Snapper, of de Britsche Tuchtmeester (1732-1752)

Titelbeschrijving
De Snapper, of de Britsche Tuchtmeester. Door den Ridder Richard Steele. Uit het Engelsch vertaalt Door P. le Clerc. Eerste [enz] deel.
Deel 4: De Snapper, of de Britsche Tuchtmeester. Door de Hr. R. Steele. Vierde deel. Uit het Engelsch vertaalt Door P. le Clerc. Waar agter gevoegd is de Prognosticatie van Partridge’s dood. Als mede de Trommelslager of het Huis-spook, Blyspel van den Hr. Addison.

Periodiciteit
De Snapper wordt in de historiografie wel eens als tijdschrift beschreven, maar deze Nederlandse uitgave is dat niet. Wel het Engelse origineel, The Tatler (1709-1711), dat driemaal per week verscheen en 271 afleveringen omvat; 230 daarvan werden in het Nederlands vertaald. De Nederlandse vertaling is daarentegen uitgebracht in delen. Er wordt voor het eerst voor geadverteerd in de Amsterdamse Courant van 28 oktober 1732. De titelpagina’s vermelden de jaren 1733 (deel 1 en 2), 1734 (deel 3) en 1752 (deel 4).
Uit diverse advertenties blijkt dat de uitgever van editie-1733 de Snapper met 3 delen als compleet beschouwde. Zo bood hij in de ’s Gravenhaegse Courant van 9 augustus 1734 ‘nog eenige compleete Exemplaren’ te koop aan.

Bibliografische beschrijving
In octavo.
De titelpagina in rood en zwart, met gegraveerd titelvignet van Jan Caspar Philips (inv. et fec.). Het titelvignet stelt een landschap voor, met in het midden een rivier; links een kasteel, rechts een berg; in het verschiet de stralen van de zon; op de berghelling enkele figuurtjes, van wie één met aureool om het hoofd. In de banderol onder het vignet staat het motto ‘Musis Aurora Benigna’ (vert. De dageraad is de muzen goedgezind’).
Met paginagroot portret van Richard Steele, vervaardigd door Willem Jongman (Jonckman).

Boekhistorische gegevens
De delen 1-3 van de Snapper zijn uitgegeven door Hendrik Vieroot, boekverkoper op de hoek van de Dam en de Nieuwendijk te Amsterdam. Voor deel 4 tekende Isaak Tirion, eveneens uit Amsterdam. Deze Tirion bracht in 1752, gelijktijdig met dit laatste deel, de delen 1-3 als titeluitgave opnieuw uit (advertentie Leydse Courant 15 november 1752). Een derde uitgave van deze 4 delen – de titelpagina vermeldt: tweede druk – verscheen in 1773 bij de Amsterdammer Steven Jacobus Baalde.
De Prognosticatie voor den jaare 1708 is als zelfstandige uitgave in kwarto reeds in 1708 uitgegeven door de Haagse drukker Gillis van Limburg: Wonderlyke prognosticatie ofte voorsegginge, wat in dit jaar 1708. zal voorvallen. Het blijspel Het huis-spook, eveneens onderdeel van deel 4, kwam in 1776 en 1784 als zelfstandige uitgave in Amsterdam – eerst in proza, later in rijm – op de markt onder de titel Het trommelend huisspook, of De echtgenoot-waarzegger.

In de Opregte Groninger Courant van 23 februari 1773 biedt L. Huisingh te Groningen de uitgave van Baalde te koop aan voor ƒ 3:50; na 20 maart zou de prijs ƒ 5:25 worden. Deze prijs wordt ook genoemd in het Naamregister van de bekendste en meest in gebruik zynde Nederduitsche boeken (1788) van Abcoude-Arrenberg (p. 490).

Medewerkers
De Snapper is een vertaling van The Tatler, die hier op naam staat van Richard STEELE (1672-1729) maar waaraan vanaf nr. 18 ook zijn vroegere schoolvriend en politicus Joseph Addison bijdragen heeft geleverd. Uiteindelijk vulde Steele in totaal 188 nummers, Addison 42, Jonathan Swift circa 12; de rest bestond uit bijdragen van incidentele medewerkers.
De vertaler is Pieter LE CLERCQ (1692-1759).
De Prognosticatie voor den jaare 1708, onderdeel van deel 4, is als Predictions for the Year 1708 geschreven door Isaac Bickerstaff, pseudoniem voor Jonathan SWIFT (1667-1745). Bickerstaff is overigens ook de door Richard Steele gecreëerde spectatorfiguur in de Tatler. Het Huis-spook is een vertaling van The Drummer van Joseph ADDISON (1672-1719).

