Tael- en Dichtkundige By-Dragen (1758-1762)

Titelbeschrijving
Tael- en Dichtkundige By-Dragen.
De afzonderlijke afleveringen verschenen echter onder de titel Maendelyksche Bydragen ter opbouw van Neerlands Tael en Dichtkunde.

Periodiciteit
Het tijdschrift zag maandelijks het licht, van 1 september 1758 t/m december 1762.

Bibliografische beschrijving
De By-Dragen verschenen in octavo en zijn later voorzien van apart voorwerk dat aan de twee gebundelde delen voorafgaat.
Het voorwerk van deel 1 (over de jaren 1758-1760; – de titelpagina vermeldt abusievelijk alleen 1759, 1760) bestaat uit VI ongenummerde pagina’s, bevattend de titelpagina, een opdracht aan Balthazar Huydecoper en de inhoudsopgave. Daarna volgen 26 gedateerde afleveringen in doorlopende paginering, beginnend met een ‘Voorbericht’ (p. 1-2), en gevolgd door een ‘Bladwyzer van woorden en zaken’ (p. 495-521), een ‘Tweede bladwyzer der aengehaelde en genoemde Schryveren’ (p. 522-534), een overzicht met ‘Zinhinderende zetfeilen’ (p. 534).
Het voorwerk van deel 2 (over de jaren 1761 en 1762) bevat VIII ongenummerde pagina’s: titelpagina, een opdrachtgedicht aan Lucas Trip en de inhoudsopgave. Daarna volgen 24 afleveringen en wederom respectievelijk een ‘Bladwyzer van woorden en zaaken’ (p. 623-642), de ‘Tweede bladwyzer van schryveren’ (p. 643-657) en ‘Zinhinderende drukfauten’ (p. 657-658).
Aanvankelijk waren de afleveringen slechts ‘een half blaedje’ (=8 p.) maar in het Voorbericht werd reeds aangekondigd dat hierin verandering kan komen bij ‘een goede uitslag, een behoorlijk vertier, doch voor al de rijkelijke mededeelingen ons van buiten aenkomende’ (p. 2). Sommige afleveringen dijden uit naar 40 pagina’s. Over het klaarblijkelijke succes van het tijdschrift zie nr. 28 (deel 2, p. 17).
Op de titelpagina’s van beide delen staat een vignet afgebeeld met een studerende en een schrijvende figuur aan tafel. Op de achtergrond een grote boekenkast met, blijkens het opschrift, voortbrengselen van Nederlandse schrijvers en dichters. Links op de kast staat een bijenkorf, rechts een ensemble met een lier, bazuin en panfluit. Onder dit ensemble is een doorkijkje naar de berg Helicon met het gevleugelde paard Pegasus. Op de voorgrond spelen vier putti met stapels boeken: van Vondel, Huydecoper, Hoogstraten, Ten Kate en Kiliaen.

Boekhistorische gegevens
De titelpagina van deel 1 meldt: ‘Te Leyden, By Johannes Le Mair, MDCCLX’, deel 2 idem maar voert als jaartal ‘MDCCLXII’. Deel 1 is in 1771 herdrukt.
Het colofon aan het einde van sommige afleveringen luidt:

Deze BY-DRAGEN werden te Leyden by Joh. Le Mair alle maenden uitgegeven, en zyn mede te bekomen te Amsterdam by Houttuin, Tongerlo en Meyer, Haerlem Bosch, Rotterdam Bosch en Maronier, ’sHage O. en P. van Thol, Delf Sterk en Grauwenhaen, Utrecht Kroon, Paddenburg, Spruyt, enz. (deel 1, p. 64)

Elders worden ook andere namen genoemd, hetgeen wijst om een zeer ruime verspreiding: Middelburg Taillefert en Gillissen, Zierikzee V.d. Thoorn, Vlissingen Pajenaer, Amsterdam de Wit, Rotterdam Arrenberg, Dort Blussé, Delft van der Smout, Utrecht de Meyeren en ten Bosch, Groningen Spandauw en de Wed. Groenewoud, Leeuwaarden Chalmot & Comp. Franequer Huytsma, enz.
Het prospectus van Le Mair geeft informatie over de verkoopvoorwaarden. Omdat deel 1 uit 34 vellen bestaat, zou de verkoopprijs – overeenkomstig de voor maandbladen gebruikelijke prijs van 3 stuivers het katern – ƒ 5:2:0 moeten bedragen. Maar Le Mair biedt het deel aan voor ƒ 4:12:0; meer korting zal niet worden gegeven. Tevens biedt de uitgever deel 2 aan, die volgens planning zal bestaan uit 30 vel en waarvan de abonnementsprijs is vastgesteld op ƒ 3:3:0. Indien het deel dikker uitvalt, dan betalen de abonnees (‘Heeren Inteekenaren’) 2 stuivers per vel extra. Wordt het deel dunner dan zakt de prijs evenredig. In de losse verkoop is de verkoopprijs 3 stuivers het vel.

