Zeeuwsche Staatsbeschouwer (1787)

Titelbeschrijving
De Zeeuwsche Staatsbeschouwer.

Periodiciteit
Het blad verscheen iedere maandag vanaf 23 juli t/m 3 december 1787 (20 afleveringen). De laatste aflevering eindigt met de toezegging ‘Het Vervolg hier na’, maar zover is het niet meer gekomen omdat, aldus Nagtglas, het niet wilde ‘tieren’. Het einde zou ook het gevolg kunnen zijn van de nieuwe bestuursfunctie van degene die wellicht de auteur is van het blad.

Bibliografische beschrijving
Iedere aflevering telt 8 pagina’s in octavoformaat. De afleveringen zijn wel genummerd, maar niet gedateerd. De pagina’s zijn doorlopend genummerd tot en met p. 160.

Boekhistorische gegevens
Blijkens het impressum is het uitgegeven te Middelburg bij de orangistische broers Henrik en Marinus van Osch. Het blad was tevens verkrijgbaar bij hun ‘Correspondenten’. De winkelprijs bedroeg 1½ stuiver. Zie hiervoor ook het Programma van een nieuw weekblad, getyteld: De Zeeuwsche staatsbeschouwer: Het welke weekelyks zal uitgegeeven worden, te Middelburg by Henrik en Marinus van Osch (1787) en de advertentie die de uitgevers plaatsten in de Geldersche Historische Courant van 7 augustus 1787 (nr. 94).

Medewerkers
De auteur van de Zeeuwsche Staatsbeschouwer is onbekend. De enige met naam en toenaam ondertekende bijdrage is ‘Opwekkende vreugdegalmen’ ter gelegenheid van de verjaardag van de vrouw van de stadhouder, Wilhelmina van Pruisen (nr. 3). Het is geschreven door D.L. DE LA RUË, vermoedelijk Daniel Louis de la Ruë, lid van de vroedschap van Zierikzee. Deze zelfde auteur tekende het jaar daarvoor al voor het gelegenheidsgedicht Vaartwelgroet aan zijne doorluchtige hoogheid (1786) op het bezoek dat de stadhouder met vrouw en kinderen aan Middelburg had gebracht.
Een kandidaat voor het algehele redacteurschap is mr Johan CANTER DE MUNCK (1753-1810), heer van Serooskerke. Hij bekleedde diverse bestuurlijke functies. Zo was hij sinds 1778 schepen van Veere en na 29 december 1787 schepen en raad van Middelburg. Voor zijn auteurschap pleit zijn Tegenswoordige regeeringsvorm der Zeven Vereenigde Provintien, gehandhaafd en verdeedigd, dat hij als overtuigd orangist eveneens in 1787 had geschreven.
Hierin uitte hij zijn kritiek op het patriotse programma Grondwettige herstelling van Nederlands staatswezen: een onderwerp dat ook in de Zeeuwse Staatsbeschouwer uitvoerig aan de orde komt (bijvoorbeeld nrs. 1 en 11). Canter de Munk liet zijn Tegenswoordige regeeringsvorm bovendien uitgeven bij de Middelburgse gebroeders Van Osch, die hiervoor adverteerden in de Zeeuwsche Staatsbeschouwer (nrs. 10 en 12). Het zijn de enige advertenties in dit periodiek. In het beperkte uitgeversfonds van Van Osch nemen de politiektheoretische werken van Canter de Munk een prominente plaats in.

Inhoud
De auteur richt zich expliciet tot zijn ‘geliefde’ en ‘waardste Medezeeuwen’ (p. 47, 77). Blijkens het hierboven genoemde Programma wilde hij alle verkeerde denkbeelden ‘omtrent het Staatkundig Systema der Provintie van Zeeland’ wegnemen. Hij wil zijn lezers

een denkbeeld [inboezemen], der Constitutie van dit Land; der door de Goddelyke Hand van de alregeerende Voorzienigheid, zoo zeer met zegeningen en weldaadigheden bevoorrechte Ingezeetenen denk- en handelwyze; der vermetele poogingen en werktuigen ter ondermyning der takken en bronnen van onze Welvaart en kalme Rust; der snoode kuiperyen van onze looze Machiavellistische Tegenpartyen, welke, door hunne strenge Staatsregulen, de tegenwoordige gesteldheid onzer Republicq in een kwynende toestand brengen […]. (Programma, p. 3)

De Zeeuwsche Staatsbeschouwer bestaat voornamelijk uit essays over onderwerpen als ‘het Systema van den Staat’, de ‘Vryheid in den Burgerstaat’, de positie van de stadhouder, de toenemende goddeloosheid en schaamteloosheid onder Nederlandse burgers, de heerszucht van Frankrijk, de relatie met Amerika, de handelsrecessie en vrijcorpsen. Een aantal keren wordt kritiek geleverd op ‘dagelyksche Nieuwspapieren’, zoals de Leydse Courant (p. 44), de Historische Courant (p. 47, 55, 70, 76) en de ‘advizen van den schurkagtigen Courant-Advocaat’, waarmee Jean Luzac en zijn Gazette de Leyde worden bedoeld (p. 58).
Ook elders vaart de Zeeuwsche Staatsbeschouwer uit tegen de schrijvers der ‘Historische- Nederlandsche- Vaderlandsche- Hoogduitsche– en andere verpestte Couranten’, alsmede tegen de Post van den Neder-Rhijn en Politieke Kruyer die de vrijheid van de Nederlandse burger ‘met den dodelyken dolk’ achtervolgen (p. 34).

De vertogen worden afgewisseld met enkele gedichten, zoals het hierboven reeds genoemde verjaardagsgedicht voor prinses Wilhelmina (nr. 3), een korte wanhoopskreet over het juk van de ‘Barbaaren’ (nr. 8), een oproep in dichtvorm aan het adres van de koning van Pruisen: ‘trek nu myn Neêrland binnen’ (nr. 10), een lofdicht op Willem V met daarin de woorden ‘Schep moed, verheven PRINS! al gierd een stormorkaan’ (nr. 11), en een lofdicht op ‘WILLEM, Nassaus telg en NEERLANDS GIDEON’ (nr. 14).
Verder bevat aflevering 7 een dankwoord dat erfprins Willem Frederik zou kunnen uitspreken ‘tot het Volk van Nederland, voor derzelver hoogstgunstige eerbewyzingen, Zyne Hoogheid toegezwaaid’. Aflevering 5 citeert uitvoerig een officiële brief aan de Staten van Holland, waarmee de afzenders proberen de rust in het land te doen herstellen en het verval der natie een halt toe te roepen.

Exemplaar
Middelburg, Zeeuwse Bibliotheek: kluis1112 D 44:2 (nr. 1-17 en 19-20).

Literatuur
¶ N.C.F. van Sas, De metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900, Amsterdam 2004, p. 355-357
¶ F. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen, Middelburg 1891, p. 315, 316.

Rietje van Vliet