Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1761-1876)

Titelbeschrijving
Vaderlandsche Letter-Oefeningen, behelzende oordeelkundige berigten van de werken der beste schryveren, nauwkeurige gedagten over verscheidene onderwerpen; benevens vrymoedige aanmerkingen over Nederduitsche werken en schriften, die dagelyks in ons vaderland uitkomen (1761-1762).
Gedurende zijn verschijningsperiode veranderde het tijdschrift diverse keren van naam:
¶ Vaderlandsche Letter-Oefeningen, waar in de boeken en schriften, die dagelyks in ons vaderland en elders uitkomen, oordeelkundig tevens en vrymoedig verhandeld worden. Benevens mengelwerk, tot fraaije letteren, konsten en weetenschappen betrekkelyk (1763-1767)
¶ Daarna met gelijkblijvende ondertitel Nieuwe Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1768-1771)
¶ Idem: Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1772-1778)
¶ Idem: Algemeene Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1779-1785)
¶ Idem: Nieuwe Algemeene Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1786-1790)
¶ Idem: Algemeene Vaderlandsche Letter-oefeningen (1791-1811).
¶ Vervolgens veranderde de titel ingrijpend: Tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen van het Departement der Zuiderzee (1812-1813)
¶ Idem: Vaderlandsche Letter-Oefeningen, of Tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen, waarin de boeken en schriften, die dagelijks in ons vaderland en elders uitkomen, oordeelkundig tevens en vrijmoedig verhandeld worden. Benevens mengelwerk, tot fraaije letteren, kunsten en wetenschappen, betrekkelijk (1814-1816)
¶ Idem, met minimale spellingswijzigingen: Vaderlandsche Letteroefeningen, of Tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen (1817-1864)
¶ Om ten slotte te eindigen als: Vaderlandsche Letter-Oefeningen voor [jaartal] (1865-1876).

Periodiciteit
Maandelijks tijdschrift voor kritiek dat tussen 1761 en 1876 werd uitgegeven. Gedurende de annexatiejaren (1810-1813) kreeg het Nederlandse tijdschriftwezen te maken met censuurmaatregelen van de Fransen. Om verhulde politieke boodschappen te voorkomen, besloot het bewind om het totaal aantal tijdschriften drastisch in te perken.
De Vaderlandsche Letter-Oefeningen was één van de weinige bladen die – bij Keizerlijk Besluit van 26 september 1811 – mocht blijven bestaan, zij het onder een andere naam: Tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen van het Departement der Zuiderzee. Het blad fuseerde bij die gelegenheid met het tijdschrift Hedendaagsche Vaderlandsche Bibliotheek van Wetenschap, Kunst en Smaak. Gedurende de annexatiejaren mochten de redacteuren zich vanzelfsprekend niet kritisch over het Franse bewind uitlaten (zie ook advertentie in de Affiches, Annonces et Avis Divers d’Amsterdam van 11 december 1811).

Bibliografische beschrijving
Het blad, in octavo, telt circa 90 pagina’s per aflevering. Iedere aflevering bestond voor de helft uit recensies en voor de andere helft uit ‘Mengelwerk’: een bonte verzameling van (al dan niet vertaalde) opiniërende en informatieve stukken, verhandelingen, verhaaltjes, gedichten en anekdoten, betreffende de fraaie kunsten, letteren en wetenschappen.
De twee rubrieken werden maandelijks als aparte katernen verspreid. De pagina’s van beide delen waren afzonderlijk genummerd. Aan het einde van elke jaargang werden de afleveringen van beide rubrieken als twee boekwerken ingebonden: één band met recensies en één met mengelwerk. De titelpagina van beide banden is vrijwel identiek. De eerste band van elke jaargang wordt besloten met een ‘Register der boekbeschouwing’, waarin de besproken werken en auteurs alfabetisch zijn gerangschikt. De tweede band bevat steevast een ‘Inhoud van het mengelwerk’.

