Secreete Correspondentie Over de Provinciaale Compagnie Tot Utrecht (1720-1721)

Titelbeschrijving
Secreete correspondentie over de Provinciaale Compagnie Tot Utrecht.
Vanaf nr. 2 is de spelling gewijzigd: Secrete Correspondentie over de Provinciale Compagnie Tot Utrecht.

Periodiciteit
Deze periodiek bestaat uit 25 afleveringen, die telkens de vorm hebben van een brief. Het begrip ‘wekelijks’ komt een enkele keer in de tekst voor (p. 129). Opmerkelijk is in dit verband de passage aan het einde van nr. 5, na de brief van die aflevering, luidend

Den Drukker adverteert het Gemeen, dat hy een Middel om de Copyen van deeze secreete Correspondentie wat vroeger te krijgen uytgevonden, en alree 6 Brieven van een curieusen Inhoud in Handen heeft; verseekerende, dat hy in ’t vervolg alle Weeken praecies een Stuk door de Pers den Leeser communiceeren, en voor de Drukfouten in het toekomende beter sorg draagen sal. (p. 56)

Afgezien van de hier gemelde intentie van regelmatige periodiciteit, lijkt de auteur, door een aantal opmerkingen in zijn later volgende teksten, een spel te spelen met de fictie: dat de teksten van zijn brieven door kennissen van de geadresseerde gestolen zijn en in handen gespeeld van een drukker. Het kan zijn dat de mededeling door de ‘drukker’ feitelijk wel degelijk van de schrijver zelf afkomstig is, bedoeld om onregelmatigheden, tot dan toe, in de verschijndata goed te praten en beterschap te beloven.
In de 25en laatste aflevering meldt de auteur zijn brieven te beëindigen omdat zijn geadresseerde een tochtje naar Engeland moet maken. Waarschijnlijk is ook dit fictie; mogelijk moet hijzelf naar Engeland.
Het blad begon in 1720 en vervolgde in 1721. Dit laatste valt op te maken uit het tegenschrift Noodige Aanmerking (1721), dat de afleveringen van de Correspondentie op de voet volgt, zelf af en toe data uit 1721 noemt. Bovendien worden reeds p. 69 gelukwensen bij de jaarwisseling gegeven.

Bibliografische beschrijving
Het blad (in kwarto) heeft geen echte titelpagina bij het geheel. Elke aflevering (behalve de eerste) begint met een kort titelblok (met alleen de titel), waarna de brief volgt. Het geheel is gepagineerd 1-304, maar hierbij zijn talloze fouten in de telling ingeslopen. De auteur moppert ook zelf over druk- en andere fouten van de drukker. Feitelijk heeft elke aflevering 12 pagina’s.

Medewerkers
De auteur noemt zich ‘Augustus Waarmond’. Het tegenschrift Noodige Aanmerking meldt dat de schrijver zou zijn ‘eenen verlopen Schilder: Quakzalver of een gepretendeerde Goutmaker’. Het blaadje onhult geleidelijk zijn identiteit: het zou gaan om [Johann Ulrich] GERDING (jaren onbekend). Deze was van Duitse komaf, volgde rechten te Leiden in 1702, en was ten tijde van de Secreete Correspondentie vermoedelijk chirurgijn of medicus te Utrecht. In 1731 trad hij als arts in Russische dienst. Waarschijnlijk interesseerde hij zich voor het maken van goud, maar hieromtrent is niets zeker.

Inhoud
Alle afleveringen bestaan uit één brief aan een niet nader aangeduide, waarschijnlijk fictieve Amsterdamse heer. Soms is er wat poëzie doorheen de teksten gestrooid.
Ten minste in de eerste vijf afleveringen is het onderwerp het bedrieglijke ondernemen van één van de vele in 1720 opgerichte windhandelcompagniën, die op basis van als zeer winstgevend voorgestelde projecten aandelen (‘acties’) in hun compagnie verkochten.
In dit geval gaat het om een Utrechtse firma die door het graven van een fors kanaal tussen de stad Utrecht en Spakenburg, Utrecht toegang wilde geven tot de wereldzeeën en aldus Amsterdam de wind uit de zeilen nemen. Uiteraard hadden de verkochte acties na korte tijd nauwelijks waarde meer. Deze kwestie houdt de auteur ook later wel bezig, maar hij schakelt dan over naar een meer algemene spectatoriale en satirische behandeling van allerhande andere soorten bedriegerij. De auteur geeft blijk van buitengewone eruditie.

Relatie tot andere periodieken
Het blad werd scherp aangevallen door een belanghebbende bij de Utrechtse compagnie, in diens [Eerste enz.] Noodige Aanmerking, op de Secrete Correspondentie (Utrecht, Hendrik Schouten [1721]). De Correspondentie zelf reageert daar hevig op, met onthulling van details over het persoonlijk leven van de aanvaller.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: PFL.16486
Full text

Literatuur
¶ André Hanou, ‘Utrechts kabaal. De Secrete Correspondentie (1720-1721) en de Noodige Aanmerking (1721), en hun schrijvers’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 34/2 (2011), p. 99-107
¶ G. van Rijn, Het groote tafereel der dwaasheid en zijne geschiedenis. Voorafgegaan door eenige mededeelingen over de Utrechtsche en Middelburgsche Compagnien (Amsterdam 1905), p. 241-242.

André Hanou