Sem, Cham en Japhet (1800)

Titelbeschrijving
Sem, Cham en Japhet.

Periodiciteit
Van dit weekblad zijn 21 afleveringen verschenen. In de maanden januari tot en met juni 1800 werd ervoor geadverteerd in de Leydse Courant.
Het lijkt erop dat Sem, Cham en Japhet een verbod boven het hoofd hing, zoals dat wellicht ook het geval was met de voorloper, de Arke Noachs (1799). Aanwijzingen hiervoor zijn te vinden in twee curieuze advertentieteksten in de Leydse Courant. Op 31 januari 1800 leest men daar:

De Gebroeders Sem, Cham en Japhet, maaken hiermede bekend, dat hun Vader Noach met zyne Arke onder Ararat aangekomen zynde, zy de weeklyksche beurt door hem met zoo veele exactitude en vigilantie te bevaaren, niet minder naauwkeurig en oplettend, als Postboden te Lande, ten voordeele van het Ouderlyk Huis zullen waarneemen en vervullen, het Bureau van bevrachting blyft als voren ten Huize van den Boekverk. H. Gartman in de Kalver St[r]aat te Amst. NB. Onder de veelerhande Goederen, welke, blykens het Manifest No. 1 (den 27 Jan. voor 1 en 1 halve Stuiver by hun voor eigen rekening te bekomen zyn, behoord ook puiks puik Koningsberger Licht, ongemeen zuiver en dat weinig gesnoten behoeft te worden. Ook hebben zy gezorgd voor zodanigen onder hunne Calanten, die hoewel zwak van gezicht, niet te min van dit licht gebruik verkiezen te maaken. Ten gevalle van dezulken hebben zy zich voorzien van extra geschilderde doorschynende Oogen Schermtjes; verzoeke ieders gunst en recommandatie.

En op 25 juni 1800 leest met over Sem, Cham en Japhet:

Heden word by Hendrik Gartman, Boekverkooper in de Kalver Straat te Amsterdam, en verder alom à 1 en 1 halve Stuiver uitgegeeven: het Voorbericht en Register van ’t onlangs geëindigde Weekblad Sem, Cham en Japhet, dat zeker, zonder eene ellendige misrekening zoo wel van de Schryvers, als van den Uitgever, nimmer zou begonnen geweest zyn. Zy waren, namelyk, onnozel genoeg van zich te verbeelden, dat het taxeeren en op prys stellen van de daden en meeningen der Gouvernementen, het beoordeelen der Wetten van eene Maatschappy en wat daar verder toebehoort, onder het vry verklaren van de Drukpers begreepen was. Doch na dat zy zich daar omtrent beter hebben laten onderrichten, hebben de Schryvers te gelyk ingezien, dat zy qua Autheurs van dit Weekblad, dat aan deze verkeerde onderstelling zyn oorsprong verschuldigd is, in deze Republiek geen boodschap meer hadden, en lagen hunne Pennen als gehoorzame en wel beraden Burgers neder; ’t is echter met smart, dat de Uitgever zich daar door verplicht acht deze Bekendmaking als geeerd Publiek te moeten doen, en hy kan het zich naauwlyks vergeven, dat hy, met zoo veele van zyn Confraters het zesde en twaalfde Art. der Inleiding van de Constitutie zoo kwalyk begrepen heeft. Eenige compleete Exemplaaren […] zyn nog te bekomen.

Blijkbaar is het naar de mening van de schrijver(s) te moeilijk geworden zich vrij uit te laten over de situatie in het land, gezien de steeds sterker wordende druk van de regering die beperkingen oplegde aan de vrijheid van de pers en de (politieke) gezelschappen (zie Homan 1976). Er wordt in de tekst gerefereerd aan de verplichting op titelpagina’s aan te geven wie voor een tekst verantwoordelijk is (p. 162). Ook het toegevoegde Voorbericht zegt dat het beter is ‘voor te komen, dan voorgekomen te worden’. Kennelijk verwachtte men een verbod.

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering heeft 8 bladzijden in octavo. Het geheel is doorgepagineerd.

Boekhistorische gegevens
Amsterdam, Hendrik Gartman, 1800.
Saakes’ Naamlijst geeft in juni 1800 aan dat de eerste en volgende afleveringen ƒ 0:1:8 zouden kosten (p. 140) en in december 1800 dat het geheel, met voorbericht en register, ƒ 1:15 waard was (p. 191).

