Tiresias de Waarzegger (1743)

Titelbeschrijving
Tiresias de Waarzegger. Onder de spreuk: Coërcendi Sunt Intemperantes. Behelst vermaaklyke, nuttige, zoo zedelyke als schertsende, en zeer leerzaame aanmerkingen, beneevens gedichten op verscheide onderwerpen; met oogmerk om de aankomende jeugdt te prikkelen.

Periodiciteit
Van dit woensdagse weekblad verschenen van 4 september 1743 t/m 23 oktober 1743 niet meer dan acht afleveringen. In de laatste zegt de schrijver er een punt achter te zetten (p. 62).
Eerder, in nr. 5, zegt hij het gerucht te willen ontzenuwen dat hij bij gebrek aan stof ‘ons weeklyks Papier’ niet zou kunnen volhouden. Onzin! Integendeel zelfs. ‘Wy [zyn] gereet om alle weeken twee Blaaden teffens, of op twee byzondere daagen uittegeeven’. Alleen zou hij dat dan wel graag via een intekening willen vernemen, omdat hij anders niet weet of het de moeite aard is elke week een tweede blad te geven.

Bibliografische beschrijving
Het werk, in kwarto, heeft IV + 62 pagina’s (nrs. 1-8 hebben een doorgepagineerde arabische telling). Het voorwerk bestaat uit titelpagina met vignet en drie brieven van Theodora Cornelia Vonck, alle uit Nijmegen 2 juli 1743.
Het vignet (‘Wandelaar inventor’) toont een kist met ijzerbeslag, daarboven een wapenschild. Ter linkerzijde een vrouw met lier, sleutel en hond; ter rechterzijde zeeft een putto goudstukken die uit de lucht neervallen in het opgehouden kleed van een andere putto.
Het titelblok van elke aflevering toont een afbeelding van de klassieke blinde ziener Tiresias, geleid door zijn dochter Manto. Rechtsboven daarvan: de nummeraanduiding. Links en rechts ervan: de datering. Eronder: het jaar (1743) en de short title.

Boekhistorische gegevens
Het impressum op de titelpagina luidt: ‘Gedrukt voor ’t Genoodschap van acht persoonen, en alomme by de Boekverkoopers in Hollant te bekoomen’. Elke aflevering (behalve de laatste) heeft een colofon, met een nogal wisselend aantal boekverkopersadressen. Zij beginnen altijd met ‘Te Dordrecht by van Braam en Outman’; bij Amsterdam wordt slechts genoemd: [Bernardus] Mourik.

Medewerkers
De auteur is onbekend. Er is een kleine mogelijkheid dat hij Hermanus VAN DEN BURG (1682-1752) is, omdat hij in zijn eerste aflevering zegt het karakter van Argus te ambiëren: mogelijk mede een verwijzing naar de Amsterdamsche Argus (1718-1722) van Van den Burg. Bovendien stuurt deze Van den Burg feitelijk verschillende bijdragen in: ‘Op de doodt van […] Mr. Willem Sautyn, Out Schepen te Amsteldam’ (in een brief uit Amsterdam, 24 september 1743; ‘Grafschrift voor den Hére Gerardt van Papenbroek, Oudt Voorzittent Schépen te Amsteldam’ (in een brief van 15 oktober 1743).
De schrijver, die in deze eerste aflevering zijn lezers verzocht heeft nieuws en bijdragen toe te sturen, krijgt hulp van verschillende mensen: E.N.; A.Z. (met een gedicht van de Nederlandse Voltaire, ‘Aan den zegepraalenden koning van Groot-Brittanien’, en een ‘Grafschrift’); K.G. (die 7 september 1743 uit Rotterdam een gedicht ‘Aan den heere Voltaire’ instuurt); en P.B. (met een gedicht ‘Ode op het overleiden van den Amsteldamschen burgermeester de Heer van Castricum, in oogstmaand 1743’). Verder zijn er: ‘Ex Animo  Studio Arte & Labore’ (met een bijschrift onder het portret van W.v.H.; mogelijk Willem van Haren); en de dame C.F. (met het gedicht ‘Epitaphe’). Er zijn nog andere inzenders; die blijven ongenoemd of zonder initialen.

Inhoud
Dit mercuriale blad geeft nieuws uit geheel Europa, vooral over de ontwikkelingen in de oorlog. De stijl is erudiet (veel voorbeelden aan de Oudheid ontleend) en gecompliceerd: de auteur werkt met ‘concetti’ à la Doedijns, die hij duidelijk gelezen heeft. Het doel is te ‘tragten zoo wat Landt, Stadt, Dorp, Vlek, Gragt, Straat en Steeg-nieuws, als een Nieuwerwets Zakpyper ofte Lier-man op te dreunen, om my zelve en de aankoomende jeugt van beide de Sexen te vermaaken’ (p. 6).

In de drie brieven uit het voorwerk (Nijmegen 2 juli 1743) richt Theodora Cornelia Vonck zich tot de auditeur-militair te Venlo (N. Schutter) en de commandant van het regiment Braeckel (H.N. van Schoonhoven) met een klacht over een aanval op haar vader en haarzelf door een kapitein en cadet uit genoemd regiment (G.W. van Balveren, en ene Eldrom). Zij is bereid het op een tweegevecht te laten aankomen, met haarzelf als deelneemster maar nu gewapend met degen of pistool, om haar eer te wreken (dit voorval was kort in nr. 2 aan de orde geweest).

Exemplaar
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1241 H 18:4
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: pflt. 17416 (de brieven door Theodora Cornelia Vonck)
Full text 

André Hanou