Taal-en Dichtkundige Mengelstoffen (1776)

Titelbeschrijving
Taal- en Dichtkundige Mengelstoffen, onder de spreuk: Suum Cuique.

Periodiciteit
Dat het hier een onregelmatig verschijnende periodiek betreft, blijkt uit de mededeling van de auteurs in het ‘Voorberigt’. Daar verklaren zij te ‘hebben vast gesteld, maandelijks of om de halve maand, een, twee, of meerder vellen druks te leveren, naar mate onze tijd en omstandigheden ons daar toe meerdere of mindere gelegenheid aan de hand geven’ (p. 2-3). Het is vermoedelijk bij één aflevering gebleven, ofschoon er op de laatste bladzijde een volgend stukje wordt aangekondigd (p. 121).
De vaststelling van het verschijningsjaar is enigszins problematisch. Het Voorberigt maakt melding van het jaar 1773, waarin de auteurs begonnen zijn met het schrijven van de Mengelstoffen.

Wij zouden zelfs het eerste stukjen van dezelve in het begin van het volgend jaar [=1774] hebben uitgegeven, zijnde toen ons Voorberigt, benevens de gantsche Opgave en Beoordeeling der Proeven van Poëtische Mengelstoffen, door het Genootschap onder de Spreuk: Kunstliefde spaart geen vlijt, al afgeschreven en gedeeltelijk gedrukt. (p. 4)

Er kwam echter een kink in de kabel waardoor aan de Mengelstoffen een vroegtijdig einde kwam. Medio 1775 werd het werk opnieuw ter hand genomen. De uitgevers ‘deden het eerste blad [=vel] geheel herdrukken’, maar opnieuw moest het werk worden gestaakt. Pas in maart 1776 zag de eerste aflevering van de Mengelstoffen in definitieve vorm het licht. Wegens de door de uitgevers gemaakte onkosten is ervoor gekozen de reeds gedrukte vellen te voegen bij de nieuw te vervaardigen vellen.

Bibliografische beschrijving
De Mengelstoffen verschenen in octavoformaat. De enige bewaard gebleven aflevering bevat II (voorwerk met titelpagina en blanco versozijde) + 122 pagina’s (inclusief het Voorberigt van 4 pagina’s).
De katernsignaturen en het kimmetje na het Voorberigt verraden de drukgeschiedenis van het periodiek.

Boekhistorische gegevens
Het impressum op de titelpagina luidt: ‘Te Leyden, Bij Heyligert en Hoogenstraaten, MDCCLXXVI’.

Medewerkers
Contemporaine reacties wijzen op het Leidse genootschap Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen als zijnde het gezelschap waaruit de auteurs van de Mengelstoffen afkomstig zouden zijn. Dit wordt echter in de Handelingen der beschermheeren (p. 15) met kracht tegengesproken.
De keuze van Leidse uitgevers, de nadrukkelijke vermelding van het studentenblad dat als voorbeeld heeft gediend en de onverbloemde kritiek op gevestigde schrijvers doen vermoeden dat de auteurs van de Mengelstoffen in Leidse studentenkringen moeten worden gezocht.
In het Voorberigt worden lezers en besproken auteurs opgeroepen de pen ter hand te nemen (p. 2-3).

Inhoud
De auteurs schrijven in het Voorberigt dat zij voornemens zijn

die stukken, welke, betrekkelijk tot de Nederlandsche Taal- en Digtkunde, hier of elders van tijd tot tijd uitkomen, aan te kondigen, uit dezelve nu en dan, wanneer onze omstandigheden zulks toelaten, uittrekselen te geven, en ’er ons oordeel over te zeggen.’ Deze kritiek zal zijn ‘onbevooroordeeld, vrij van vleierij, en met alle vrijmoedigheid en opregtheid, zonder ons den haat van zulken, die over ons oordeel misnoegd mogten zijn, eenigzins te bekreunen. (p. 2)

In de eerste aflevering wordt op p. 1-25 gedetailleerde taal- en dichtkundige kritiek geleverd op de Proeven van poëtische mengelstoffen van het Haagse genootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt (Leiden 1773). Veel dichtstukken worden afgedaan als ‘prullekraam, die ons van de Franschen aangewaaid is’ (p. 7) en ook de gekozen onderwerpen getuigen van een ‘vrij slegten smaak’ (p. 9).
Dan volgen twee korte gedichten van ‘een onzer Leden’ (p. 26-28, 29), waarvan de laatste is voorzien van uitvoerige ‘Taal- en digtkundige aanteekeningen’ (p. 30-58).
De aflevering besluit met de ‘Opgave en beoordeeling der tooneelpoëzy van Nicolaas Simon van Winter en Lucretia Wilhelmina van Merken’ (p. 59-121). De kritiek op de toneelstukken van het schrijvende Amsterdamse echtpaar is vernietigend. Hun werk bevat ‘langdradige en koude verhalen, die in meenigte in deze stukken voorkomen, en waar uit zij, evenals onze dagelijksche Nieuwspapieren, voor het grootste gedeelte samengeflanst zijn’ (p. 117).

Relatie met andere periodieken
Het ‘Voorberigt’ opent met de mededeling dat de Mengelstoffen geënt zijn op Tael- en Dicht-Kundige By-Dragen ter opbouw van Neerlands Tael-en Dicht-Kunde (Leiden, 1758-1762), het blad van het Leidse studentengenootschap Linguaque Animoque Fideles.
De Mengelstoffen gaven aanleiding tot een korte, felle polemiek, ingezet door Een Troefblaadje (Amsterdam, 1776). Dit periodiekje werd op zijn beurt aangevallen in het pamflet Twee vliegen in eéne slag (Utrecht 1776). Hierin werd gesuggereerd dat er binnen het Leidse genootschap Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen ‘cabaal’ zou zijn geweest en dat de Mengelstoffen door enkele leden zouden zijn geschreven.
Nadat intern onderzoek had uitgewezen dat er van onenigheid geen sprake was, wilde het bestuur de goede naam van het genootschap zuiveren. Daartoe werden de Handelingen der beschermheeren [Leiden, 13 mei 1776] uitgegeven. De uitgevers Heyligert en Hoogenstraaten, beiden lid van KWDAV, verklaren hierin dat de genootschapsleden geen blaam treft, maar wie de auteurs van de Mengelstoffen wel zijn, verraden ze niet.

Exemplaar
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1190 E 39:2
Full text

Bronnen
Handelingen der beschermheeren, en verdere bestuurderen van het tael- en dichtlievend genootschap, onder de spreuk: Kunst wordt door arbeid verkregen. Ter verdediging der eere van alle de leden van dat genootschap, tegen den hoon hun aengedaen, in zeker stukje, getijteld: Twee vliegen in eéne slag [Leiden, 13 mei 1776].

Literatuur
¶ B. Thobokholt, Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’ te Leiden, 1766-1800 (Utrecht 1983), p. 18.

Rietje van Vliet