Vrolyke Tuchtheer (1729-1730)

Titelbeschrijving
Den Vrolyke Tuchtheer.

Periodiciteit
Het maandags weekblad verscheen van 4 juli 1729 t/m 26 juni 1730 (52 nrs.).

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen 8 doorgenummerde pagina’s in kwarto. Het titelblok van de afzonderlijke afleveringen bevat de titel en de verschijningsdatum; volgnummer ontbreekt. Iedere aflevering begint met een toepasselijk citaat.
Het totaal telt 416 pagina’s (de pagina’s 295-296 zijn dubbel geteld), excl. het voorwerk. Dit bestaat uit de titelpagina en de door de auteur ondertekende opdracht ‘Aan myn Westindiesche Rave, By den naam van Karel Befaamt’.
De titelpagina is in rood en zwart en bevat tevens een titelvignet met een slapende putto met blaasbalg en vuurtang; rechts een pan op een houtvuur. Het nummer 4 in de linker bovenhoek duidt op overname van deze afbeelding uit een onbekend ander werk.

Boekhistorische gegevens
Impressum volgens de titelpagina: ‘Gedrukt tot Amsterdam, voor den Autheur’. De colofon van de nrs. 1 en 4 (4 en 25 juli 1729) geeft informatie over de verkoopadressen:

Tot Amsterdam gedrukt voor den Autheur. En worden uytgegeeven tot Amsterdam, by Joris vander Woude, H. Uytwerf, en J. Oosterwyk. In ’s Gravenhage, J. vander Kloot, en J. de Jongh. Haarlem, van Lee. Leyden, Janssoons vander Aa. Rotterdam, Beman. Delft, Boitet. Gouda, vander Kloes. Utrecht, H. Besseling. Alkmaar, Hoolwerf. Dordrecht, van Braam, en Frederik Outman. Hoorn, Beukelman. Harderwyk, Rampen, Middelburg, Schryver. Nymeegen, Heymans. Vlissingen, Payenaar, en in meer andere Steeden by de Boekverkoopers.

Deze stok is in andere afleveringen afwezig. Vanaf nr. 10 (5 september 1729) is alleen Joris van der Woude nog over. Hij meldt dat hij voor een herdruk heeft gezorgd:

[…] hebbende den Autheur de eerste 10 bladen, van de letter A, tot aan de letter K. inkluys, doen herdrukken, zelfs gekorrigeert, van de meeningvuldige drukfouten gezuyvert, en op onderscheyde plaatsen, vermeerdert, en verbetert.

De advertentie die Joris Ter Woude [sic] plaatste in de Amsterdamse Courant van 13 oktober 1729 is wat cryptisch over de herdruk:

[…] ook zullende de resteerende Bladen, die door een zeker soort van een Eclips zyn verachtert, door de uytgave van 2 Papieren in de toekomende, en in de daer op volgende week, opgemaekt worden.

De herdruk verklaart de verschillen tussen de exemplaren, zoals Hanou (1979, p. 196-197) die signaleert.

Wellicht zijn er ook nadrukken in omloop geweest. De afleveringen van 15 en 22 mei 1730 (p. 366 en 374) zijn door de auteur persoonlijk met zijn handtekening ondertekend, ‘dewyl de Malkontenten eenpaariglyk hebben bestemt, om den schryver een linkschen trek te speelen’. Wilde hij als bezitter van het kopijrecht zijn inkomsten veilig stellen?

Een geannoteerde heruitgave van de nrs. 1-20 verscheen als: Jacob Campo Weyerman, Den Vrolyken Tuchtheer (1729), editie André Hanou (Amsterdam 1979), 2 delen.

