Vaderlandsche Byzonderheden (1785-1787, 1788)

Titelbeschrijving
Vaderlandsche Byzonderheden.

Periodiciteit
Voor deel 1, nr. 2 (hierna: nr. I-2) van dit maandags weekblad wordt geadverteerd in de Rotterdamse Courant van 11 januari 1785. Vanaf nr. I-37 wordt de frequentie opgevoerd naar tweemaal per week, op maandag en donderdag. Het is onbekend wanneer de frequentiewijziging wordt teruggedraaid. De afleveringen zijn in drie jaardelen gebundeld, met 52 nrs., 52 nrs. en 30 nrs.

In de Oprechte Haerlemsche Courant van 7 juni 1785 meldt de uitgever dat het blad ‘om bekende reden eenigen tyd heeft stil gestaan’, maar dat nr. I-12 nu wordt uitgegeven. Het uitblijven van de Vaderlandsche Byzonderheden had te maken met de inhechtenisneming van de uitgever in Amsterdam, op 15 maart 1785, wegens zijn orangistische blaadjes.
Indien de afleveringen van deel 3 zonder oponthoud waren verschenen, zou het laatste nummer (nr. III-30) in de week van 23 juli 1787 van de pers zijn gekomen. Dat was echter niet het geval. In die maand waren de Pruisische troepen reeds samengetrokken in het hertogdom Kleef, bij Nijmegen, maar de inval liet nog op zich wachten tot na de zomer. De situatie werd er voor orangisten niet beter op, vooral niet voor de alom gehate uitgever.
De Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken over mei 1787 doen verslag van de pesterijen aan zijn adres. Hij ‘vondt [het] raadzaam zig zoek te maken’. In de orangistische Geldersche Historische Courant van 15 mei 1787 verzocht hij de lezers ‘deszelfs oordeel opteschorten ten tyd en wylen nadere opening van het gebeurde ten zynen opzichte worde gegeeven’. Intussen werd zijn huis geplunderd, zo vervolgen de Jaarboeken hun verslag: ‘de boeken en papieren [werden] verscheurd, de bedden opengesneden, en vervolgens in ’t water gesmeten’.
Dit verklaart waarom de einddatum van de Vaderlandsche Byzonderheden pas in 1788 gezocht moet worden. In de Delfsche Courant van 26 juli 1788 wordt nr. III-30 te koop aangeboden en in de ’s Gravenhaegsche Courant van 30 juli 1788 de 3 delen compleet. Bovendien verschijnt er nog een reactie op nr. III-30, aldus de Oprechte Haerlemsche Courant van 2 september 1788. Daarin wordt een uitgave van de Amsterdamse boekverkoper J.H. Trop aangekondigd:

Aanmerkenswaardige BRIEF over de VADERLANDSCHE BYZONDERHEDEN, No. 30. Behelzende in zig wetenswaardige zaaken, betreffende ’t afgeloopen Jaar 1787, onder andere iets van de Heeren Nobbe, v.d. Hoop en J. de Wit, nevens anderen merkwaardige Persoonen die een Rol in dat Jaar gespeeld hebben […].

Bibliografische beschrijving
In octavo.
De afleveringen hebben een titelblok met daarin de titel en het volgnummer. Datering ontbreekt. Af en toe zijn er dubbele, vervolg- en extra nummers. Hierdoor varieert het aantal pagina’s per jaargang.
Deel 1 is voorzien van een titelplaat (Le Francq van Berkhey inv. en J.G. Visser del. et sculp.), gevolgd door een dichterlijke uitleg van de ‘zinneprent’ door Berkhey.

Boekhistorische gegevens
Uitgever: Hendrik Arends, boekverkoper te Amsterdam. Vanaf nr. II-19, luidt de colofon: ‘Te Amsterdam, by Hendrik Arends, thans woonende, met Mey, op het Cingel op ’t Kleerenveer’. Hij was er nog maar een jaar gevestigd of – zoals we hierboven hebben gezien – huis en winkel werden tijdens de Bijltjesoproer in mei 1787 kort en klein geslagen. Meer over Arends is te lezen in het lemma over de Na-Courant.
In Leiden zorgde boekbinder Perk voor de verkoop in herbergen en bij stadspoorten. Hij werd voor de Leidse schout en schepenen geroepen en verhoord omdat de Vaderlandsche Byzonderheden opruiende teksten zouden bevatten over de orangistische Leidse bakker Trago die gevangen zat, en over zijn gratieverzoek.
Prijs per aflevering: 1½ stuiver; dikkere afleveringen kostten 2 tot 4 stuivers. De 3 delen compleet moesten 7 gulden opbrengen, aldus de ’s Gravenhaegsche Courant van 30 juli 1788. De titelplaat en Berkheys uitleg zijn gratis voor mensen die op het blad hebben ingetekend (nr. II-15).

