Veertiendaagsche Blaadje (1760-1761)

Titelbeschrijving
Tweeëndertig [XXXII] Vertoogen, uitgegeven onder den tytel van het Veertiendaagsche Blaadje.

Periodiciteit
Dit tweewekelijkse periodiek verscheen op dinsdag, van 11 maart 1760 t/m 19 mei 1761 (32 nrs.).

Bibliografische beschrijving
Het geheel, in octavo, bevat ii (titelpagina) en 256 doorgenummerde pagina’s. De lay-out is niet altijd uniform. Elke aflevering (8 pagina’s) begint met een titelblok, met de titel, nummeraanduiding, datum; en soms een motto of citaat.

Boekhistorische gegevens
Impressum op de titelpagina: ‘Te Rotterdam, By Reinier van Arrenberg’. De nrs. 25 en 26 hebben in het colofon:

Te Amsterdam by Houttuin, Tongerlo, P. Meyer, vander Kroe, S.J. Baalde, Haarlem Bosch, Leiden vander Eyk, Le Mair, Lusac, ’s Hage de van Thols en van Balen, Delft vander Smout en Graauwenhaan, Gouda Staal en Bellaard, Dord Blussé en de Erven van Braam, Utrecht G.T. van Paddenburg, Ten Bosch, Spruit, R. De Meyere, Middelburg, Gillissen en Taillefert, Vlissingen Payenaar, Zierikzee Zwymvoeren.

Blijkens een advertentie door Arrenberg in de Leydse Courant van 21 mei 1760, was de prijs 1 stuiver.

Medewerkers
De redactie doet zich voor als een gezelschap van zeven personen. Dat correspondeert met de letters die men soms onder de vertogen afgedrukt ziet. Men vindt eenmalig bijdragen van V, B, en R.G.; terwijl méér bijdragen geleverd worden door M, D (een veelschrijver, deze D), L en R. Hun achtergrond lijkt Rotterdams te zijn, hetgeen weer correspondeert met de genoemde advertentie van de Rotterdamse uitgever Reinier Arrenberg.
Verder worden de brieven aan de redactie gesigneerd door de mogelijk reëel bestaand hebbende medewerkers: D.A.E., Ergastus, *******D, J…M…, P.J., H.S.P., R.B. en G.v.N.; terwijl vooreerst als fictieve bijdragers beschouwd moeten worden: Florinde (die namens een damesgezelschap correspondeert), Catharina Eerlief, Paulus Eenvoud, Nicodemus de Wynbaas, J. Veelgekwelt, Jeap Keese, en Maan-Otter.

Inhoud
De drukker wilde graag een ‘ana’-blad, meldt de redactie (p. 13 vv.), maar men wilde zich geen beperkingen opleggen en over alles schrijven. Dus werd het een neutrale titel. Sommigen zullen het daarom een ‘spectator’ noemen; dat is niet onjuist.
Men wil slechts niet schrijven over bijzondere personen en theologische krakelen; wél over ‘allerleye fraaye en wetenswaardige stoffen, die tot leering en verbetering kunnen strekken’ (p. 15). ‘De wyze […] zal dus ernstig of boertig zyn, naar de natuur der zaaken het zal vorderen’ (p. 16). – De lezer constateert dat de neiging tot satire inderdaad aanwezig is. Dat wordt bevestigd door het noemen van Rabener en een verwijzing naar, bijvoorbeeld, de Kralingiana (1757-1758).
De onderwerpen, veelal behandeld in de vorm van brieven aan de redactie, zijn divers. Aan de orde komen zaken als: de verschillende manieren om een druk typografisch op te leuken; het zogenaamde nut van voorredes, opdrachten en lofdichten; anonieme werken; rare genootschappen; het verschijnsel kamerpreek; de kermis; gedrag en schoonheid van vrouwen. Bijzonder veel aandacht wordt besteed aan de dronkenschap.

Elie Luzac is in zijn Nederlandsche Letter-Courant positief over het Blaadje. ‘Een zeer goed hekelwerkje over de gekheeden en sotternyen van onze tyd’, schrijft hij in deel 3, 22e stuk (14 maart 1760). In het 30ste stuk (11 april 1760) neemt hij een lang citaat op en in deel 4, 60ste stuk (25 juli 1760) laat hij zien dat de schrijver van het Veertiendaagsch Blaadje ‘den spectator[i]aalen trant al heel wet [weet] te treffen’.

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 728 E 18
Full text

André Hanou