Vraag-al (1789-1796)

Titelbeschrijving
De Vraag-al.

Periodiciteit
De 312 afleveringen van dit weekblad zijn genummerd maar niet gedateerd. Voor nr. 2 wordt geadverteerd in de Leydse Courant van 10 juni 1789. Eventueel kan men de verschijningsdatum afleiden van de datering van sommige ingezonden brieven. Zo is de brief in nr. 305 gedateerd op 14 augustus 1796, hetgeen duidt op een einde in 1796. De schrijver was ‘moede, om voort te gaan met vragen te doen’ (deel 6, nr. 312, p. 414). Bovendien zag hij de noodzaak van zijn blad niet meer in, ‘daar de VRIJHEID bloeit’ (p. 415).
Voor zover bekend is het blad twee keer verboden geweest. ‘Weest niet ongerust, dat het verboden of opgehaald zal worden!’, schrijft de Vraag-al in nr. 1. Niettemin werden de nrs. 1-44 van het blad verboden in augustus 1790 (zie de reactie hierop in nr. 68). In het voorwoord van deel 1, verschenen na voltooiing van de eerste jaargang, wordt gerefereerd aan een vertraging die het blad heeft opgelopen, veroorzaakt door ‘de verändering, welke dit weekblad heeft ondergaan, met betrekking tot Uitgever en Drukplaats’.
In Leiden was er ook in 1793 sprake van een verbod (nr. 132 e.v.). De toenmalige uitgever vroeg de burgemeesters van zijn stad in december van dat jaar, aldus Van Vliet (2005), hoe te handelen met de Vraag-al aangezien afleveringen doorgaans een maand van te voren naar de andere provincies verzonden worden. Van de verboden nrs. waren reeds enkele verstuurd. De boekverkoper kreeg de opdracht zoveel mogelijk exemplaren terug te vorderen.
De afleveringen – doorlopend genummerd – zijn gebundeld in 6 jaardelen, waarvan de titelpagina’s uitkwamen in 1791 (deel 1), 1791 (deel 2), 1792 (deel 3), 1792 (deel 4), 1795 (deel 5) en 1797 (deel 6). 

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 8 pagina’s in groot octavo. Ieder deel heeft een titelpagina en inhoudsopgave. Deel 1 en 2 hebben bovendien een kort voorwoord.

De titelpagina’s van de jaardelen worden opgesierd door een titelprent, met daarop een jongeman met hoed in de hand, die vragen stelt aan een heer, zittend bij een boom. Het motto luidt: ‘– Ridiculum acri / Fortius & melius magnas plerumque secat res’, uit Horatius’ Satires 1:10. Justus van Effen vertaalde dit in zijn Misantrope (1758) als: ‘De spotterny beslist doorgaans zaaken van gewigt beter dan ernstiger en krachtige redenvoering’ (deel 1, p. 265).

Boekhistorische gegevens
Colofon nrs. 1 t/m 44: ‘Te Amsterdam, by A. Borchers en J. Weege. En alom bij de meeste Boekverkopers, daar dezelve weekelijks à een en een halve stuiver word uitgegeven’. Blijkens nr. 29 werd het blad ook elders verkocht:

te Rotterdam, D. Vis, C. van den Dries en J. Meijer, Dordrecht, Blusse en Zoon en Krap, Leyden, Herding en Pluigers, Haarlem, Walré en Comp., Loosjes, Bohn, van der Aa, van Brussel en Tetmans, Gouda, Verblaauw, ’s Hage, Bakhuyzen en Leeuwestein, Utrecht G.T. van Paddenburg, Visch, Wannaar en de Waal, Schiedam, Bakker, Hoorn, Vermande en Breebaart, Alkmaar, Hartemink, Arnhem Moeleman; Deventer Brouwer, Zutphen, Eldyk, Leeuwaarden, Cahais, Middelburg, Gillissen en Keel, Franeker, Romar, Enkhuyzen, Franx, Groningen, Groenenberg, Nimwegen, van Campen; en alomme.

Colofon nrs. 45 t/m 243: ‘Te Leyden, bij L. Herdingh’.
Colofon nrs. 244 t/m 312: ‘Te Leyden, bij L. Herdingh, Te Amsterdam, bij J. Weege’.

De strijdvaardige patriot Albrecht Borchers, gevestigd in de Stilsteeg, werd op 20 januari 1790 gearresteerd. Mede dankzij zijn verweer en verzoek tot schadevergoeding, vijf jaar later, is tot in detail bekend wat er is voorgevallen. Borchers zou het verboden boek Het prophetisch gezicht, van den ziender Johannes (Antwerpen 1789 [vals impressum]) – over de stadhouder als het beest in Openbaring XIII – op voorraad hebben gehad. De secretaris van de hoofdofficier zag bij de arrestatie ook de Vraag-al liggen en vroeg hoeveel afleveringen er reeds van waren verschenen. 