Inhoud
Bij de spectatoriale geschriften of ‘Moralische Wochenschriften’, zoals ze in Duitsland zo treffend worden genoemd, was het de auteurs vóór alles te doen om de morele boodschap. Zo zegt Steele in de Snapper:

Ik meen my in myne schriften als een lidt van het Genootschap van de hervorming der zeden te gedraagen […]. Derhalven zal ik kennis neemen van alles wat op openbaare byeenkomsten gebeurt, en ik denk geene onordentelykheden, onbetamelykheden, onbeschoftheden, noch achteloosheden ongemerkt voorby te laaten gaan in zulke die ons een beter voorbeeldt behoorden te geeven. (deel 1, p. 21)

Ontspoorde gedragingen (zoals ongebreidelde genotzucht en lichtmisserij (deel 1, p. 170-175, 460, 558) en achterhaalde morele idealen van de aristocratie worden door de Snapper voortdurend op de korrel genomen. Ten onrechte heeft de adel, zo meent Steele c.s., onverschrokken mannelijke moed tot hoogste deugd verheven. Het duel, voortkomend uit een misplaatst eergevoel der edelen, heeft in hun ogen geen bestaansrecht meer (deel 1, p. 180-182, 205, 280-293).
De Snapper staat ook afwijzend tegenover aanstellerij in kleding en manieren (galanterie) en eigenlijk tegenover iedere vorm van uiterlijk vertoon waarmee vooral de adel zich omgeeft. Vermakelijk is het verhaal over Willem Proper, die de hele dag, zolang hij in gezelschap verkeert, bezig is zichzelf op te doffen (deel 1, p. 73). Allerlei vormen van zinledig ceremonieel vertoon wordt afgewezen (deel 4, p. 248-250). De Snapper hekelt het gedrag van de coquette (deel 1, p. 174; deel 2, p. 351-358), de pedant (deel 1, p. 184-188; deel 3, p. 145-151) en de snoeshaan (deel 3, p. 255). Ook wordt in het blad de spot gedreven met al degenen die hun roem menen te kunnen ontlenen aan ijdele aanspreekvormen (deel 3, p. 189-190) of titels die ze slechts aan hun geboorte te danken hebben (deel 4, p. 212-213).

Maar er is niet alleen kritiek. Steele en Addison voegden indertijd, met het verschijnen van ieder nieuw nummer van de Tatler, ook een steentje toe aan het mozaïek van een nieuwe gedragscode, latent aanwezig bij de middenstand maar nog niet in een canon gestold.
In de Snapper is te lezen dat zij de in diskrediet geraakte huwelijksmoraal herstellen door te pleiten voor herstel van het wettig huwelijk (deel 1, p. 365-366). De Snapper vindt het niet langer gewoon dat mannen hun vrouwen tiranniseren (deel 4, p. 53). In plaats daarvan propageert het blad een relatievorm die gebaseerd is op wederzijds respect en inlevingsvermogen in elkaars gevoeligheden. De ideale mens ontleent zijn waardering niet aan enige vorm van uiterlijk vertoon, maar aan een aantal innerlijke, in het gevoel zetelende, eigenschappen: ‘Een man moet uitgedrukt worden door zyne gevoelens en neigingen, en niet door zijn pracht en stoet’ (deel 1, p. 408). Menselijkheid (deel 2, p. 150) en menslievendheid (deel 1, p. 37) zijn eigenschappen die wortelen in morele gevoeligheid en worden door de Snapper tot hoogste deugden verheven.

De schrijvers hebben hun bespiegelingen aanvankelijk ondergebracht in rubrieken. In de Snapper handelt ‘White’s Chocolaad-huis’ over minnarijen, vermakelijkheden en uitspanning; ‘Wills koffi-huis’ gaat over poëzie; ‘Grieksche koffi-huis’ over geleerdheid; ‘St. James koffi-huis’ over binnen- en buitenlands nieuws en ‘Eigen vertrek’ over alle overige onderwerpen (vgl. deel 1, p. 3).
Deze formule wordt geleidelijk aan losgelaten. Naarmate Steele meer oog krijgt voor de zedenkundige gebreken van zijn landgenoten, die hem als tuchtheer ook meer werk verschaffen, wordt hij steeds minder een courantier. Dat is de reden waarom de rubriek ‘St. James koffi-huis’ geleidelijk aan minder plaats inneemt in de Snapper, om ten slotte helemaal te verdwijnen (vgl. deel 1, ‘Voorreden’, p. [11]). In een latere fase worden de afzonderlijke afleveringen meer gevuld met een essay of een brief over één bepaald onderwerp.