Boekhistorische gegevens
De Vaderlandsche Letter-Oefeningen was een Amsterdams tijdschrift. Pas vanaf 1860 werd het elders uitgegeven.
Het verscheen tussen 1761 en 1762 bij A. van der Kroe. Daarna, tussen 1763 en 1784, werd het uitgegeven bij A. van der Kroe en Yntema en Tieboel. Vanaf 1785 tot 1797 traden alleen nog A. van der Kroe en J. Yntema op als uitgevers.  In 1798 veranderde het impressum in: ‘Te Amsterdam, by A. van der Kroe, en by J. Yntema en zoon’. In 1799 en 1800: ‘Te Amsterdam, by A. van der Kroe, en by de Wed. J. Yntema en zoon’.
In 1801: ‘Te Amsterdam, by A. van der Kroe, en by J.W. Yntema en Comp.’ Tussen 1802 en 1803 werd het impressum gewijzigd in: ‘Te Amsterdam, by A. v.d. Kroe en G.S. Leeneman v.d. Kroe, en by. W. Yntema en Comp’. Vanaf 1804 luidde het: ‘Te Amsterdam, bij G.S. Leeneman van der Kroe, en bij J.W. Yntema en Comp’.
Gedurende de annexatiejaren 1812-1813 verscheen het blad ‘Te Amsterdam, bij M. de Bruyn, en G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. Yntema’. M. de Bruyn was de uitgever van de Hedendaagsche Vaderlandsche Bibliotheek van Wetenschap, Kunst en Smaak. Op de titelpagina werd vermeld dat het blad gedrukt werd ‘Ter Drukkerije van J. Ruys, op den Nieuwendijk, bij het Plein Napoleon, N° 255, te Amsterdam’.
Tussen 1814 en 1848 werd het uitgegeven door G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. Yntema. Daarna werd het overgenomen door de Wed. R. Stemvers, daarna door J. Stemvers en ten slotte, tussen 1854 en 1859 door P. Ellerman. Vanaf 1860 werd het blad buiten Amsterdam uitgegeven.

In het voorbericht van jaargang 1768 schreef men: ‘deeze LETTER-OEFENINGEN beslaan reeds zeven Deelen, of veertien Banden, en dus loopen de kosten van ’t zelve, op een prys van ƒ 35-10’. In de Leydse Courant van 5 juli 1769 wordt vermeld dat de prijs van het nr. 5 van het derde deel van de Nieuwe Vaderlandsche Letter-Oefeningen 8 stuivers bedraagt. Ook Saakes biedt informatie. Vijftien of zestien nummers van een jaargang kostten 6, later 8 gulden.

Tegen het einde van de achttiende eeuw vond een belangrijke verschuiving plaats in het tijdschriftwezen. Vanaf de jaren negentig werd steeds meer gedacht in jaargangen, in plaats van reeksen en boekdelen, waardoor de naam van het blad niet om de paar jaar hoefde te worden veranderd.
Daarmee hing samen dat het systeem van intekenaren werd vervangen door een systeem van abonnees. Dat verklaart waarom de Vaderlandsche Letter-Oefeningen na een aantal jaren weer van naam moest veranderen. Intekenaren dienden namelijk in de gelegenheid te worden gesteld om tussentijds in- of uit te stappen, met andere woorden: om een reeks te kunnen beginnen of voltooien. In het voorbericht van jaargang 1768 schreef de redactie dat sommige lezers de uitgever hadden gevraagd

of men niet zou konnen goedvinden, om dit Werkje eenigzins te sluiten, en ’t dus in zekeren zin, in zo verre, compleet te maaken, dat men het volgende eenigermaate als een nieuw Geschrift konde aanzien.

Medewerkers
Het tijdschrift werd opgericht door de doopsgezinde predikant Cornelis LOOSJES (1723-1792) en zijn halfbroer Petrus LOOSJES (1735-1813), eveneens doopsgezind predikant. Cornelis verzorgde voornamelijk de boekbeschouwingen, terwijl Petrus zich vooral op het mengelwerk richtte.
Daarnaast schreven ook anderen recensies en stukken voor het mengelwerk. In de voorberichten wordt regelmatig gesproken over de ‘Heeren Correspondenten’. Een medewerker aan het blad was de geschiedschrijver Jan WAGENAAR (1709-1773). In het voorbericht van 1779 wordt nog de op dat moment reeds overleden Dr. Joannes GRASHUIS (1699-1772) genoemd. De meeste recensies verschenen anoniem; de redacteuren zijn daardoor moeilijk te achterhalen. Soms werden boekbeoordelingen ondertekend met initialen.
De stukken in het mengelwerk werden meestal wel met vermelding van de auteursnaam gepubliceerd. Lezers werden opgeroepen om bijdragen daarvoor in te sturen. Het voorbericht van 1812 hierover:

Elke oorspronkelijke en in der daad belangrijke bijdrage, vrachtvrij ingezonden, elke gewigtige ontdekking of nuttige uitvinding, elk gewrocht van oordeel, vernuft of smaak, met één woord, al wat tot Kunst of Wetenschap betrekking heeft, zal ons welkom zijn, en, zoo veel het bestek toelaat, spoedige plaatsing erlangen.