[…] en ter gelyker tyd zyn oog op een nommer van de Vraag-al laatende vallen, begeerde hy onder den uitroep: Ja, daar vinde ik al een fraai stukje! – van my te weeten, hoe veele nommers van dit weekblad reeds uitgegeeven waaren? en het getal van 34 opgenoemd hebbende, eischte hy BAKKER [=de hoofdofficier], hem oogenblikkelyk van elk derzelver, één in handen te stellen; – dan op myn nader antwoord, dat de nommers van dit werkje niet compleet waaren, en herdrukt moesten worden, stelde denzelve my eindelyk in handen van den Onderschout […]. (p. 8).

Na een gedwongen verblijf van tien maanden in het tuchthuis hoorde Borchers zijn veroordeling aan:

Gy zult op het Schavot te pronk staan, – uwe libellen, als de Vraag-äl enz. zullen in uw byzyn door Beulshanden verbrand, en gy voor ’t overige, voor 12 Jaaren uit Holland en West-Friesland, gebannen worden. (p. 18)

Uiteindelijk werd alleen de laatste straf ten uitvoer gebracht. Borchers verbleef als banneling vanaf 1791 in armoe in Kampen. In 1795, na de Bataafse omwenteling, kreeg hij toestemming terug te keren naar Amsterdam, waar hem een onaangename verrassing wachtte: zijn huis en winkelvoorraad bleken na zijn arrestatie te zijn verkocht. Ter genoegdoening kreeg hij een aanstelling als commissaris van het Deventerse en later ook het Zwolse veer.
Na zijn arrestatie was de uitgave van de Vraag-al overgenomen door Leendert Herdingh uit Leiden. Zijn naam staat voor het eerst in de colofon van nr. 45. De titelpagina’s van de jaardelen vermelden eveneens zijn naam in het impressum.
De zetter plaatste aan het einde van nr. 243 onder het motto ‘Vryheid, Gelykheid, Broederschap’ een dichtstukje, opgedragen ‘Aan den Burger Vraag-al!’, met de openingsregels ‘Triumph! ô ed’le Batavieren!/ De vuige dweepzucht ligt geveld’ (deel 5, p. 278). Vanaf nr. 244 staat naast de naam van Herdingh opnieuw de naam van Weege in de colofon.

Medewerkers
De Vraag-al verscheen anoniem, maar algemeen wordt aangenomen dat de gematigd verlichte theoloog Ysbrand VAN HAMELSVELD (1743-1812) de redacteur was. Hij begon zijn loopbaan als predikant in Durgerdam, werd in 1784 hoogleraar godgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht, maar werd drie jaar later afgezet wegens patriottische sympathieën, waaronder deelname als gewapend lid van het Utrechtse vrijkorps. In 1796 en 1797 nam hij als volksvertegenwoordiger deel aan de Eerste en Tweede Nationale Vergadering. Van Hamelsveld was voorstander van de scheiding tussen kerk en staat, maar tegen de emancipatie van de Joden. Na de staatsgreep in januari 1798 werd hij enige tijd gevangen gezet. Daarna hield hij zich alleen nog bezig met schrijven en vertalen.
Van Hamelsveld heeft diverse tijdschriften op zijn naam staan, zoals de Welmeenende Raadgeever (1790-1795) – die in nr. 250 van de Vraag-al de ‘buurman’ wordt genoemd –, de Ongeveinsde Christen (1797-1804) en de Redelijke Christen (1807). In 1790-1793 was hij bovendien redacteur van de Vaderlandsche Bibliotheek.
In de nrs. 161 en 177 van de Vraag-al verwijst Van Hamelsveld naar zijn eigen Zedelijke toestand der Nederlandsche natie, op het einde der achttiende eeuw (Amsterdam 1791).

