Zinryk en Schertzend Woordenboek (1759-1761)

Titelbeschrijving
Zinryk en Schertzend Woordenboek.

Periodiciteit
Weekblad, verschijnend op dinsdagen. Nr. 1 verscheen 16 januari 1759, nr. 155 (laatste nummer) 29 december 1761.
De afleveringen zijn per jaargang gebundeld in 3 delen. De eerste jaargang omvat nrs. 1-50 (16 januari-25 december 1759), de tweede nrs. 51-103 (1 januari-30 december 1760) en de derde nrs. 104-155 (6 januari-29 december 1761).
In 1761 delen de auteurs hun ‘geächte Correspondenten, Lezers en Lezeressen’ mee dat zij ‘met dit derde Deel, dit ons Werk zullen besluiten en eindigen’. De reden is ‘dat wy door de tyd die wy aan ons beroep verpligt zyn, thans te besteden, daar door belet worden aan te arbeiden, zoodanig, dat het regulier kan aan ’t ligt gebragt worden’ (‘Berigt’).

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering telt 8 pagina’s in groot octavo. De afleveringen zijn doorgenummerd, en per jaargang doorgepagineerd. In het titelblok wordt de titel gevolgd door het volgnummer, de datum van verschijnen (dag, maand, jaar) en het onderwerp van de betreffende aflevering. De tekst van elke aflevering opent met een sierkapitaal.
Het vignet op de titelpagina’s van de gebundelde jaargangen (‘T.J. Walter inv: et fec:’) verbeeldt onmiskenbaar een boekwinkel, waar middenvoor een paar mannen bezig zijn een grote (boeken?)kist open te breken.

Boekhistorische gegevens
De stok meldt dat het blad elke dinsdag wordt ‘uitgegeven, te Arnhem, by Nyhof, Nimwegen Wolfsen, Middelburg Gillissen, Dort Blussé, Ter Goes Huisman, Schiedam Smit, Rotterdam Losel en de Vuyk, ’s Hage van Os, Delft Sterck, Leiden Honcoop, Haarlem van Lee, Amst. Baalde, Utrecht Paddenburg, Hanebrink en Spruit, en zyn voorts by alle Boekverkopers in alle Steden te bekomen’ (nr. 1). 
Deze stok blijft onveranderd, behalve dat met ingang vannr. 64 (1 april 1760) vóór Middelburg toegevoegd is ‘Vlissingen J. en P. de Pajenaars’ en met ingang van nr. 129 (30 juni 1761) Sterck in Delft vervangen is door ‘v. d. Smout’.
Op grond van de stoklijst staat Jacob Nijhoff in Arnhem te boek als eigenlijke uitgever. Echter, de drie gebundelde jaargangen verschenen ‘te Amsterdam, by S.J. Baalde, boekverkooper’. Ook de dagtekening van het voorbericht bij het tweede deel wijst op een Amsterdamse herkomst.
Het ‘Aan den leezer’ dat de bundeling van de eerste jaargang inleidt, meldt:

Met wat smaak dit Werk is ontvangen […] zyn daar van het groot debiet getuigen, in zoo verre dat zelfs eenige Vertoogen zyn uitverkogt geworden, welke men heeft moeten herdrukken, om dus het Werk weder in het geheel de Liefhebbers van nuttige stukken te kunnen leveren.

Mededelingen van dezelfde strekking staan in de voorberichten bij de gebundelde tweede en derde jaargang.
In 1779 verscheen er een prospectus voor het Zinryk en Schertsend [sic] Woordenboek, ‘Een werk van vernuft, begreepen in CLV. spektatoriaale vertoogen’. Daarin wordt geconstateerd dat ‘kompleete Exemplaaren’ allang niet meer verkrijgbaar zijn, dus had ‘men [besloten] na, door het herdrukken der ontbreekende Vertoogen, de overgebleevene Exemplaaren gekompleteerd te hebben, hetzelve andermaal aan te bieden’. Of hier iets van terecht is gekomen, is onbekend.
In het prospectus staan, in deze volgorde, de volgende verkoopadressen vermeld: Holtrop (Amsterdam), Maagh (Alkmaar), Blussé (Dordrecht), A. v. Paddenburg en J. Visch (Utrecht), Honkoop (Leiden), Thierry en Wynants (Den Haag), D. Vis en Bothall (Rotterdam), v.d. Aa (Haarlem).
Uit het prospectus blijkt dat de prijs van de drie gebonden jaargangen ‘voorheen’ f11:12 was, maar dat de beoogde heruitgave tot eind 1779 verkrijgbaar zou zijn voor f3:15.

