de inhoud van enkele stukken weer die in de Amsterdamse Schouwburg gespeeld waren of zouden worden. Een weinig gelukkige, want saaie formule. Vanaf mei 1763 bespreekt men ook, zij het summier, het spel der acteurs. Hierdoor neemt de omvang van het blad toe, met name nadat vanaf oktober 1763 ook de voorstellingen in de Leidse Schouwburg worden verslagen. Bovendien wisselt men de verslaggeving der toneelstukken soms af met faits divers over het toneel, zoals over de oprichting van een vaste Franse schouwburg aan de Overtoomse Weg in 1763 (deel 1, p. 23); een biografische schets van M. de Chevrier, auteur van  L’observateur des spectacles ou anecdotes théatrales, inclusief een beschrijving van zijn sterfbed (deel 1, p. 33-35); het vertrek van het echtpaar Bouhon en Marten Corver naar Den Haag in mei 1763 (deel 1, p. 111-112) en een door de redactie uitgeschreven prijsvraag voor ‘eene Nieuwe en allerbeste Beryminge, mitsgaders eene verbeterde Toneelschikking van Bontius’ Beleg en Ontzet van Leyden (deel 1, p. 182).

De schrijvers opereerden vanuit een morele doelstelling. Tegenover degenen die het schouwburgbezoek bestempelen als ‘de leelykste en verfoeilykste tydkortingen’, wil het Schouwburg-Nieuws laten zien dat het een aangename en tevens ‘nuttig en stichtende’ bezigheid is (deel 1, p. 1). Vaak wordt aan het eind van een verslag de moraal van het stuk nog eens samengevat, opdat de welwillende lezer zich daaraan kan spiegelen.
De ‘Beschouwer’ komt in januari 1764 nog eens uitvoerig terug op deze functie van het toneel (deel 1, p. 281 en 286-291). Bij het verschijnen van Onderwys in de toneel-poëzy, waarin het genootschap Nil Volentibus Arduum de classicistische regelgeving had vastgelegd, begint daarom ook de bespreking van dit werk met het zesde hoofdstuk, handelend over de nuttigheid en het vermaak der toneelspelen (deel 2, p. 137-144).
Er is nog nauwelijks sprake van toneelkritiek die geleverd wordt vanuit bepaalde esthetische opvattingen. De Schouwburg-Nieuws staat even welwillend tegenover de (overwegend) classicistische stukken als de eerste burgerlijke drama’s. Opmerkingen over poëticale begrippen als ‘waarschijnlijkheid’ (deel 1, p. 108), ‘schikking’ en ‘vinding’ (deel 1, p. 133) worden haast terloops geplaatst, evenals die over het gebruik van toneelsieraden en vertoningen (deel 1, p. 187).

Bij het commentaar op het spel der acteurs beperkt men zich doorgaans tot opmerkingen over stemgebruik, houding en natuurlijke voordrachtstijl: juffrouw Van Til (Hendrina Margaretha van Thil) sprak te langzaam en te zacht, juffrouw Fokke (Catharina Elisabeth Fokke) had een vloeiend stemgebruik (deel 1, p. 108) en natuurlijke houding (deel 1, p. 174) en het spel van Jan Punt was ‘deftig’. Maar bij herhaling wordt zijn geschreeuw verweten bij het verlaten van het toneel (deel 1, p. 248). Soms komt men iets meer te weten. Zo vernemen we over de acteur Brinkman dat hij de toeschouwers niet ‘behaagt heeft; althans zyne uitspraak, is gantsch niet aangenaam, en zyne gebaarden en manieren geenzins met het bekleedende Karakter overeenkomstig’ (deel 1, p. 218).

Relatie tot andere periodieken
Schouwburg-Nieuws werd in dezelfde jaren en bij dezelfde uitgever uitgegeven als De Boekzaal der Heeren en Dames (1762-1765). Tussen beide tijdschriften bestond een aanwijsbare relatie. Uit het ‘Voorbericht’ van De Boekzaal (deel 1) blijkt bijvoorbeeld dat men voornemens was ‘agter elk Stukje onzer BOEKZAAL […] eenige Merkwaardige Berigten wegens den Inhoud der fraaiste en deftigste zo Treur- Bly– als Kluchtspellen, die hedendaags op de Amsterdamsche Schouwburg gespeeld werden […]’ te plaatsen. Kennelijk probeerde men langs deze weg, buiten de kring van habituele Amsterdamse schouwburgbezoekers, een breder publiek voor het blad te interesseren. Daarnaast wekte men de suggestie dat de schrijvers/correspondenten der Boekzaal dezelfde waren als die van Schouwburg-Nieuws (deel 1, p. 303-304).

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 63-7142 / 7143
¶ Full text deel 1 en deel 2

Literatuur
¶ Edwin van Meerkerk, ‘“Het dochtertje van monsr. Smit”. De ontwikkeling van een kritisch vocabulaire in toneelrecensies, 1762-1765’, in: Helleke van de Braber en Inger Leemans (red.), Explosieve debatten. Kritische tradities in Nederlandse en Engelse tijdschriften 1750-1940 (Zutphen 2012), p. 26-43
¶ A. Vos, ‘Johannes Willem Kanneman, boekdrukker en uitgever in Zaltbommel, 1744-1764’, in: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre 85 (1994), p. 89-117
¶ André Hanou, ‘Publikatie van Schouwburg Nieuws, het eerste Nederlandstalige toneeltijdschrift. Begin van de toneelkritiek’, in: R.L. Erenstein (red.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1996), p. 326-331
¶ J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland, deel 2 (Groningen, 1908), p. 280-281.

Thomas Mattheij