Medewerkers
Het periodiek is geschreven door leden van het Leidse studentengenootschap Linguaque Animoque Fideles. Centrale figuren in de redactie waren Hendrik Arnold KREET, Herman TOLLIUS en Frans VAN LELYVELD.
Kreet (1739-1804) aanvaardde na een carrière als advocaat de post van griffier bij het Hof van Holland. Tollius (1742-1822) werd hoogleraar geschiedenis, welsprekendheid en Griekse taal in Harderwijk en, in 1777, te Amsterdam. De Leidse lakenfabrikeur Van Lelyveld (1740-1785) heeft nooit aan een universiteit gestudeerd maar was dankzij zijn actieve betrokkenheid met de taal- en letterkunde en zijn kennis op dit gebied een vooraanstaand lid van het genootschap, dat door zijn toedoen in 1766 werd omgevormd tot de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
Het Voorbericht bevat een oproep aan lezers om boeken voor te stellen die de redactie vervolgens kan bespreken; ook kunnen ze zelf ‘opstellen’ inzenden. Verder worden dichters uitgenodigd ‘hunne hersenvruchten’ ter becommentariëring in te zenden (deel 1, p. 1). Het adres van de uitgever of dat van de wederverkopers dient als postadres (deel 1, p. 24). De inzenders van de vele brieven worden met een pseudoniem of initialen aangeduid: F.B.L.C. (=Frans Burman Lieutenant Colonel), A.K., Nec Timide Nec Temere (=Elie Luzac?), Ignotus, P.V.A., Tentando, Anonymus Batavus, Fabricando Fabri Fimus, L.q.A.q.F. (=Linguaque Animoque Fideles), M.T., Ars Proficit, M.C., S.S., het genootschap D.A.O.M. (=Dulces Ante Omnia Musae), L., het genootschap Minima Crescunt, H.v.B. en – als enige die met naam en toenaam ondertekent – Josua van Iperen. Sommigen van hen tekenden voor meer dan één bijdrage.

Inhoud
In het Voorbericht schrijven de auteurs dat zij nieuwe boeken, ‘de Nederlandsche tael en deszelvs aenverwanten, als mede de oudheden en dichtkunde onzes lands betreffende’ willen signaleren dan wel uitgebreid bespreken. Ze zullen er hun oordeel ‘vryelyk, oprechtelyk, en zo veel ons mogelyk zy, zacht en bescheiden’ aan toevoegen (deel 1, p. 1). De polemiek zullen ze niet schuwen (p. 2).
In de praktijk blijkt echter dat de kritiek genadeloos hard kon zijn. Teksten werden tot op de letter gefileerd en beoordeeld aan de hand van wat er in de handboeken van onder anderen Huydecoper geschreven staat. De auteurs gingen ervan uit dat kritisch commentaar steevast leidt tot betere producten en dat ook onbetwiste grootheden aan het literaire firmament baat hebben bij gedetailleerde besprekingen. Dit werd hun lang niet altijd in dank afgenomen.
Desondanks toonden de lezers zich zeer betrokken bij de discussies die de redactieleden aanzwengelden. De hoeveelheid ter bespreking ingezonden stukken dreigde hun boven het hoofd te groeien (deel 2, p. 581). Daaronder bevond zich overigens veel werk van ‘rymelaers’ en ‘armhartige nagelbyters’, waar de redactie geen acht op zegde te willen werpen (deel 1, p. 250).

Relatie met andere periodieken
De By-Dragen kregen in 1763 een vervolg: Nieuwe Bydragen tot Opbouw der Vaderlandsche Letterkunde(Leiden, 1763-1766).
In november 1759 is sprake van een competentiestrijd met de Philanthrope, of Menschenvriend (nr. 151, 22 augustus 1759). De redactieleden van de By-Dragen halen hierover echter hun schouders op (deel 1, p. 202-204, 484).
De By-Dragenworden besproken in de Nederlandsche Letter-Courant (deel 1, 5en 6estukje, p. 39 en 48).
Verder beschouwden de auteurs van de Taal- en Dichtkundige Mengelstoffen, onder de spreuk: Suum Cuique (Leiden, 1776) hun periodiek als opvolger van de Tael- en Dichtkundige By-Dragen van Linguaque Animoque Fideles.

Exemplaar
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1497 D 6-7
¶ Full text deel 1 (‘1759, 1760’) en deel 2 (1761, 1762)

Bronnen
Achterin deel 1 van het door Google Books gedigitaliseerde exemplaar (UB Gent) bevindt zich het Bericht van Johannes Le Mair, aen alle liefhebbers der vaderlandsche wetenschappen, wegens de uitgave van de Maendelijksche by-dragen, ten opbouw van Neêrlands tael- en dicht-kunde. De 4 pagina’s van dit prospectus bevatten de inhoudsopgave van deel 1 en verkoopgegevens.

Literatuur
¶ R. Honings, ‘‘Van zaadkorrel tot breedgetakte boom’. De ontkieming van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde’, in: Nieuw Letterkundig Magazijn 27 (2009) 1, p. 8-15.

Rietje van Vliet