Medewerkers
Het blad verscheen anoniem. De voorberichten van de drie gebundelde jaargangen zijn ondertekend met ‘De Schryvers van het Zinryk en Schertzend Woordenboek’, in deel 2 iets nader gespecificeerd: ‘Amsteldam Uit onze Vergadering den 30 van Winterm. 1760’. In dat voorbericht staat dat de auteurs besloten hadden ‘alle vrydag by een te koomen’. Dat suggereert op zijn minst een vast gezelschap van ‘schryvers’. Ook enkele afzonderlijke afleveringen zijn ondertekend door ‘De Schryvers van het Zinryk en schertzend Woordenboek’. Zo bijvoorbeeld nr. 78 en nr. 121 (‘Uit onze Vergadering den 1 Mey 1761’).
Echter, in sommige afleveringen is sprake van maar één auteur. Zie bijvoorbeeld nr. 51: ‘vergeet de Schryver van het Zinryk en Schertzend Woordenboek dat hy een Zedenmeester is, geen Prediker!’, en nr. 104: ‘de Schryver van het Zinryk en schertsend Woordenboek […] is een Kristen, en wel een Protestantsch Kristen, daar voor verklaart hy zig’, al wordt op de volgende pagina weer gesproken van ‘wy’.
Voorts zijn er bijdragen van buitenstaanders. In het ‘Berigt’ bij het derde deel dankt de redactie diegenen, die ‘het behaagt heeft, van ons Stukken ter hand te stellen, die door het gebruik dat wy van dezelve gemaakt hebben, een aangename Geur aan ons Werk hebben gegeeven’. Zij blijven eveneens anoniem.
Intrigerend is het titelvignet. Onderin de sierrand staan enkele initialen: een D en een C, zo te zien, en misschien nog een E of O. Merkwaardig is, dat in het vignet van deel 2 en deel 3 middenin de bovenrand een portret is aangebracht. Is dat Baalde? De auteur? Zomaar iemand?

Inhoud
Volgens Sanders/Maas (1994) zou het blad geïnspireerd zijn op ‘Versuch eines deutschen Wörterbuchs’, waarmee Gottlieb Wilhelm Rabener zijn serie lemmata opende in deel 3 van de Bremer Beiträge (1745). De Nederlandse vertaling daarvan verscheen echter pas in 1763 als ‘Proeve van een register der zaken’ in zijn Verzameling van hekelschriften (Amsterdam, 1763-1767).
Het Zinryk en Schertzend Woordenboek is in proza. Daarnaast gebruikt de redactie verschillende stijlmiddelen, zoals (al of niet echt) ingezonden brieven, samenspraken en incidenteel poëzie.
De onderwerpen van de afleveringen worden steeds aangekondigd als ‘Over het woord …’, waar dan het betreffende onderwerp wordt ingevuld, bijvoorbeeld‘Geleertheit’, ‘Ligtgelovigheid’, ‘Makelary’, ‘Aardklootsdraijing’, ‘Held’, ‘Trouwen’, ‘Societeit’ – een willekeurige selectie uit de inhoud van het eerste deel. Overigens sneuvelt de aanduiding ‘het woord’ wel eens. Per ongeluk waarschijnlijk, maar begrijpelijk: ‘het woord’ betreft immers eigenlijk het onderwerp of is iets dat aanleiding geeft tot uiteenlopende overpeinzingen. Etymologische of taalkundige verhandelingen moet de lezer niet verwachten.
De toon van het blad is op zijn tijd inderdaad schertsend, niet boertig of grollig, wel soms sarcastisch. Allerlei opvattingen worden tegengesproken en gedragingen bekritiseerd, maar nooit ruzieachtig, laat staan scheldend. Ze willen ‘ernstige zaaken ernstig behandelen, en belachelyke op een schertzende manier’ (‘Aan den leezer’, deel 1). Hun oogmerk beschrijven de auteurs als volgt:

Het is niet genoeg op zyn Juvenaals de Roskam te bezigen; het is niet genoeg met de welsprekende bloemen van Cicero de uiterlyke wangestalte der Menschen te hervormen: geenzints, dus verre kwamen de Heidenen. Een Kristen Zedenmeester, behoort in alle zyne bedryven te betoonen dat hy een Kristen en bygevolg ook in staat is om Kristenen ter deugd op te leiden. (‘Bericht’, deel 2)