Medewerkers
Op de titelpagina van de gebundelde afleveringen wordt de auteur bekend gemaakt: Jacob Campo WEYERMAN (1677-1747), ‘Schryver van de Leevensbedryven der Nederlansche [sic] Konstschilders, de Historie des Pausdoms, en van meer andere Zeedekundige en Vrolyke traktaaten’. Opmerkelijk is dat Weyerman zich hier vooral profileert als auteur van twee historische werken, waarvan de (meeste) delen recent waren verschenen (resp. in 1729 en 1725-1728).
In de jaren 1727-1728 woont Weyerman in Breukelen en Abcoude. Hij heeft hofstede Meer en Hoef verlaten, zo schrijft Weyerman zelf, omdat het er te vochtig is en hij last heeft gekregen van malaria. Ook een conflict met zijn huurbaas Johannes de la Croix over achterstallige huur dwingt hem te verhuizen: in de Tuchtheer refereert hij geregeld aan deze ‘Negra Croce’ of ‘Donker Kruys’.
In 1728 woont Weyerman, zeker niet armlastig, in Amsterdam. In de tijd dat de Tuchtheer verschijnt, woont hij met vrouw en kinderen in de Lombaertsteeg, vlakbij de als eerste genoemde boekverkoper Joris van der Woude. Financieel gaat het Weyerman bergafwaarts en op 1 januari 1731, nadat de Tuchtheer is gestopt, neemt hij de wijk naar vrijplaats Vianen.

Inhoud
Meer dan voor zijn eerdere satirische tijdschriften vindt Weyerman voor zijn Tuchtheer inspiratie in zijn eigen omgeving. Hoewel die personages het toonbeeld zijn van bepaalde ondeugden die hij aan de kaak wil stellen en het voor de lezer in principe niet nodig is om het ware verhaal achter de namen te kennen, maakt het de satire wel scherper als men op de hoogte is van hun achtergronden. Zo zijn de uithalen naar zijn vroegere geliefde Adriana Simons-de Visser (de ‘vervlooge tonneelpoes’), zijn voormalige huisbaas De la Croix en de Abcouder schout Johan Gousset alleen voor de goede verstaander begrijpelijk.
Dat geldt evenzeer voor de verwijzingen naar spraakmakende figuren die in Amsterdam de gemoederen bezighielden: de toneelgroep van La Lauze, de sterrenwichelende kwakdokter Ludeman, de hoerenmadammen Madame Therèse en Grootje des Verderfs, de Groningse avonturier baron van Ripperda, de muggenziftende dichter Frans Rijk, de boekenleurder Klein Jan en de beruchte predikant Pieter Poeraet uit Nederhorst den Berg.
De Tuchtheer bevat ook vele verwijzingen naar de locaties waar Weyerman gewoond heeft of waaraan hij een bezoek heeft gebracht: Breda (Abdera), vrijstad Vianen, herberg de Voetangel bij Abcoude, koffiehuis Quincampoix in de Kalverstraat, de ‘wynkasteleny’ van Harmen van der Slot op de Overtoom (met op p. 279 een forse sneer naar schrijver Hermanus van den Burg) en de Duivelshoek.

Stilistisch is Weyerman in de Tuchtheer op z’n best. Associaties, metaforen, woordspelingen volgen elkaar in hoog tempo op. Hij maakt gebruik van een bonte mengeling van literaire vormen, variërend van sprookjes (verhaaltjes), dichtstukken, puntdichten, airtjes en karakterbeschrijvingen tot en met samenspraken, advertissementen en quasi brieven. Een aantal daarvan is een bewerking van veelal Engelse teksten. Bekend is inmiddels dat Weyerman ook voor zijn Tuchtheer te rade is gegaan bij de schrijvende koffiehuisuitbater Ned Ward (1667-1731), de satiricus Thomas Brown (1662-1704), de dichter Alexander Pope (1688-1744), de essayist Owen Feltham (1602-1668), de toneelschrijver Ben Jonson (1572-1637) en de beroemde geleerde Robert Burton (1577-1640).
Dat de Tuchtheer een zedekundig blad is, blijkt niet alleen uit de titel, maar ook uit het motto op de titelpagina: ‘Sapientia prima est / Stultitia caruisse’ (vert. Het begin van wijsheid is zich van dwaasheid ontdaan te hebben), uit Horatius’ Epistulae Lib. I, 1:41. Onderwerpen zijn steeds ontleend aan het dagelijks leven, zijn soms prikkelend, scabreus en ook in andere opzichten gewaagd. Ze zijn vooral herkenbaar voor zijn lezers. Voorbeelden zijn: de ‘sluypvergaderingen der Quakers’, kwakzalvers, bankroetiers, afgoderij, lust, drankzucht. Weyermans beschermgeest Damon (Demon, Daemon) staat de schrijver herhaaldelijk ter zijde.

