Utrechtsche Kerk- en Academie-Boekzaal van Europa (1759-1760)

Titelbeschrijving
Utrechtsche Kerk- en Academie-Boekzaal van Europa, bestaande in korte ontledende uyttreksels van de voornaamste en aanmerkelykste werken der Geleerden […].
Vanaf november 1759: Geldersche Kerk- en Academie-Boekzaal van Europa […].

Periodiciteit
Voor het ‘Eerste Deel, 1ste stuk’ van dit maandblad wordt geadverteerd in de Amsterdamse Courant van 2 augustus 1759.
Een pak Boekzalen van het op 1 augustus verschenen julinummer, dat bestemd was voor verder transport naar Hollandse steden, werd in september in Amsterdam door de hoofdofficier in beslag genomen. De Utrechtsche Boekzaal zou afbreuk doen aan het privilege dat de Amsterdammer Dirk onder de Linden van de Staten van Holland had gekregen voor zijn Boekzaal der Geleerde Wereld. Van de weeromstuit plaatste de uitgever van de Utrechtsche Boekzaal een advertentie in de Oprechte Haerlemsche Courant van 6 september 1759, waarin hij aankondigt dat er van nr. 1 geen exemplaren meer zijn, maar dat het nummer herdrukt zal worden.
Ook al impliceerde het privilege van Onder de Linden slechts dat het nadrukken was verboden, toch konden de uitgever en zijn auteur weinig uitrichten. Bovendien was Amsterdam door toedoen van Onder de Linden veranderd van logistiek knooppunt tot een logistiek knelpunt, waardoor het vervoer van exemplaren naar andere Hollandse steden ernstig bemoeilijkt werd. Ze zochten en vonden een uitgever in Gelderland, die voor de Utrechtsche Boekzaal een octrooi zou aanvragen bij de Staten van Gelderland. Dit octrooi werd op 25 oktober 1759 voor de duur van 15 jaar verleend aan wat vanaf toen heette: de Geldersche Kerk- en Academie-Boekzaal van Europa. 
Aangezien Onder de Linden de truc doorhad, stelde hij opnieuw alles in het werk om ook deze Geldersche Boekzaal te doen verbieden. In november 1759 werd in Amsterdam het novembernummer in beslag genomen en op 21 december 1759 eiste het Hof van Holland een verklaring van de nieuwe uitgever. Intussen wist Onder de Linden de schout van Hoorn te bewegen de Geldersche Boekzaal in beslag te nemen en verkoop te verbieden, en ook kreeg de Dordtse boekverkoper Blussé een zware boete opgelegd wegens de verkoop van dit blad. Op 3 april 1760 werd de Geldersche Boekzaal door de Amsterdamse hoofdofficier geconfisqueerd.
Door alle ellende, zo staat in het Species facti (1760) van de auteur, was ‘een goed gedeelte van het Debiet der Geoctroyeerde Boekzaal daar door gestremd geworden’ (p. 6). Hij wast zijn handen in onschuld en geeft Onder de Linden en de Gelderse uitgever alle schuld van het debacle. Bovendien kondigt hij aan zich te zullen wenden tot het Hof van Holland en de Staten van Gelderland.

Bibliografische beschrijving
Nr. 1 is volgens de Nederlandsche Letter-Courant ‘behalve het tytelblad, groot 8 bladen in klein 8o’.

Boekhistorische gegevens
Blijkens de eerstgenoemde advertentie is het blad gedrukt en uitgegeven door Abraham van den Brinck, boekverkoper in de Choorsteeg te Utrecht. Van deze Van den Brink zijn geen andere uitgaven bekend; wel wordt zijn naam in de STCN een enkele keer genoemd als verkoopadres.
Dit zal de reden zijn geweest dat niet hij maar de auteur, bijgestaan door de Utrechtenaar G.T. van Paddenburg, in oktober 1759 naar Arnhem ging om daar met boekverkoper Jan Hendrik Moeleman te spreken over de overdracht van de Utrechtsche Boekzaal. Het drietal ging vervolgens naar Zutphen, waar de Staten van Gelderland gezeteld waren. Met hulp van advocaat H. van Santbergen kregen de drie het voor elkaar dat er aan Moeleman octrooi werd verleend. Voorwaarden waren onder meer dat er van iedere aflevering een exemplaar werd geleverd aan de bibliotheek van de Hogeschool van Harderwijk en dat er in Zutphen, of enige andere Gelderse stad, een eigen drukkerij werd opgericht. Om die reden vestigde Claus van Laar zich per 1 november 1759 in Zutphen.
Op 2 januari 1760 gaf Moeleman, daartoe door het Hof van Holland aangezet, een verklaring af waarin hij toegaf dat het octrooi op zijn naam stond maar dat hij niet de drukker was. Hierdoor was voor Onder de Linden, de uitgever van de Boekzaal der Geleerde Wereld, de gerechtelijke weg via het Hof van Holland afgesloten. De verklaring van Moeleman staat overigens haaks op wat er in advertenties wordt gesuggereerd, bijvoorbeeld in de Oprechte Haerlemsche Courant van 15 december 1759:

By Jan Hendrik Moeleman, Boekverkoper te Arnhem, is gedrukt […], en word by Abraham van den Brinck te Utrecht, en verder by de voornaamste Boekverkoopers in de andere Provincien en Steden mede uytgegeeven: De Kerk- en Academie-Boekzaal van Europa voor de Maand November, 1759; zynde vervuld met veele fraaye en aanmerkelyke Zaaken, in een zo nette order geplaatst, dat dezelve byna gezegt kan worden, tot volmaaktheyd zyn gebragt.