In de praktijk werden evenwel vooral veel vertaalde stukken opgenomen, bijvoorbeeld van buitenlandse geleerden en hoogleraren, zoals James BEATTIE (1735-1803), hoogleraar in de morele filosofie en logica aan de universiteit van Aberdeen. Toch publiceerde ook iemand als Willem BILDERDIJK(1756-1831) sporadisch wel stukken in het mengelwerk.
Vanaf 1812 werd de redactie van de Vaderlandsche Letter-Oefeningen verzorgd door de Amsterdamse boekhandelaar annex uitgever Jacob Wybrand YNTEMA (1779-1858). Niet alleen was hij zelf recensent, ook publiceerde hij in het mengelwerk tal van verzen, puntdichten en (luimige) stukjes.

Inhoud
De Vaderlandsche Letter-Oefeningen was het meest gezichtbepalende en invloedrijke tijdschrift van de tweede helft van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Het kan worden gekarakteriseerd als een algemeen cultureel tijdschrift, waarin een balans werd gezocht tussen informatie, amusement en opinie. In het voorbericht van de eerste jaargang legde de redactie haar doelstelling uit. Men wilde de inhoud van al dan niet recent verschenen nuttige werken bespreken, uit binnen en buitenland. Bovendien hoopte men ‘vrymoedige aanmerkingen’ te kunnen maken.
Meestal werd vooral de inhoud van de besproken werken naverteld, waarbij uitvoerig geciteerd werd, en bestond er slechts weinig ruimte voor literaire kritiek in de huidige zin van het woord. In de praktijk was het tijdschrift vooral gericht op de vaderlandse letterkunde. Internationale literatuur kwam slechts incidenteel aan de orde. Alleen gedurende de Franse annexatiejaren was er bijzondere aandacht voor de Franse letterkunde.
Boven alles werd gestreefd naar neutraliteit en objectiviteit. Boekbesprekingen werden daarom altijd anoniem gepubliceerd en schrijvers werden nooit op principiële gronden beoordeeld. Het tijdschrift liet zich niet door een specifieke partij-ideologie leiden. De politieke actualiteit speelde in het blad dan ook vrijwel geen rol. In het blad werd gezocht naar een redelijke middenpositie, op basis van verdraagzaamheid.
Personaliteiten en polemieken werden zoveel mogelijk vermeden. Zo schreef men naar aanleiding van Johannes le Francq van Berkheys Natuurlyke historie van Holland: ‘Het lust ons niet, onze Letteroefeningen eenigzins tot een Twistschrift te maaken; ’t geen veelligt het geval zou kunnen worden, indien wij den ligtgeraakten Man het een en ander voorhielden’ (1806/1, p. 116).
Wel propagandeerde het tijdschrift Verlichtingsidealen. De redacteuren zagen het als hun taak om de culturele, religieuze en maatschappelijke ontwikkeling van de lezers te bevorderen.

Omdat de redactie naar objectiviteit streefde, bood het blad geen podium voor nieuwe literatuuropvattingen. In het periodiek werden niet alleen letterkundige werken besproken, maar ook medische, (natuur)historische, politieke, taalkundige en vooral veel theologische geschriften, waaronder veel leerredenen en zedelijke werkjes. Deze kregen vaak een positieve bespreking, omdat ze aan het klassieke horatiaanse ‘utile dulci-ideaal’ voldeden. Werken werden steevast getoetst aan de hoofdregel van vermaken en stichten. Het zedelijkheids- en nuttigheidsaspect werd nooit uit het oog verloren.
Dat het tijdschrift in politiek opzicht geen stelling nam, wil niet zeggen dat de politiek geen rol speelde. Gedurende de Bataafse tijd (1795-1806) werden in het blad de Bataafse eenheidsidealen en het proces van culturele natievorming gestimuleerd, door recente politieke publicaties positief te bespreken. Nadat de Fransen hun greep op Nederland vergrootten, verdween de Bataafse euforie als sneeuw voor de zon. In het tijdschrift ging men toen nationale aspecten benadrukken.
Na de omwenteling van 1813 en de komst van Willem I op de troon ging het tijdschrift een natiebevorderende en verzoenende functie vervullen. Onrust veroorzakende werken, zoals die van Bilderdijk en Da Costa, werden bekritiseerd. De ogenschijnlijk neutrale Vaderlandsche Letter-Oefeningen speelden dus een rol in de maatschappelijke en politieke hervormingsprocessen.

Het tijdschrift was niet gericht op één specifieke groep. Het was bedoeld voor een algemeen, zo breed mogelijk lezerspubliek. De redactie had zeker geen vakspecialistische of beroepsmatige lezer op het oog. Dat komt tot uiting in de brede verscheidenheid van inhoudelijke thema’s, die ook in het mengelwerk terugkeren, zoals religie, geschiedenis, politiek, letterkunde, didactiek, filosofie, natuurwetenschap, reisbeschrijvingen, etc.

