Zwervende Mercurius (1755)

Titelbeschrijving
De Zwervende Mercurius.

Periodiciteit
Maandags weekblad, waarvan de eerste drie afleveringen bewaard zijn (7-21 april 1755). Er moeten echter ten minste acht nummers verschenen zijn, gezien advertenties in de Leydse Courant voor het blad tot en met nr. 8 (voor dit laatste nummer: op 26 mei 1755).
Aan het blad kwam een einde omdat de verkoop was tegengevallen. Bovendien had de uitgever in de Rotterdamse Courant van 10 juni 1755 verklaard dat lezers hem hadden geattendeerd op de ‘gestolene Bloemen uyt de Tuynen van Campo Weyerman’. Joachim Oudaen vierde het einde van de Zwervende Mercurius in zijn Faem, blaezende de ondergang van den Zwervende Mercurius (1755) als een heuglijk feit (SAR, bibliotheek II C 286).

Bibliografische beschrijving
Elke aflevering, in kwarto, telt 8 bladzijden. Het bewaard geblevene is gepagineerd 1-24. Elk titelblok bevat nummeraanduiding, titel, datum. De eerste drie afleveringen hebben daarna een motto uit een klassieke auteur (Juvenalis, Vergilius) dat betrekking heeft op het onderwerp van het nummer.

Boekhistorische gegevens
De meest uitgebreide colofon komt voor in nr. 2:

Te Rotterdam by Gerrit van Rooyen [‘Boekverkooper op de Blaek by de Beurs’, volgens nr. 1], en zyn alle Maendagen mede te bekomen te Amsterdam by K. van Tongerlo en F. Houttuyn; Harlingen, F. vander Plaets; Zwol, J. Clement; Haerlem, J. Bosch; Leide, P. vander Eyk; ’s Hage, de van Thols en P. Scheers; Delft, E. vander Smout; Gouda, J. Staal; Dort, A. Blussé; Utrecht, J. Besseling; Middelburg, P. Gillissen; Bergen op Zoom, J. vander Linden: enz. enz.

Volgens de advertenties was de prijs twee stuivers.

Medewerkers
De identiteit van de anonieme auteur werd door zijn uitgever prijsgegeven in de Rotterdamse Courant van 10 juni 1755, waarin tevens de beweegredenen voor het stopzetten van het blad uit de doeken werden gedaan: de Rotterdamse belastingambtenaar Johannes VAN DER HEY (1726-1812/13).
Deze toont zich een goede lezer van de satirische auteurs Hendrik Doedijns en Jacob Campo Weyerman, niet alleen wegens de keuze van zijn onderwerpen maar ook in de overname van hun originele stijl, karakteristiek door originaliteit (nr. 1 opent: ‘Een Boek zonder voorreden is gelyk een Huis zonder voorgevel’) of complexiteit: ‘Om zes duiten te sparen, smyt men wel eens tien Last grooten Brandharing, in de grondeloozen Poel eens Advocaets of Procureurs beurs.’ (p. 11).
Met genoemde auteurs komt eveneens overeen de minachting voor domme lezers: ‘Wy begeeren absoluut niet gelezen te worden, als van hen, wiens smaek overeenkomstig onze styl is’ (p. 3). Die goede lezers mogen wel in correspondentie treden.
Van der Hey is goed bekend met de vrijmetselarij en met de ‘Adonirams knegten die ’t ligt gezien hebben’. Overigens lijkt hij vage verwijzingen te geven naar een door hem in 1748 geschreven mercuur, waarna hij vertrokken was. Na de onthulling van zijn naam werd hij ontslagen.

Inhoud
De onderwerpen zijn: de wulpsheid van de eeuw; overspel; een erotisch schilderij dat hoorndragers bespot.
In de Leydse Courant van 5 mei 1765 wordt het komende nr. 6 als volgt aangekondigd:

Toekomende Maandag zal Mercuur zyn Incisie-mes en en Nyptang eens proberen die Ziel-loze Advertentie op laatstleeden Dingsdag in de Rotterdamsche Courant gedaan, eens zindelyk te anatomiseren.

En na verschijning van dat nr. 6 heet het, op 9 mei 1755,

In welk Vertoog de Autheurs hunne beloftens in het laatste Vertoog, mitsgaders in de Leydse Courant van laatstleeden Maandag gedaan, exact nakomen, en hun incisimes wat scharper dan na gewoonte hebben doen aanzetten, op dat zy hunne te doene Ontlediging regt, zindelyk en zonder kwetzing van eenige partyen [..] konde volbrengen.

De eerste aflevering gebruikt nog, na de hoofdtekst, een verdere indeling onder de kopjes ‘Courant stof’, ‘Waerschouwingen’ en ‘Advertenties’. Die indeling wordt in de volgende nummers niet of nauwelijks gehandhaafd.
Er zijn vrij veel noten, in de trant van Weyerman.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 311 F 27 (nrs. 1-3)
Full text

Literatuur
¶ Ton Jongenelen, ‘“De geessel der hedendaagsche paskwillanten”. Johannes van der Hey als pamfletschrijver’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 38 (2015), p. 140-148
¶ Ton Jongenelen, ‘“Als niet komt tot iet, is het allemans verdriet”. De verzekeraar Johannes van der Hey’, in: De Achttiende Eeuw 46 (2014), p. 69-86.

André Hanou
bijgewerkt 8-3-2018