Intussen had de auteur zijn eigen verdedigingsschrift uitgebracht: Species facti wegens het voorgevallene omtrent de geoctroyeerde Geldersche Kerk en Academie Boekzaal van Europa (1760)Hierin doet hij de hierboven vermelde gang van zaken tot in detail uit de doeken, waarbij hij ook de aanval opent op ‘het trouwloos bedryf van J.H. Moeleman’ (p. 6).
Op 20 mei 1760 reageerde de academische senaat van de Hogeschool van Harderwijk verontwaardigd in de Amsterdamse Courant. De auteur had namelijk in zijn Species facti gesuggereerd dat de Hogeschool bemoeienissen heeft gehad met de Geldersche Boekzaal. De senaat voelde zich daarom verplicht

aan het gemeen bekend te maken, dat zig met die Boekzaal niet verder immer heeft bemoeid, veel minder ooit een loffelyk getuigenisse aangaande die Boekzaal heeft geformeerd, dan een Quitantie te geven van wegens den ontfang der uitgegevene, en volgens het Octrooy haar toegezondene stukken.

Medewerkers
Het zou geschreven zijn door een ‘Gezelschap van Letterminnaars’, achter wie in ieder geval de broodschrijver Jan Willem CLAUS VAN LAAR (ca. 1697-1769) schuilgaat. Hij schrijft in Species facti dat hij ‘de Hoofd-Directie van de Societeit’ had (p. 3). Vermoedelijk behoorde ook Gisbert Timon van Paddenburg tot de sociëteit.

Inhoud
Omdat geen exemplaar bewaard is gebleven, is de inhoudsbeschrijving gebaseerd op wat Luzac in zijn Nederlandsche Letter-Courant van 7 augustus 1759 meldt over nr. 1. Het blad bestaat hoofdzakelijk, zo citeert hij uit het voorbericht, uit ‘Korte ontledende Uittrekzels van de voornaamste en Aanmerkelykste Werken der Geleerden, in alle Faculteiten en Talen van tyd tot tyd het licht ziende’.
Er zijn zes rubrieken: (1) Berichten der Geleerden en Aanmerkelyke zaken; (2) Afsterven en Lot-gevallen van beroemde Mannen; (3) Zaken, rakende de Academien, Academische Gymnasiums en Latynsche Schoolen; (4) Synodale en Classicale zaken; (5) Alphabetische Naamrol der Vacerende Nederduitsche, Fransche en Engelsche Kerken; (6) Lyst van de uitkomende Boeken, en voorstellingen der Boekverkopers.

Relatie tot andere periodieken
Luzac geeft in zijn Nederlandsche Letter-Courant van 10 augustus 1759 de inhoud van de Boekzaal weer. Hij is kritisch over de geleverde kwaliteit:

Zo pryswaerdig derhalven als de onderneeming van eene nieuwe Boekzaal zoude zyn, waarin men de ledige ruimte, die de Oude overlaat, zoude trachten te vervullen; zo laak- en wraakbaar is daar en tegen eene onderneeming, wier eersteling een doorslaande blyk is, dat men niet zo zeer den voortgang en ’t nut der Geleerdheid bedoelt, dan wel eene winst, die men zich voorstelt te kunnen doen, met eenen anderen te onderkruipen en te ontzetten van een bezit, waar toe de regtmaatige bezitter niet dan met groote kosten heeft kunnen komen.

Ook Onder den Linden is – om begrijpelijke redenen – kritisch over de Utrechtsche Boekzaal. Hij spreekt in het ‘Register der Maandelijke Uittreksels of Boekzaal der Geleerde Waereld, beginnende met July 1745 en eindigende met December 1759, ingeslooten’ over de ‘onbillijke Poogingen van eenen door Baatzucht gedreeven Onderkruiper’.

Exemplaren
Geen exemplaar gevonden.

Bronnen
¶ [Elie Luzac], De Nederlandsche Letter-Courant, deel 2, nr. 63 (7 augustus 1759), p. 85-88; nr. 64 (10 augustus), p. 92-95
¶ [Jan Willem Claus van Laar], Species facti wegens het voorgevallene omtrent de Geoctroyeerde Geldersche Kerk en Academie Boekzaal van Europa [1760].

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, ‘De volmaakte Hollandse broodschrijver Jan Willem Claus van Laar’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 24 (2001), p. 104-117
¶ Ton Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794 (Amsterdam 1998), p. 21 (nr. 66), 23 (nrs. 73 en 75)
¶ H. van Leeuwen, ‘De Boekzaal der Geleerde Wereld’, in: Noord en Zuid. Taalkundig Tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, vooral van hen die zich voor eenig examen voorbereiden 25 (1902), nr. 7 (1 juli 1902), p. 305-48, aldaar p. 324-327
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘Utrechtsche Kerk en Academie-Boekzaal’, in: De Navorscher 32 (1882), p. 178-180.

Rietje van Vliet