Medewerkers
Het blad is vrijwel uitsluitend het werk van Johannes KINKER (1764-1845), zo meldt tijdgenoot A.R. Falck. Deze maakte zelf deel uit van het gezelschap waaruit het voorgaande tijdschrift, de Arke Noachs (1799), voortkwam
P. Scheltema meent dat Jacobus SCHELTEMA (1767-1835) eveneens medewerker was. Deze had mede een stuk over de ‘Nederlandschen Helikon’ gemaakt, ‘hetwelk echter, omdat het een Lid der Redactie, wier treurspel Dinomache daarin ligtelyk was gehekeld, niet is geplaatst’. Als medewerkers worden her en der (bijvoorbeeld door Van Hall), zonder duidelijke evidentie genoemd: Cornelis LOOTS (1765-1834), Jan Frederik HELMERS (1767-1813). De laatste toeschrijving wordt ook door Helmers’ biograaf Van Hattum betwijfeld.

Inhoud
De redactie doet het voorkomen alsof het reeds in de ArkeNoachs beschreven gezelschap tenminste deels uit dezelfde bezetting bestaat (p. 8). In de constellatie van Sem, Cham en Japhet hebben de zonen Noachs een verbond gesloten met de ‘antediluvianen’ (dus: diegenen die zich buiten de – politieke – zondvloed gehouden hebben) om de tegenwoordige culturele en politieke situatie van commentaar te voorzien. De secretaris van het gezelschap is dan ook een min of meer neutrale antediluviaan.
De anderen vertegenwoordigen het gehele politieke spectrum (radicalen, moderaten enzovoorts). Men wil zich niet richten op ‘den gemeenen man’, noch op de geleerden, maar op die groep die eigenlijk belangrijker is:

waar van men, zonder er tot nog toe een naam voor te hebben, spreekt telkens als men een graad van verlichting onder een zeker volk bepaalen wil […] het is de ware Volksstem. (p. 6)

Politiek krijgt bijzondere aandacht. ‘Staatkundige fragmenten’ vormen de hoofdmoot. Het gaat om problemen rond het kiesrecht, het aannemen van de nieuwe grondwet, het afschaffen van adellijke titels, de vrijheid van godsdienst, financiële problemen als gevolg van de revolutie, en vooral de onmacht van het Uitvoerend bewind ten opzichte van de door de grondwet vereiste hervormingen, en de willekeur waarop dat bewind omspringt met de rechten van de burgers.
Serieuze onderwerpen worden afgewisseld met luchtiger stukjes. De betoogvorm wordt afgewisseld met burlesker vormen, anekdotiek als fake vonnissen, pseudoadvertenties, ‘ingezonden’ brieven en fragmenten.
Toneel krijgt veel aandacht, inclusief perikelen rond het toenmalige bestuur van de Amsterdamse schouwburg. De ‘classicistische kritiek [in dit blad] richt zich niet zozeer tegen zedenbederf of kerkelijke bevoogding, als wel tegen het dan nog heersende sentimentalisme in de drama’s van Iffland, Kotzebue en Barbaz’. Wat literatuur in het algemeen betreft, aldus Buijnsters (1991), ‘neemt de discussie over de literaire smaak een belangrijke plaats in, waarmee deze schrijvers over de politieke weekbladen heen weer aanknopen bij de vroegere spectators’.
Hier en daar wordt het kantianisme gepropageerd als morele leidraad.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: OG63-1840:2
Full text

Literatuur
¶ M. van Hattum, Jan Frederik Helmers (1767-1913). Leven en werk van een Amsterdamse wereldburger (Amsterdam 1996), p. 66-69
¶ A. Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting (Deventer 1988), deel 1, p. 491-492; deel 2, p. 46
¶ P.J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), p. 77, 92
¶ G.D. Homan, ‘The Staatsbewindand Freedom of the Press’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 89 (1976), p. 12-27
¶ M.C. van Hall, Mr. Johannes Kinker. Bijdragen tot zijn leven, karakter en schriften (Amsterdam 1850), p. 27
¶ P. Scheltema, Het leven en de letterkundige verrigtingen van den geschiedschrijver Mr. Jacobus Scheltema (Amsterdam 1849), p. 53.

André Hanou/Pieter van Wissing