Relatie met andere periodieken
Een voorganger was de Nederlandsche Letter-Courant, die tussen 1759 en 1763 door Elie Luzac te Leiden werd uitgegeven. Het blad werd verdrongen door de Vaderlandsche Letter-Oefeningen.
In de tweede helft van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw bestonden daarnaast bladen die een vergelijkbare doelstelling hadden, zoals de Maendelyke Uittreksels, of de Boekzael der Geleerde Werrelt (1715-1811), dat vooral door predikanten werd gelezen, en het Letterkundig Magazijn van Wetenschap, Kunst en Smaak (1814-1835). Ook deze werken bevatten een afdeling boekbeoordelingen en een afdeling mengelwerk.
Hoe rotsvast en gezaghebbend de positie was die de Vaderlandsche Letter-Oefeningen innam in het literaire leven blijkt uit de felheid waarmee het tijdschrift door andere bladen werd bekritiseerd. Eind jaren twintig van de negentiende eeuw verschenen enkele kortlopende bladen als Apollo, Tijdschrift voor den Beschaafden Stand (1827-1828) en Argus (1828-1829), waarin het tijdschrift en met name Jacob Wybrand Yntema fel werden aangevallen.
In de tweede helft van de negentiende eeuw ondervond de Vaderlandsche Letter-Oefeningen steeds meer concurrentie van De Gids, die vanaf 1837 door Potgieter werd uitgegeven en zich expliciet tegen het blad afzette, getuige de provocerende ondertitel: Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: V 309
¶ Full text 1761-11761-21762-11762-21763-11763-21764-11764-2, 1765-11765-21766-11766-21767-11767-21768-11768-21769-11769-21770-11770-21770-11770-21771-11771-21772-11772-21773-11773-21774-11774-21775-11775-21776-11776-21777-11777-21778-11778-21779-11779-21780-11780-21781-11781-21782-11782-21783-11783-21784-11784-21785-11785-21786-11786-21787-11787-21788-11788-21789-11789-21790-11790-21791-11791-21792-11792-21793-11793-21794-11794-21795-11795-21796-11796-21797-11797-21798-11798-21799-11799-21800-11800-2
¶ Full text via DBNL (vanaf 1776)
¶ Full text via Overzicht digitale Vaderlandsche Letteroefeningen 1761-1876

Literatuur
¶ K. van Dalen-Oskan en S. van Dijk, ‘De Vaderlandsche Letteroefeningen online! Nieuw onderzoeksperspectief: de contemporaine receptie van vergeten schrijfsters’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 29 (2006), p. 3-18
¶ E. Hagen, ‘Het gewone getjank. Antipapisme in de Vaderlandsche Letteroefeningen, 1761-1811’, in: idem, p. 19-36
¶ A. Sommer, ‘Duitse boeken in Nederland rond 1800: de Vaderlandsche Letteroefeningen als filter’, in: idem, p. 37-48
¶ M. Sprenger, ‘“Een met het gezond verstand strijdig stelsel”: de receptie van de homeopathie in de Vaderlandsche Letteroefeningen’, in: idem, p. 49-56
¶ K. Korevaart, Ziften en zemelknoopen. Literaire kritiek in de Nederlandse dag-, nieuws- en weekbladen 1814-1848 (Hilversum 2001)
¶ A. Verbeek, ‘Een doopsgezind tijdschrift en haar gereformeerde tegenhanger. Deïsme en ongeloof in de Vaderlandsche Letteroefeningen en de Nederlandsche Bibliotheek’, in: Doopsgezinde Bijdragen 26 (2000), p. 136-152
¶ G.J. Johannes, De barometer van de smaak. Tijdschriften in Nederland 1770-1830 (Den Haag 1995)
¶ J. Muis-van der Leun, ‘Debet en creditzijde van een cultureel tijdschrift. Het uitgavebeheer van de Vaderlandsche Letteroefeningen’, in: De Negentiende Eeuw 14 (1990), p. 120-132
¶ S. van den Berg, I. Lindhout en P. van Zonneveld, ‘De seksuele moraal in de Vaderlandsche Letteroefeningen 1800-1820’, in: De Negentiende Eeuw 10 (1986), p. 155-163
¶ W. van den Berg, ‘The Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1761-1771) and tolerance’, in: Sécularisation (Brussel 1984), p. 67-76
¶ P. van Zonneveld, ‘Vaderlandsche Letteroefeningen in 1848. “Nooit rees er heil uit volksgeweld”’, in: De Negentiende Eeuw 1 (1977), p. 163-169
¶ A.J. Servaas van Rooijen, ‘De “Vaderlandsche Letteroefeningen”. 1e serie, 1761-1767’, in: Het Boek 7 (1918), p. 114-117, 145-149, 233-235.

Rick Honings