Wel-Meenende (1748)

Titelbeschrijving
Verhandelingen of Vertoogen van het Wel-Meenende Gezelschap. Ao. 1748.
NB Als titel lijkt De wel-meenende hier terecht, eerder dan Verhandelingen enzovoorts; niet alleen omdat deze korte titel in het titelblok gehanteerd wordt en voorkomt als ‘ondertekening’ onder de vertogen, maar ook omdat in contemporaine tijdschriften naar De Wel-Meenende verwezen wordt. Zie bijvoorbeeld de T’Zaamenspraak tuszen Jaap en Kniertje (1748), nr. 2.

Periodiciteit
Van dit – vermoedelijk wekelijkse – blad zijn waarschijnlijk niet meer dan vijf afleveringen verschenen, ondanks het feit dat op de laatste bladzijde van het vijfde vertoog wordt opgemerkt dat het overige van dat vertoog in het volgend nummer zal geplaatst worden.
De Wel-Meenende zal, blijkens de data van verschillende in het blad geplaatste brieven, verschenen zijn in de periode juni-juli 1748. In het laatste vertoog komt de datum 26 juli 1748 voor.

Bibliografische beschrijving
De gebundelde afleveringen bevatten, naast de titelpagina, 40 doorgenummerde pagina’s in octavo. Elke aflevering telt acht bladzijden. Elke aflevering begint met de nummeraanduiding, waarna de short title volgt.

Boekhistorische gegevens
Titelpagina: ‘Te Amsterdam, By de Wed: Jacobus van Egmont en Zoon: Op de Reguliers Breê-straat’.

Inhoud
Elke aflevering begint met ‘Voorstel’, dat wil zeggen: opgave van een vraag of kwestie. Deze kwesties zijn van abstracte aard en hebben betrekking op politiek, maatschappij of de aard van de mens. Voorbeelden zijn: is de noodzaak van een oppermacht af te leiden uit natuur en rede? Wat is vrijheid? Heeft de schepper het zo geregeld dat de natuur, als een uurwerk, alles volgens tijd en orde voortbrengt, of moet de schepper zelf geregeld ingrijpen?
Na zo’n voorstel volgt een theoretische bespreking van de kwestie, met een soort toepassing op de Nederlandse situatie. Die situatie is de stand van zaken in de Republiek nu er weer een stadhouder is en er duidelijke kwesties zijn die deze moet oplossen. Aldus komt de Wel-Meenende te spreken over belastingen (en wie het recht heeft die te innen), pachterijen, rechterlijke macht, en vergelijkbare zaken. In dit alles lijkt het blad op de hand van de prins, zonder dat het zich overgeeft aan blind orangisme. Er lijkt een kritische toon hoorbaar.
Het geheel wordt gelardeerd met gedichten, wat brieven, en met veel wetenswaardigs uit de klassieken.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 674 B 135.

André Hanou