Welmeenende Raadgeever (1790-1795)

Titelbeschrijving
De Welmeenende Raadgeever.

Periodiciteit
Wekelijks op zaterdag verschijnend blad waarvoor de eerste advertentie verscheen in de Oprechte Haerlemsche Courant van 22 mei 1790. De uitgever heeft de beoogde frequentie niet kunnen volhouden, aangezien de inhoud van een deel niet altijd gelijkloopt met de chronologie van het jaar. Zo behandelt nr. 12, in deel 2 (verschenen 1792), materie die verband houdt met het kerstfeest; nr. 13 materie rond de jaarwisseling; in deel 4 (1794) geeft nr. 17 gedachten over het kerstfeest [1793], en nr. 18 gedachten bij het begin van het jaar 1794.
Het geheel wordt inderdaad beëindigd eind 1795, omdat de schrijver in het laatste nummer van die jaargang (nr. 50) zegt te schrijven op de laatste dag van 1795. Dit alles correspondeert met de opgave bij Saakes, die in zijn Naamlijst van december 1790 opgeeft dat de nrs. 1-36 verschenen zijn, en in mei 1791 de nrs. 1-50.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering bevat 8 pagina’s in octavo, met doorlopende paginanummering. Telkens zijn 50 vertogen gebundeld tot een deel met eigen voorkatern, bevattend: titelpagina en ‘Inhoud der vertoogen’. Elk deel bevat aldus (buiten het voorkatern) 400 bladzijden. In deel 3 zijn echter fouten geslopen in die paginering.
De afleveringen beginnen met de algemene titel, waarna volgen: nummeraanduiding, titel van het behandelde onderwerp, en, doorgaans, een citaat uit hetzij de bijbel hetzij het werk van een klassieke of moderne schrijver, passend bij het onderwerp.
Op de titelpagina’s van alle delen is een titelvignet te vinden, volgens ontwerp van F. van Meurs en gegraveerd door Th. Koning. In die voorstelling vindt men ter linkerzijde een onder een boom zittende man, met de stenen tafelen naast hem. Hij wordt door de Waarheid (vrouw met stralende zon op de borst) gewezen op een altaar ter rechterzijde, waarop het Evangelium. De zijkant van dat altaar toont een brandend hart, een anker, een kruis. De afbeelding duidt dus op de vooruitgang in waarheid, van het Oude naar het Nieuwe Testament.

Boekhistorische gegevens
Volgens de titelpagina: ‘Te Amsterdam, Bij J. ten Brink Gerritsz.’ Elke aflevering heeft een colofon met Ten Brink als uitgever, zonder vermelding van andere verkooppunten. De colofon aan het einde van het allereerste nummer luidt:

Te Amsterdam, Bij J. ten Brink Gerritsz. Boekverkooper in de Nes, over de Vismarkt. En alöm bij de voornaamste Boekverkoopers, daar dezelve Weeklijks op Zaturdag, à een en een halve Stuiver wordt uitgegeeven.

Saakes geeft in december 1790 op dat de nrs. 1-36 ƒ 2:14 kosten; in mei 1791 hetzelfde geeft hij de prijs van de nrs. 1-50: ƒ 3:15.

Medewerkers
De auteur moet Ysbrand VAN HAMELSVELD zijn geweest, al was het alleen maar omdat de anonieme auteur diens Latijnse verhandeling uit 1765 als zijn eigen erkent. Deze theoloog en gematigde patriot (1743-1812) was afwisselend predikant, hoogleraar en volksvertegenwoordiger.
De auteur wordt bijgestaan door een aantal correspondenten die brieven schrijven. Deze briefschrijvers noemen zich (gecursiveerd zijn de namen van diegenen onder wier brieven een datering te vinden is en die om die reden waarschijnlijk ‘echte’ bijdragers zijn) Grietje Helleveeg te Puijterven, Justus Sagax, Jan Oprecht, H.P., Justus Berenicius, Jacob Simplex, Thomas Zwak, Religiosa, Regt door Zee, J. C. Leergraag, A.M.D.L. (zeer vaak), Een peinzend christen, L.B., Margareta Schriftuurlyk, Maria Overweegende, Timotheus, Christianus, Petrus de Betooger, Hopende, Christianus de Openbaarmaaker, Elizabeth Lamvolgster, onbekende Vriendin, Onderzoeker der waarheid, Agnietjen Kommervol, J. Belangsteller, Bethjen Godvruchtig, Godsdienstvriendin, Godsdienstvriend.
Terecht stelt de auteur echter, zoals hij op de allerlaatste bladzijde van zijn laatste deel doet, dat het werk bijna geheel uit zijn pen gevloeid is.