Relatie tot andere periodieken
Reeds in nr. 1 (4 juli 1729) zet Weyerman zich af tegen ‘den halfmalle schribbelaar van de Herboore Oudheyt’, de ‘lompe schryvers van den Reyzenden Chinees’, of van de ‘Reyzende Momus, van Het Schuytpraatje, van den Hedendaagschen Diogenes’ (p. 2). Het zijn namen die ook later in de tekst terugkomen. Elders valt Weyerman pagina’s lang uit naar de schrijver van de Examinator of De Hollandsche Zeedenmeester (1730-1731), die

eenige dorre schoolmeesters zinspreuken aanhaalt, maar [zich gedraagt als] veele jonge Kapellaanen, die de Oudvaders en Kerkvergaderingen onophoudelyk aanhaalen, niet tot verdediging of stut, maar alleenlyk tot cieraat en schyn, en hy verschuylt zich achter het spinrag van zyn Moralische schanskorven, en vaste Demonstratien, gelyk als den blinde Homeer zyn Goden befloerst met de regenmantels der wolken. (p. 237)

Op 22 en 29 november 1729 verscheen als reactie op de Tuchtheer een tijdschrift dat slechts 2 nrs. heeft gekend: de Broederlyke vermaning, voor de zogenaemde Vrolyke Tugt-Heer. De auteur hiervan reageert op de Tuchtheer-afleveringen van 31 oktober en 7 november resp. 14 november 1729. Voor de reacties van Weyerman, zie diens Tuchtheer van 28 november en 5 december 1729.
Opvolger van de Broederlyke Vermaning is de Nieuwe Modenze Gebrilde Brilleman (1729-1730), van dezelfde criticaster en eveneens vol kritiek op de Tuchtheer. De Brilleman van 19 december 1729 is een reactie op de Tuchtheer van 5 december 1729, waar Weyerman uitpakt tegen de Broederlyke Vermaning.

De Vrolyke Tuchtheer is de opvolger van Weyermans Vrolyke Koerantier (1729), een tijdschriftje dat slechts 2 nrs. heeft gekend en kort voor de Tuchtheer ophield te bestaanDe Koerantier was een voortzetting van de Doorzigtige Heremyt (1728-1729), een ander satirisch weekblad van Weyerman.
Ruim een jaar na het beëindigen van de Tuchtheer kreeg het blad een opvolger: de Laplandschen Tovertrommel (1731). Met de twee ‘Talmudische’ sprookjes en een verhaal over Rabbi Chanina’s visoen neemt Weyerman in zijn Tuchtheer alvast een voorschot op zijn latere tijdschrift Den Talmud (1736).

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 234 K 27:2
Full text

Literatuur
¶ Frans Wetzels, De vrolijke tuchtheer van de Abderieten. Jacob Campo Weyerman (1677-1747) (Amsterdam/Breda 2006)
¶ Lotte C. van de Pol, ‘Jacob Campo Weyerman en de prostitutie van zijn tijd’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 22 (1999), p. 1-11
¶ Theresia Koelewijn, ‘Een mager boek doorspekt met het vet van andere schrijvers. Robert Burtons The Anatomy of Melancholyals bron van Vermakelyk Wagen-praatje van Jacob Campo Weyerman’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 13 (1990), p. 1-20
¶ Willem Hendrikx, ‘Weyerman in Abcoude’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 9 (1986), p. 42-48
¶ Jos Leenes, ‘Simon van Leeuwens vergeefse strijd tegen de Vrolyke Tuchtheer’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 8 (1985) nr. 1, p. 26-31
¶ I.H. van Eeghen, ‘Jacob Campo Weyerman en de boekhandel’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 6 (1983), nr. 3, p. 1-16
¶ Jacob Campo Weyerman, Den Vrolyken Tuchtheer (1729), editie André Hanou (Amsterdam 1979), deel 2
¶ André Hanou, ‘Den Vrolyke Tuchtheer: een Abcouder raadsel’, in: Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake 1976, p. 21-23

Rietje van Vliet