Inhoud
In iedere aflevering wordt de (vaak: retorische) vraag beantwoord die onder het titelblok staat vermeld. In nr. 1 gaat de schrijver uitgebreid in op de reden van deze literaire vorm. Door te vragen tracht hij waarheden te vinden. Hij wil de lezer met vragen prikkelen tot nadenken. Door vragen zal de lezer wijs worden:

Maar geef ik evenwel door vragen niet dit getuigenis aan de Lezers, dat zij denkende wezens zijn? Erken ik niet, dat zij ook wat weten, dikwijls meer dan ik? Ik geef hun dan aanleiding, om zich tot zekere onderwerpen te bepaalen, en niets zou mij aangenaamer zijn: dan indien iemand mij met zijn antwoord op de ééne of andere vragen geliefde te vereeren? of zo ook eenige vragen van gewigt mogt hebben, mij die mede te deelen, onder adres van de Uitgevers van dit blaadjen. (p. 7-8)

Inderdaad staan er ook, al dan niet gefingeerde, ingezonden brieven in met vragen aan de schrijver van de Vraag-al. De briefschrijvers hullen zich met namen als Meester Andries, Joris Weetgraag, S. Wereldburger, Hellebrand IJveraar, J. Welmeenend, Justus Armiger Gerrit de Vrager, Justus Leergraag en Robrecht Stekelbaars. Sommige brieven zijn in spreektaal of dialect geschreven (bijv. nr. 170: ‘Hebben de Jooden en de Boeren ook al reden, van Klagen?’) en geven een beschrijving van dagelijkse voorvallen.
Een aantal keren worden de brieven afgewisseld met een dichtstuk (bijv. ‘Een welgesteld Gemeenebest’ in nr. 56), een zangstuk (bijv. ‘Als dwinglandij en vrijheid worst’len’ in nr. 96), een duet (nr. 309), genummerde lijstjes met theologische, politieke etc. kwesties (nr. 104) of samenspraakjes (bijv. nr. 210). Nr. 194 wordt in beslag genomen door een recensie, in casu Bavius Voorda, De crimineele ordonnantien van koning Philips van Spanje (Leiden 1792). Er komen ook fabels in voor, bijvoorbeeld in de nrs. 195 en 215. De nrs. 220-221 zijn geschreven naar aanleiding van het lied ‘Wer ist ein freier Mann’ van Gottlieb Konrad Pfeffel, dat dankzij Beethoven internationale bekendheid heeft gekregen (1791-1792). De afwisseling neemt toe naarmate het blad vordert; de Vraag-al wordt losser van toon.
In de vragen waarmee de afleveringen openen, wordt zelden een verwijzing gegeven naar de politieke situatie of naar de al dan niet sluimerende onrust in het land. De schrijver houdt zich verre van partijpolitiek: 

Mijne bedoeling was nooit, om partijschap te stijven, om haatlijke verdeeldheden aan te stoken, veel min om ondeugden en gebreken voor te spreken of te evrschonen, mijne bedoeling was, al laghende en boertende, de Nederlanders, door hun mijne vragen voor te stellen, opt wekken, om hunne aandacht op deze vragen te vestigen, en dezelve toe te passen […]. (deel 6, nr. 312, p. 413)

De brieven geven een beeld van de kwesties waarmee de (geïntendeerde) lezers worstelen. De antwoorden op deze brieven, in de vorm van essays die soms meerdere afleveringen groot zijn, ogen op het eerste gezicht neutraal. Maar reeds in nr. 3 nodigt de vraag ‘Ei, is dat vrijheid?’ uit tot gefilosofeer over Hugo de Groot, Rousseau en Macchiavelli, en over de ware vrijheid der Nederlanders. ‘Is het de Nederlander alleen, die zich met den schijn van vrijheid ligt laat mompen?’ (p. 35).
Vele onderwerpen die op de politieke agenda niet zouden misstaan, worden aan de orde gesteld. Zo leest men over de slechte staat van het schoolwezen, heerszucht, adel, vrome rechtzinnigheid, staatkunde, nieuws en nepnieuws, patriottisme (nr. 35: ‘Wat is een Patriot?’), despotisme en regeringloosheid, titels, burgerschap, wraak, 14 juli, Verlichting (nr. 62: ‘Is Europa niet verlicht en beschaafd?’), de Bataafse omwenteling, de ‘oude wettige Constitutie’, emigranten, vrijheid, Jacobijnen (nr. 186), Louis Capet, de opbouw van rekwesten, revolutie, volksstem, stadhuiswoorden. De nrs. 196 en 197 zijn ‘alleen geschreven voor Braband’ en bevatten een dialoog tussen een Vonkist en een Van der Nootiaan over de onderwerpen privileges en de constitutie. Nr. 251 bevat een brief van een domineesweduwe over de rechten van ‘Burgeressen, Vrouwspersonen’.
Verder is er in het blad veel aandacht voor burgerlijke deugden, zoals trouw, verdraagzaamheid, echtelijke liefde, burgerlijke plichten, grootmoedigheid, waarheidsgetrouwheid, standvastigheid (met diverse vorsten als toonbeeld van stijfkoppigheid), gelijkheid, broederschap, edelmoedigheid, welvoeglijkheid en de ware vaderlander. In nr. 10 wordt ingegaan op het bijgeloof van sommige burgers ( ‘Wat is ‘er toch van den Profeet van den Overtoom?), in nr. 187 is de briefschrijver op zoek naar ‘de liefhebbers van levensbeschrijvingen’, de nrs. 236 en 238 beantwoorden de vraag wat prulschriften zijn.
Altena (2008): ‘In de Vraag-al werd verwezen naar het werk van gebannen schrijvers als Gerrit Paape en denkers als Thomas Paine, terwijl de satirische werelden van Cervantes, Holberg, Wieland en Janus het refrentiekader uitmaakten’ (p. 291). Ook de werken van Rabener en Gellert worden dikwijls in herinnering gebracht. In nr. 168 komt Pieter van Woensels Lantaarn (1792) uitgebreid ter sprake (cf. nr. 212). In nr. 215 wordt ruim geciteerd uit De klugten der gekroonde stervelingen (Rotterdam 1792) van Gerrit Paape.