Tevens wordt de lezer verzekerd dat het niet de bedoeling is ‘deugdzaame Perzoonen te hoonen’ of zelfs ‘ondeugende Perzoonen’ te smaden. Als lezers menen in deze of gene beschreven figuur zichzelf of een specifieke ander te herkennen, is dat voor hun eigen rekening. 
Er zijn echter personen die de redactie wel degelijk herkenbaar, of zelfs onder hun naam, opvoert. Zo staat in nr. 1, ‘Over de geleerdheid’, een aantal geleerde heren beschreven, onder wie Hendrik Geldson, ‘kamergeleerde’, en Jan Keyl, een ‘geleerde en doortrapte Advocaat’. Deze heren zijn voor ons niet direct herkenbaar, maar in Hugo Manelud – een ‘onbegrypelyk hoog geleerd Man. Hy was Doctor in de Medecynen, en cureerde alle ziekten op een Astronomische wyze’ – is zonder probleem Ludeman te herkennen (later gaan nrs. 13 en 15 expliciet over ‘Doctor Ludeman’). Nr. 118, ‘Over het woord Opera’, betreft een rel op 31 maart 1761 in de Amsterdamse Schouwburg rond Anna Davia, een Italiaanse zangeres in het operagezelschap van Domenico d’Amicis, die beiden expliciet genoemd worden. Het lokte een anonieme boze reactie uit: Straf der libellisten, waar de Woordenboek-redactie op reageerde in nr. 121 (‘Over het woord Antwoord’).
In nr. 139 (‘Over het woord kyven’) wordt onder veel meer beweerd, dat verwijdering van de ‘Jonge Clerken, Comptoir Knegts, uit de groote Koopsteden’ zou helpen om ‘de koffyhuizen, en wynhuizen van Spreuwen en klappende Exters’ te verlossen. Ook dit kwam de redactie op een boos pamflet te staan: De kantoorknegts verdedigt van ene Ernestus Ironicus, in wie abusievelijk Elie Luzac wordt gezien.
Het woord ‘Toewyding’ geeft in nr. 102 aanleiding tot de nodige scepsis over het verschijnsel ‘Grafdichten’: ‘men vind op de graaven alomme Zerken, die met heerlyke lofdichten Pronken, en niets is verwonderlyker dan dat alle dooden […] deugdzaam, oprecht en loffelyk hebben geleeft; en zalig gestorven zyn’.
Aan sommige woorden zijn meerdere afleveringen gewijd, zoals aan ‘Geleerdheid’. De verschillende afleveringen over ‘Gedagtenis’ blijken een soort levensverhaal te behelzen van ene ‘Heer Ritsaard’, eigenlijk een mini-romannetje.

Relatie tot andere periodieken
In nr. 97 (‘Over de woorden Zout en Peper’) wordt indirect een vergelijking met de bladen van Weyerman gemaakt. Een Woordenboek-redacteur beluistert in een wijnhuis een gesprek tussen enkele heren. Een van hen zegt, dat van de ‘zedekundige Schriften’ die welke ‘uit de penne van Jacob Campo Weyerman gevloeid zyn’ hem het best bevallen. Maar, vraagt een ander, wat ‘dunkt myn Heer dan […] van het Zinryk en schertzend Woordenboek? Daar is, antwoorde de eerste spreeker, […] nog Zout nog Peper in’. De redacteur schrikt en vreest dat zijn collega’s tijdens zijn afwezigheid het schertsende aspect van het blad verwaarloosd hebben.

Exemplaren
¶ Amsterdam, Universiteitsbibliotheek (Bijzondere Collecties): O 60-2981-2983
¶ Full text deel 1, deel 2 en deel 3

Bronnen
¶ Een beminnaar van waarheid en gerechtigheid, Straf der libellisten, leugenaars en lasteraars; of verdeediging van de geheele Italiaansche natie in ’t gemeen, en de eer en ’t caracter van juffrouw Davia, in ’t byzonder door zeeker libel-schryver in no. 118. van het Zinloos Woordenboek, op een faamrovende en leugenachtige wyze gelasterd (Amsterdam, M. Magérus, 1761)
¶ Ernestus Ironicus, De kantoorknegts verdedigt, tegens de hooggaende lasteringen der schryveren van het zoogenaemd Zinryk en schertzend woordenboek. Wegens zekere periöde in hun vertoog van den 8sten september 1761. No. 139. Op het woord Kyven. In een’ ernstigen brief (Rotterdam, Gerrit van Rooye, 1761) [meegebonden in deel 3 van een ander Woordenboek-exemplaar: UvA/BC: O 74-4] 
¶ Zinryk en Schertsend Woordenboek. Prospectus, 1779 (UvA/BC: KVB PPA 616:2 (Holtrop))

Literatuur
¶ Ewoud Sanders en Nop Maas, Vrouw, zie ook Hemel en Hel. Humoristisch-satirische woordenboeken in Nederland in de 18de en 19de eeuw (Utrecht/Antwerpen 1994), p. 11-13
¶ A.J. Hanou, ‘Het Zinryk en Schertzend Woordenboek(1759)’, Thoth. Tijdschift voor Vrijmetselaren 43 (1992) 1, p. 20-26 [over nr. 38, ‘Over het Woord Vry Metzelaar’]
¶ P.J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), p. 64-65, 68.

Anna de Haas