Utrechtsche Provinciale Staatscourier (1787, 1789)

Titelbeschrijving
Utrechtsche Provinciale Staatscourier.
Utrechtsche Provinciaale Staatscourier.
¶ Verkorte titel: Utrechtsche Staatscourier.

Periodiciteit
De Staatscourier noemt zichzelf een ‘Dagblad, het welk voor als nog maar tweemaal ’s weeks zal uitgegeven worden’. De frequentie moet later, getuige de vermelde data, zijn opgevoerd. Evers (1932) meldt over de frequentie dat het begrip ‘Dagblad’ impliceert dat de Staatscourier ‘onafgebroken het dagelijks voorvallende’ wilde melden (p. 12).
Het eerste ‘Stuk’ bestrijkt de nrs. 1-76, het ‘Vervolg van het Eerste stuk’ de nrs. 77-132 en het Tweede stuk de nrs. 1-55. De datering van deze drie stukken is complex. Het is zeer waarschijnlijk dat de nrs. 1-76 van het Eerste stuk direct werden vervolgd door de nrs. 1-55 van het Tweede stuk. De nrs. 77-132 van het Vervolg van het Eerste Stuk lieten nog een tijdje op zich wachten. Deze conclusie kan worden getrokken naar aanleiding van de volgende mededeling in nr. 1 van het Tweede stuk:

Wij zullen, als nu ons eerste No. Van het II. St. beginnen met het geen thans voorvalt, om onafgebroken het dagelyks voorvallende te kunnen melden, terwyl wy van tyd tot tyd, de Nos. Behorende tot ons Eerste Stuk, zullen uitgeeven, ’t welk bevatten zal, alle de brieven Resolutien &c. welke met betrekking tot de thans heerschende geschillen, zedert de verlegging, der Staatsvergadering van Utrecht naar Amersfoort, door de Heeren Staaten van Utrecht zyn geschreeven, genomen &c. met alle de stukken daar toe relatie hebbende. (p. 1)

Het verklaart waarom op 21 juli 1789 de 76 nrs. van het Eerste stuk in de Amsterdamse Courant van 21 juli 1789 aangeboden konden worden, terwijl het nog wachten was op het Vervolg van het Eerste stuk.
Vermoedelijk zijn de nrs. 1-76 van het Eerste stuk gedrukt in 1787, en het Tweede stuk van 9 juni 1787 t/m 27 november 1787; het Vervolg van het Eerste stuk is in 1789 uitgekomen. Het Eerste stuk bevat namelijk documenten tot eind 1786, terwijl de eerste zin van het Vervolg duidelijk aangeeft dat het weliswaar stukken uit 1787 bevat, maar dat het Vervolg ná de verwarrende tijden van 1787 is geproduceerd. In 1789 zijn de nrs. 77-132 van het eerste stuk gedrukt.
De reden van dit curieuze oponthoud moet gezocht worden in de voor orangisten steeds moeilijker wordende situatie, zomer 1787. Op 21 juli 1787 werden pakketten met exemplaren van de Staatscourier, bestemd voor diverse Hollandse steden, buiten de stadsmuren van Woerden in beslag genomen door het Amsterdamse Defensiewezen.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen van het Tweede stuk tellen doorgaans 4 doorgenummerde pagina’s in groot kwarto. Afwijkend is bijvoorbeeld nr. 18 van dit Tweede stuk, dat uit 4 pagina’s bestaat, plus 4 pagina’s met als eerste regel ‘(vervolg van No. 18)’.
Opmaak in 2 kolommen (behalve p. 1 van nr. 1). In het titelblok staan de titel, volgnummer en jaartal. Alleen nr. 1 bevat de verkorte titel en de volledige datum.

Het nieuwsblad bevat geen advertenties, een enkele personeelsadvertentie van de drukker uitgezonderd.
Het Eerste stuk heeft dezelfde tweekoloms opmaak. De afzonderlijke 132 nrs. (521 p., met abusievelijk tweemaal p. 517-520) zijn alleen als zodanig te herkennen aan de voettekst.

Boekhistorische gegevens
Vermoedelijk zijn alle nrs. van het Eerste stuk, en in ieder geval de nrs. 1-40 (t/m 15 september 1787) van het Tweede stuk in Amersfoort gedrukt: ‘In Amersfoort gedrukt en uitgegeven door Johannes Altheer’. De nrs. 41-55 van dit Tweede stuk en de nrs. 77-132 van het Vervolg van het Eerste stuk zijn in Utrecht gedrukt.
Johannes Altheer was net als zijn oom, de Utrechtse boekverkoper Bartolomeus Wild, afkomstig uit St Gallen (Zwitserland). Hij was sinds oktober 1782 ingeschreven als burger van de stad Utrecht. In het voorjaar van 1787 werd hij door de Gedeputeerde Staten benoemd tot adjunct-drukker bij Statendrukker Willem Jan Reers.
De Staten van Utrecht hadden in augustus 1786 hun zetel verplaatst van de patriotsgezinde stad Utrecht naar het stadhoudersgezinde Amersfoort. Toen de vroedschap alle hulp aan verdrongen bestuurscolleges verbood, was het de Staten niet meer mogelijk eigen drukwerk in de stad Utrecht te laten vervaardigen. Op advies van Altheer werd daarom onder zijn leiding in Amersfoort een filiaal van de Statendrukkerij geopend. In nr. 2 van het Eerste stuk worden twee letterzetters en twee drukkers gevraagd, ‘op zeer goeden Loon en vast werk’.
Verkoopadressen waren volgens nr. 1 (9 juni 1787):