Medewerkers
Het blad is geschreven door diverse auteurs (‘correspondenten’), getuige ook de sterk wisselende stijl, diepgang en kwaliteit van de bijdragen. De hoofd- en eindredactie was in handen van de Leidse lector natuurlijke historie Johannes LE FRANCQ VAN BERKHEY (1729-1812), vurig aanhanger van Oranje. Mogelijk is hij het steeds die als ‘de Uytgever’ reageert op de ingezonden stukken. Welke inhoudelijke bijdragen van zijn hand zijn, is onbekend.
Eén van de contribuanten was Jan Willem KUMPEL (1757-1826), schrijver van het tijdschrift De Philarche of Vorsten-Vriend (1785). Hij schreef in nr. I-23 een ‘Brief van de Philarche aan de schryvers der Vaderlandsche Byzonderheden’. Uit Berkheys eigen notities bij zijn exemplaar van de Vaderlandsche Byzonderheden weten we dat Kumpel meer stukken heeft ingestuurd.
Zo weten we ook dat William Pieter TURNBULL DE MIKKER (1758-1819), die met zijn compaan Van Tertoolen in 1786 de ’s Gravenzandse Courant zou oprichten, tot de contribuanten behoorde (mogelijk schuilgaand achter de letters Q.N.).
Wel ondertekend zijn de korte berichten van ‘den uitgeever deezes’, Hendrik ARENDS. In nr. I-11 schrijft hij over het relletje voor zijn deur, dat veroorzaakt zou zijn ‘door het uithangen van de Oranje couleur’. Het waren portretten van de stadhouder, gedrukt op gekleurd papier, zo klinkt het verweer van Arends. Een paar heethoofdige en verblinde ‘Patriotjes’ zagen ze ten onrechte aan voor oranje papier. Ook in nr. I-12 neemt Arends de pen ter hand, deze keer om uit te leggen waarom het blad enige tijd op zich heeft laten wachten (reactie in nr. I-13). Ook elders plaatst hij namens zichzelf berichtjes.
Wie de heer uit Gelderland is, die betrekkelijk veel brieven instuurde, is niet bekend.

Inhoud
‘Waarde Medeburgers van myn ongelukkig Vaderland’, aldus de woorden waarmee Berkhey zijn Vaderlandsche Byzonderheden opent. Van elke bladzijde spatten de orangistische denkbeelden af. Er wordt gereageerd op patriotse kranten en tijdschriften, en men noemt met enthousiasme diverse orangistische uitgaven. Zeker in het begin deinzen Berkhey c.s. er niet voor terug man en paard te noemen.
In een ingezonden brief wordt het tijdschrift de ‘schrik der Logenkaaijers’. Berkheys doel is, aldus nr. II-1,

om de WAARHEID te verdedigen, tegen den onbeschaamden aanval van Laster en Leugen, en om onze GEVESTIGDE CONSTITUTIE vast te houden, door den LANDGENOOT geduurig te waarschouwen, voor de verkeerde Leeringen der Nieuwigheden van deezen tyd.