The Tatler sloeg aan bij een groot publiek. Jacob Campo Weyerman althans, die (zonder bronvermelding) tientallen passages heeft vertaald in zijn Rotterdamsche Hermes (1720-1721), beweert dat de oplage van The Tatler 24.000 bedroeg. Getuige de vele navolgingen viel het tijdschrift in de smaak, niet in het minst door zijn gelukkig gekozen vorm. Dat moet, gezien de populariteit van de Rotterdamsche Hermes en de herdrukken van de Snapper, ook in Nederland het geval zijn geweest.
Steele wilde de vorm even informeel en lichtvoetig houden als de discussies in de koffiehuizen. Hij legt daarom zijn morele overwegingen in de mond van zijn alter ego Bickerstaff en heeft daarmee een conversatiestijl en een overtuigende autoriteit gecreëerd die voor iedereen acceptabel is. Deze fictieve spectator, die zich tot het publiek richt en die niet identiek is met de auteur, is een gouden formule gebleken. Aantrekkelijk is ook het feit dat de schrijvers geen boekenwijsheid verkondigen maar hun morele denkbeelden putten uit zorgvuldige observatie van menselijke gedragingen in de directe wereld om hen heen. Door hun observaties op basis van hun gezonde verstand te beoordelen zijn zij voor ons waarachtige vertegenwoordigers van de Verlichting.
Ten slotte is daar de luchtige en vrolijke toon waarvan de schrijvers zich bedienen. Die staat garant, aldus de vertaler Le Clercq, voor een effectieve overdracht van de morele boodschap (deel 1, ‘Voorreden’, p. [2-3]). Kortom: lering, naast aangenaam vermaak.

De Snapper wordt besproken in de Boekzaal der geleerde Waerelt: deel 1 (april 1733), p. 424-440; deel 2 (januari 1734), p. 48-66; deel 3 (maart 1735), p. 331-345. De recensent beperkt zich voornamelijk tot het geven van voorbeelden.

Relatie tot andere periodieken
Justus van Effen heeft met zijn Franstalige Misanthrope (1711-1712) het spectatoriale concept van Steele overgebracht naar het continent. Hij werd gevolgd door Mr. Joan Duncan, die met zijn Mens Ontmaskert (1718) het oudste oorspronkelijk Nederlandstalige spectatoriale tijdschrift leverde. Het was opnieuw Justus van Effen, die met zijn Hollandsche Spectator (1731-1735) het genre bij ons populair maakte.
Tientallen tijdschriften die in de loop van de achttiende eeuw in Nederland zijn verschenen, zijn navolgingen van The Tatler. Circa 25 zijn volgens Buijnsters (1991) vertalingen, voornamelijk uit het Duits en Engels: bijvoorbeeld de Philanthrope, de Denker, de Gryzaard, de Rhapsodist, de Menschenvriend, de Spectator of Verrezene Socrates, de Guardian of Britsche Zedemeester, de Patriot of Duitsche Zedemeester.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 553 H 11
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: OK 77-38-40 (deel 1-3) en O 60-1853 (deel 4)
¶ Full text deel 1deel 2deel 3 en deel 4

Literatuur
¶ Elly Groenenboom-Draai, ‘The Tatler als bron’, in: idem, De Rotterdamse woelreus. De Rotterdamsche Hermes (1720-’21) van Jacob Campo Weyerman. Cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek (Amsterdam-Atlanta 1994), p. 117-128
¶ P.J. Buijnsters, Spectatoriale Geschriften (Utrecht 1991), p. 104-110
¶ Wolfgang Martens, Die Botschaft der Tugend. Die Aufklärung im Spiegel der deutschen Moralischen Wochenschriften (Stuttgart 1968), p. 29, 378
¶ Paul Hazard, ‘Towards a New Pattern of Humanity’, in: idem, The European Mind, 1670-1715 (z.p. 1973), p. 364-378 (oorspr. Franse tekst: Parijs 1935), p. 370-371
¶ Harold Routh, ‘Steele and Addison’, in: A.W. Ward and A.R. Waller (ed.), The Cambridge History of English Literature, deel 9 (Cambridge 1912), p. 13, 26-65
¶ J. Hartog, De spectatoriale geschriften van 1741-1800: Bijdrage tot de kennis van het huiselijk, maatschappelijk en kerkelijk leven onder ons volk, in de tweede helft der 18de eeuw (Utrecht 1890, 2e dr.).

Thomas Mattheij