Relatie tot andere periodieken
Een enkele keer wordt er verwezen naar de Menschenvriend (nr. 235) of naar de Moei-al (nr. 56). De Moei-al (1790) noemt zich (p. 10) een opvolger van de Vraag-al. De Vraag-al reageert op dit blad, ‘die ook onlangs zich begonnen heeft te vertoonen, en die al vrij wat gerucht begint te maaken’ (nr. 56).
Er zijn ook andere opvolgers. Altena (2008) spreekt zelfs van een ‘familie Vraag-al’, met de Leerzame Praat-al (1790-1792), de Vaderlandsche Praat-al (1793), de Revolutionaire Vraag-al (1797) en de Revolutionaire Vraagal (1798).
Een reactie op de Vraag-al is de Antwoorder (1791-1793). Deze geeft, net als de Vraag-al zelf, antwoorden op de vragen uit de Vraag-al. Deze laatste reageert goedmoedig, zoals onder meer blijkt uit nr. 223, over de vraag ‘Waar blijft het?’, over het wegblijven van de Antwoorder,

die in eenige weeken niet verscheenen was, maar, nadien nu weder Nommers van het zelve zijn uitgekomen, zou men kunnen vragen, of mijne vraag niet nutteloos en overtollig is: Waar blijft het? Dit zij zoo! (deel 5, p. 120)

De Antwoorder komt ook elders in de Vraag-al ter sprake, bijvoorbeeld in de aflevering over prulschriften (nr. 238) of de aflevering over het begrip revolutionair (nr. 244).
De Janus (1787) wordt door de schrijver van de Vraag-al met genoegen gelezen (nr. 274).
Een andere reactie verscheen in de vorm van de driedelige pamflettenreeks Brieven en gesprekken, behelzende aanmerkingen, betrekkelyk den tegenwoordigen tijd; opgedragen aan den Vraag-al (Duinkerken 1792)geschreven door een anonymus die schuilgaat achter het pseudoniem Jan Vrager.

Bronnen
¶ A. Borchers, Het heilig recht verkracht door boosdoenders; of kort en zaakelyk verhaal der onrechtmatige procedures, in den jaare 1790 gehouden, door den toenmaaligen hoofdofficier mr. Cornelis Willem Backer […] tegen Albrecht Borchers (Amsterdam 1797)

Exemplaren
¶ Leiden, Universiteitsbibliotheek: 464 G 6-11
¶ Full text deel 1deel 2deel 3deel 4deel 5 en deel 6 

Literatuur
¶ Peter Altena, ‘Op de tulband “een aapenkop”? De Revolutionaire Vraagal (1798) van Gerrit Paape en een kleine geschiedenis van vraag-en-antwoordweekbladen’, in: Pieter van Wissing (red.), Stookschriften. Pers en politiek tussen 1780 en 1800 (Nijmegen 2008), p. 285-305
¶ N.C.F. Van Sas, ‘De verbeelding en de macht. IJsbrand van Hamelsveld in het studiehuis der Restauratie’, in idem: De metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900 (Amsterdam 2004), p. 255-263
¶ Simon Vuyk, Jacob Kantelaar. Veelzijdig verlicht verliezer 1759-1821 (Zwolle 2005)
¶ Rietje van Vliet, Elie Luzac (1721-1796). Boekverkoper van de Verlichting (Nijmegen 2005), p. 639 
¶ Ton Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794 (Amsterdam 1998), p. 66 (nr. 223).

Rietje van Vliet