Weekelyk Discours over de Pest (1721-1722)

Titelbeschrijving
Weekelyk Discours over de Pest, en alle Pestilentiale Ziekten; der zelver Historie van ’t begin der Wereld tot dezen tyd; mitsgaders der zelver verscheide zoorten, oorzaaken, voorkomingen, en genezingen. Geschreven op een wyze door dewelke elk in deze en diergelyke ziekten, zyn eigen Dokter kan leren worden.
Vanaf 9 februari 1722 (nr. 13): Weekelyks Discours over de Grasserende Ziektens, Mitsgaders de Byzondere Land-kwaalen van elke N, enz.
Vanaf 18 mei 1722 (nr. 27) wordt ‘enz.’ vervangen door: opgeheldert door Beschouwingen van de gesteltheid der gronden, lucht of dampkring, en wateren van elk Landschap.

Periodiciteit
Het blad verscheen in 30 wekelijkse afleveringen van 17 november 1721 t/m 9 juni 1722.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen, in kwarto, tellen elk 8 doorgenummerde pagina’s. Het titelblok bevat volgnummer, titel en ondertitel, verschijningsdag en datum. Daaronder begint de tekst, met begininitiaal, die verdeeld is in 10 of meer genummerde paragrafen.

Boekhistorische gegevens
Op de achterzijde van nr. 1 staat:

Gedrukt voor den Auteur, en word uitgegeven t’Amsterdam by J. Oosterwyk, Leeuwaarden Halma, Deventer van Wezel, Dort van Braam, Rotterdam Boekens en Willis, Delft Boytet, s’Gravenhage van Thol en van der Burg, Leyden Haak en de Janssoons, van der Aa, Haarlem van Lee, Utrecht Charlois, Gouda van der Cloes.

Deze lijst verandert enigszins in de volgende afleveringen.

Medewerkers
Het blad is anoniem uitgegeven. In nr. 30 verwijst de schrijver echter in een voetnoot naar een ander werk van zijn hand, het Kabinet der Natuurlyke Historien (‘Natuur en konst kabinet’). Dit is geschreven door de Amsterdamse medisch doctor Willem VAN RANOUW (1673-1724).

Inhoud
De titel verraadt reeds dat het blad geschreven is na, wat later zou blijken te zijn, de laatste grote pestaanval in Europa: de pestepidemie in Marseille, die tot de eerste maanden van 1721 zou voortduren. Meer dan de helft van de bevolking overleed aan de ziekte. Europa huiverde.
Logisch dus dat Van Ranouw met zijn Weekelyk Discours begon ‘tot gerustheid van de Natie’ om de Nederlander te leren hoe hij ‘zyn eigen Dokter kan leren worden’. Het blad was bedoeld ter voorkoming van de ziekte in de Republiek.
Om de pest te doorgronden geeft Van Ranouw een historische beschrijving van diverse uitbraken in Europa. Welke bron hij hiervoor gebruikte, is niet duidelijk. Mogelijk kende hij Observations faites sur la peste qui règne à présent à Marseille et dans la Provence (1721), waarin Jean-Baptiste Bertrand, stadsgeneesheer te Marseille, eveneens uitgebreid ingaat op de geschiedenis van de pest in Europa. Er verschenen in die jaren echter meer verhandelingen over de pest, die Van Ranouw tot voorbeeld kunnen hebben gediend.
Toen Van Ranouw constateerde dat de epidemie op haar retour was, besloot hij de titel van zijn tijdschrift te wijzigen in het eufemistische ‘grasserende ziektens’. Dit zijn besmettelijke ziektes, die ‘voor een zekere tyd te gelyk veel menschen, meer of minder gevaarlyk overvald’ (p. 97). De opzet van het blad werd daarmee ruimer dan toen het alleen over de pest ging.
Opmerkelijk is dat hij decennia voordat de Correspondentie Sociëteit dat zou doen, al een verband legde tussen de weers-, bodem- en vooral luchtgesteldheid aan de ene kant, en ziektes (scheurbuik, melaatsheid, lymfklierontsteking door verluizing, schurft, beriberi, struma). Ook de leefwijzen relateerde hij met de fysieke conditie van de mens. Maar tegelijkertijd leunde hij nog sterk op de humorale pathologie van Hippocrates. Hij toont zich een medicus van zijn tijd door te spreken van onderaardse vuren die door hun schadelijke dampen de oorzaak zijn van nevels en mist. Door het inademen van deze kwalijke lucht, vol zwaveldeeltjes en andere ‘bitumineuze vuur- en brand vattende stoffen’, wordt de mens volgens Van Ranouw overmand door allerlei ‘heete koortzen, hitzige Ziektens en Inflammatie van onze ingewanden’.
Vanaf 30 maart (nr. 20) verdwijnt de pest ver uit het gezichtsveld en gaat het Weekelyk Discours vooral over vuur. Maar ook de bespreking van de Etna en het ontstaan van salpeter in nr. 30 past geheel bij de chymisch-etiologische verklaringen die Van Ranouw in de vorige afleveringen had gedebiteerd.

Relatie met andere periodieken
Van Ranouw beschouwde Esculapius (1723) als de opvolger van de Weekelyke Discoursen.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: O 62-5994
Full text

Literatuur
¶ L. Noordegraaf en G. Valk, De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middeleeuwen (Amsterdam 1996), p. 165
¶ H. Beukers, ‘De tijdschriften van Willem van Ranouw’, in: Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 125 (1981), p. 1613-1617
¶ C.C. Delprat, De geschiedenis der Nederlandsche geneeskundige tijdschriften van 1680-1857 (Amsterdam 1927), p. 13-21.

Rietje van Vliet