Amsterdam, by Elwe, Nymegen, by A. van Goor, Zutphen, by v. Hoorn, Arnhem, by J. Nyhoff, Dordt, by van Braam, Haarlem, by van der Aa, Leiden, by Herdingh, Rotterdam, by Bennet, Delft, by J. de Groot, Ter Gouw, by Verblauw, Gorkum, by Goetzee, Alkmaar by van der Hand, Schiedam, by Poolman, Brielle, by Verhell, ’s Hage, by Wynants, Middelburg, by Gillissen en Zoon, Vlissingen, by Corbelyn, Zierikzee, by de Kanter en Zoon, Tergoes, by Huisman, Leeuwaarden, by Cahais, Franeker, by D. Romar, Harlingen, by v.d. Plaats, Deventer, by Leemhorst, Zwoll, by Clement, Campen, by de Erve Valkenier, Groningen, by L. Huizingh, Utrecht, by J. Visch, ’s Bosch, by Palier, Breda, by Oukoop.

Prijs per aflevering: 1 stuiver.
In de Amsterdamse Courant van 21 juli 1789 adverteren Bartolomeus Wild en Johannes Wild voor de nrs. 1-76 van het Eerste stuk, voor ƒ 3:16; de resterende nrs. van het eerste stuk zullen spoedig volgen.
Nr. 1 geeft tevens informatie over de advertentietarieven: 3 stuivers per regel; bij herplaatsing 2 stuivers per regel, en daarna telkens 1 stuiver per regel. Het aantal plaatsingen moet vooraf worden gemeld en de brieven dienen franco te worden verstuurd.

Medewerkers
Sautijn Kluit (1870) suggereert dat Pierre Auguste Brahain Ducange (±1750-1833) medewerker was van de Utrechtsche Provinciale Staatscourier, of in ieder geval de intentie had eraan mee te werken. Zijn patriotse gezindheid, gecombineerd met liederlijk gedrag en een hoge mate van onbetrouwbaarheid, maken dit echter onwaarschijnlijk. In september 1787 vluchtte hij naar Frankrijk.

Inhoud
Met dit orangistische nieuwsblad is begonnen, zo meldt de courantier in het openingsnummer, omdat ‘de meesten der tegenswoordige dagschriften, niet anders zyn, dan de werktuigen van zodanige partyschappen, welke in ons Vaderland woelen’. Er zal alleen verslag worden gedaan van buiten- en binnenlandse gebeurtenissen ‘voor zo verre die echt zyn, en tot ons Land betrekking hebben’. Verder zal de lezer lasterlijke insinuaties er niet in tegenkomen. Ingezonden berichten worden geplaatst, mits ze ‘authentike tydingen behelzen’.
Uit dit nr. 1 en uit genoemde advertentie uit 1789 blijkt dat de opzet – 2 stukken, waarbij het eigenlijke nieuwsblad het tweede stuk is – al op voorhand duidelijk is geweest. Over het eerste stuk staat in die advertentie het volgende:

Verzameling van alle Resolutien, Brieven, Stukken en andere Echte Documenten, de Ed.Gr. Mog. Heeren Staaten, de Regeering der Stad Utrecht, de onderscheide Burger-Collegien in die Stad &c. specteerende, dewelke naar tyds order op een volgende en door bescheide Aanmerkingen aan een geschakeld, zo veel mogelyk een compleet Receuil der Stukken van die tyd (waaronder veelen die nimmer uitgegeeven zyn) gevonden worden; en een waaragtig Verhaal van ’t gebeurde binnen die van dit Eerste Stuk […] welke behelzen het Tydvak van den 3 July 1786 tot den 1 January 1787. – Zullende het Vervolg ’t welk het gebeurde van voorsz. 1 Jan. tot October 1787 zal bevatten, zo dra doenlyk volgen, waartoe de Stukken in de Nos. te Amersfoort in 1787 gedrukt, als Bylagen zullen dienen, van welke laatsten nog eenigen weinige compleet en nog afzonderlyke Nos. by bovengem. [Wild en Altheer] te bekomen zyn.

Exemplaren
STCN 175106908
¶ Full text eerste stuk, nrs. 1-76eerste stuk, nrs. 77-132; en tweede stuk, nrs. 1-55

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794 (Amsterdam 1998), p. 50 (nr. 162)
¶ G.A. Evers, ‘Gegevens betreffende Utrechtsche staten-, stads- en akademie-drukkers’, in: Het Grafisch Museum. Orgaan van de Vereeniging Museum voor de Grafische Vakken, gevestigd te Utrecht 2 (1932), nr. 1 (februari), p. 11-18, aldaar p. 12
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘De Fransche Leidsche courant’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1870, p. 3-183, 150.

Rietje van Vliet
update 23-9-2020 m.m.v. Jac Fuchs