De talrijke brieven, dichtstukjes – bijvoorbeeld ‘Voor dominé Bosch, een zoon der Eigenbaat’ (nr. I-9) – fabels (nr. I-12), samenspraakjes (nr. I-22, 23) en vertogen van algemene strekking geven het blad een spectatoriaal karakter. Sommige bijdragen zijn zeer doorwrocht. Een enkele bijdrage is geschreven in grappig bedoelde boerse taal. Uitgever Arends plaatst er soms ook advertenties in voor eigen fonds- en assortimentsuitgaven.
Soms weigert Berkhey de ingezonden brieven te plaatsen ‘om dat ze te sterke particulariteiten bevatten’ (nr. I-6). Toch houdt hij zelf zich niet strikt aan deze regel. Zeker in de eerste afleveringen moeten François Bernard, schrijver van De Batavier, en zijn uitgever Frans de Does het ontgelden. Thymen Paddenburg en Pieter ’t Hoen worden ‘meesters logenaars’ genoemd. Wybo Fynje is een ‘Meester snoeshaan’ die de regenten in het aangezicht spuwt (nr. II-28). Uitroeptekens volgen elkaar in rap tempo op en benadrukken de gedrevenheid van de schrijver in kwestie.
Na verloop van tijd worden vaker wat algemenere thema’s aangesneden. In nr. I-7 staat een ‘publicatie, door het Eminent Hoofd onzer Republiek, uitgevaardigd’ (januari 1785), op verzoek van diens persoonlijk secretaris De Larrey geplaatst in de Vaderlandsche Byzonderheden. Ook met andere officiële stukken worden afleveringen gevuld. De Loevesteinse factie, de geuzennaam voor de staatsgezinden in de jaren ’40, komt meer dan eens ter sprake. De ‘Regels voor de waare stadhouders gezinden’ laten zich lezen als een catechismus voor het orangisme (nr. I-13).
Een relatief groot aantal bijdragen heeft betrekking op de stad en/of provincie Utrecht, bijvoorbeeld zoals het ‘Historisch verhaal der wedervereeniging van de provincie Utrecht, met het bondgenootschap, in ’t jaar 1674’ (nr. I-26). Sommige afleveringen zijn specials, zoals het dubbelnr. I-19, dat handelt over ‘de Utrechtsche zaken’, met onder meer brieven over het Utrechtse en een passage uit de vroedschapsnotulen van 26 mei 1785. De nrs. I-20 en I-21 zijn een vervolg daarop.
Er wordt uitvoerig stilgestaan op de Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen, waarvan het eerste deel in 1784 was verschenen (nrs. I-47, 48; nr. II-9, 17, 19aanhangsel). Relevant in dit verband is het extract uit een resolutie van de Staten van Holland en West-Vriesland d.d. 16 november 1747 over het erfstadhouderschap van Oranje (nr. II-12).
Pagina’s lang wordt ingegaan op de kwestie van de gevangen prinsgezinde hofkapper Mourand (nrs. II-13, 19+aanhangsel). Deze had op 17 maart 1786 in Den Haag een machtsovername van twee Dordtse statenleden verijdeld door hun koets bij de Stadhouderspoort tegen te houden. Zijn actie werd gezien als een aanslag op de Staat, waarna de Staten van Holland besloten hem zonder proces ter dood te brengen.
Voorbeelden van andere onderwerpen: Iets voor Nymegen(nr. II-20), vrijkorpsen en muitzucht, courantiers, ooggetuigenverslag van Willem V in Nijmegen en Grave (nr. II-27), Hattem en Elburg (nr. II-38). Een vrolijk bericht is dat over de ‘heugchelyke receptie van zyne Doorluchtige Hoogheid, den Heer Prins Erfstadhouder, in het Vlek Jouwe, in Vriesland’ (nr. I-38).

Relatie tot andere periodieken
Opvolger van de Na-Courant (1783-1784), eveneens onder redactie van Berkhey en uitgegeven door Arends.
Er zijn stukken overgenomen uit de Courrier du Bas-Rhin (nrs. I-34, 36-41) en de Courier de l’Escaut, een krant die in Bergen op Zoom werd gedrukt (nr. II-9). Er wordt veel kritiek geleverd op de Post van den Neder-Rhyn (nr. II-21, 22, 28). De Courier van Europa, de Politieke Kruyer, de Politieke Praatvaar en de Politieke Nalezer krijgen het er evenzeer van langs. Ook patriotse kranten moeten het ontgelden.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 1149 A 14-15 (deel 1 en 2)
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 559 E 76 (deel 1, nrs. 1-43, 45-52; deel 2; deel 3, nrs. 1-30)
¶ Full text deel 1, deel 2 en deel 3
¶ Leiden, Erfgoed Leiden en Omstreken: collectie Berkheij, band 8 (nrs. 6 en 13 over Trago), band 13-2 (nr. 3), band 22-7 (nrs. 2, 4 en 5), band 22-9 (nr. 24), band 23 (nrs. 5, 28), band 46 (nr. 17), band 62 (nrs. 9, 20)

Bronnen
Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken deel 22-2 (1787), p. 1020-1022, 1070 (mei); p. 1317 (juni)

Literatuur
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘De Na-Courant en de Vaderlandsche Byzonderheden, in Nederlandsche Spectator 1873, nr. 37 (13 september 1873), p. 292-295.

Rietje van Vliet