Inhoud
Het allereerste vertoog in deel 1 begint met een fictieve scène in de Amsterdamse boekhandel van de uitgever, waarin gesteld wordt dat dankzij te vroege propaganda van die uitgever het blad onvermoed snel van start moet gaan.
In gesprekken met binnenkomende boekenkopers van allerlei type, zoals een piëtistische pilaarbijter, wordt uitleg gegeven over de opzet van het komende blad. Het mag in deze tijd (1791) niet inhaken op de partijschappen. Het mag evenmin gaan over nutteloze religieuze geschillen, zoals over de strijd in Amsterdam rond die van ’t nieuwe licht, en er moet zonder gebruik te maken van de tale Kanäans op begrijpelijke wijze gesproken worden over religie en samenleving. Criterium is hoe dan ook: het nut van het algemeen. Het blad bedoelt daarentegen

zoodanigen raad te geven, waardoor zij, die daar van gebruik zullen maaken, zich en hunne kinderen zullen kunnen vormen tot braave menschen, vaderlandlievende burgers, en waare, onbevooröordeelde Christenen. (p. 3)

De structuur van het blad is doorgaans die van het vertoog, met bespreking van een geloofspunt of bijbelpassage. Vaak wordt het behandelde afgesloten met een gedicht, vermoedelijk doorgaans van de hand van de auteur zelf (uitzondering: P.J. Kasteleijn in deel 4, p. 183-184).
Een daarnaast veel gebruikte vorm is die van het gesprek, voornamelijk met een soort goede kennis, Eusebius, wiens gezin herhaaldelijk door de auteur wordt bezocht. In de loop van de tijd neemt het aantal ingezonden brieven toe (echter nauwelijks meer in het laatste deel). Een aantal daarvan is duidelijk ‘fake’, maar er is beslist een aantal reële correspondenten bij. Die blijven echter anoniem.
In het begin vindt men nog vrij veel algemeen-maatschappelijke onderwerpen behandeld, op spectatoriale wijze. Spoedig beperkt zich de stof tot de behandeling van christelijk-religieuze, vaak bijbelse materie. Hierbij kunnen zowel geloofswaarheden (zoals opstanding en onsterfelijkheid, Voorzienigheid, verkiezing en verwerping) aan de orde komen, als religieuze praktijken en problemen (geloofsbelijdenis, gedachten op de verjaardag, avondmaal, ziekelijk leven, is de kerk in gevaar).
Hierbij wordt het orthodoxe protestante gedachtengoed verdedigd en helder gemaakt, op een bevattelijke en didactische manier, zonder enige neiging tot dogmatische scherpslijperij. Religie moet immers vooral van nut zijn voor de opvoeding van de burger en de maatschappij moet daar wel bij varen. De bijbelse waarheid zelf blijft onomstreden: ‘Wij, Christenen, hebben den dierbaren Bijbel, dien wij als de echte en waare Openbaaring van God erkennen, in welke hij ons zijn plan en schikking tot heil en zaligheid, duidelijk ontvouwt’ (deel 4, p. 2).

De verlichte instelling van de schrijver blijkt echter op vele plaatsen. Hij heeft bewondering voor Newton en Priestley. Hij vindt bijdragen aan de kennis Gods bij Zoroaster en Confucius, en vele anderen, en zelfs bij Mohamed (deel 4, p. 7). De door Jozef II beoogde verlichting is mislukt bij de bijgelovige Brabanders, maar de toestand voor de protestanten In Frankrijk is vooruitgegaan, dankzij de revolutie. (deel 4, nr. 18)

Opvallend is ook een vertoog ‘Noodzaaklijkheid der verlichting voor den gemeenen man’ (IV, nr 46): onkunde is nooit goed voor de godsdienst. Door de val van Constantinopel

werden de Grieksche Wetenschappen en geleerdheid na Italië overgebracht, verder door Europa verspreid, en ontstaken eenen ijver, om de Letter-oefeningen te vernieuwen en te doen bloejen. Dus werd het licht onstoken, het welk naderhand zoo veel dienst deed aan de Kerkhervorming. (deel 5, p. 7)

In het algemeen ziet de auteur een onvermijdelijke vooruitgang in onze geschiedenis; overigens als gevolg van een plan Gods.
Zijn politieke gezindheid wordt ineens heel duidelijk, wanneer hij in 1795, na het welslagen van de revolutie, een reeks vertogen schrijft, bijvoorbeeld over de begrippen vrijheid, gelijkheid, en broederschap (die hebben een zowel christelijke als politiek-seculiere betekenis), over staat en godsdienst, over de joden.

De omwending, in ons midden door de beminnaars van vaderland en vrijheid daargesteld, is, onder de goede bestuuring van den Hemel, geheel volbracht, zonder dat ééne druppel bloeds dit heilzaam werk besmet heeft. (deel 5, p. 154)

Zo ergens, dan is hier dus werkelijk sprake van ‘christelijke Verlichting’.
Slechts bij uitzondering gaat de auteur in op verschenen geschriften, en dan nog alleen wanneer die een funeste, verketterende atmosfeer scheppen; zoals de Brieven en gesprekken over eenige belangrijke waarheden van den Hervormden Godsdienst, uit 1792, door C. Brem (deel 2, nr. 24). Hierbij moet ook genoemd de korte verwijzing naar de controverse F.J. van Oldenburg en Van Hamelsveld (deel 4, 123 e.v.).

Het blad lijkt goed gelezen te zijn. De auteur stelt in een evaluatie aan het eind van deel 2 (nr. 50) dat er steeds méér lezers komen. Dit ondanks het feit dat hij in deel 1 een meer populaire stijl gebruikte, maar in deel 2 naar een meer verheven stijl overging.

Relatie met andere periodieken
Deel 1 blijkt in 1793 herdrukt te zijn, blijkens een ongedateerde prospectus daarover van Ten Brink. Hierin wordt meegedeeld dat dit deel uitverkocht is maar herdrukt wordt, zodanig, dat elke zaterdag, vanaf januari 1793, telkens een nummer daarvan zal verschijnen, voor anderhalve stuiver.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, O 60 133-137
¶ Full text deel 1deel 2deel 3deel 4 en deel 5

Bronnen
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: CAHAIS 1791-1797:66.

André Hanou