Janus Verrezen (1795-1798)

Titelbeschrijving
Janus Verrezen.

Periodiciteit
Het blad verscheen wekelijks op maandag (156 afleveringen) van dinsdag (!) 7 april 1795 t/m maandag 2 april 1798 (Numerus ultimus), met een extra aflevering na nr. 8, op maandag 25 mei 1795.
Hoewel het openingsnummer dinsdag 7 april 1795 als datum heeft, was het al volgens aankondigingen in de krant (onder meer in Oprechte Haarlemsche Courant van 2 april 1795) op maandag 6 april verkrijgbaar. Verschillende afleveringen en artikelen beleefden een tweede druk; zie bijvoorbeeld Saakes’ Naamlijst deel 2 (november 1795), p. 195.

Bibliografische beschrijving
De afleveringen tellen elk acht pagina’s in kwartoformaat. De nummering van de afleveringen en pagina’s begint elke jaargang opnieuw.
Het titelvignet van de Janus Verrezen was eerder, met dezelfde beschadigingen, ook voor Janus 1787 gebruikt. Drukker en uitgever Barend Onnekink te Leiden, wiens naam in beide colofons voorkomt, zal het plaatje hebben bewaard en beschikbaar gesteld aan Janus Verrezen.

Boekhistorische gegevens
De meeste afleveringen van Janus Verrezen worden afgesloten met een ‘stoklijst’, colofon. Zoals de meeste politieke bladen was Janus Verrezen te koop in Utrecht, Den Haag, Leiden, Amsterdam, Haarlem, Rotterdam, Alkmaar ‘en alöm elders’, zodat voornamelijk de Randstad werd bediend. De stoklijst maakt een stabiele indruk, die in drie jaar nauwelijks wijzigde.
De colofon van het openingsnummer vermeldt:

Deze Nommers worden alle Maandagen vervolgd, en uitgegeven te Utrecht bij de Wed. Terveen en Zoon; ’s Hage van Cleef en Leeuwestyn; Leyden Honkoop en Onnekink; Amsterdam Holtrop, J.W. Smit, ten Brink, Kuyper en van Vliet; Haarlem Plaat en Loosjes; Rotterdam D. Vis, v.d. Dries, en Pols; Alkmaar Hand, en verder in de overige Provintien à 1 en één halve Stuiver.

De Utrechtse uitgever Weduwe Terveen en zoon voert weliswaar de stoklijst aan, maar het is niet zeker of de firma ook werkelijk de belangrijkste drukker en uitgever van het blad was. Mogelijk was dit de Amsterdammer Jan ten Brink Gerritszn., die eveneens in de stoklijst wordt vermeld, aangezien hij tevens publicaties verzorgde van Johannes Kinker, een van de schrijvers van Janus Verrezen.
De winkels van Honkoop, Barend Onnekink te Leiden, Leeuwenstyn in Den Haag, Van de Dries te Rotterdam en Terveen te Utrecht fungeerden zowel als verkooppunten als correspondentieadressen (Janus Verrezen, deel 1, p. 16).
De prijs per aflevering bedroeg 1½ stuiver (deel 1, p. 4); vanaf nr. 9 wordt er 2 stuivers gevraagd (deel 1, p. 44). Het speciale nr. 30, met illustratie, kostte 2½ stuiver. In december 1795 werden de nrs. 1-39 voor f 3:12:0 aangeboden en in december 1796 de nrs. 40-91 voor f 5:3:0 (Saakes, deel 2, p. 207 en 309).

Medewerkers
Onmiddellijk na de eerste aflevering van Janus Verrezen verschenen er advertenties in de kranten, waarin enkele bekende auteurs iedere bemoeienis als redacteur of medewerker van Janus Verrezen categorisch ontkenden: zoals Petrus de Wacker van Zon (1758-1818), die de belangrijkste redacteur van Janus 1787 was geweest, en Wilhelmus van Irhoven van Dam (1760-1802), de man achter onder meer de Courier van Europa.
Wie werkten dan wel mee aan de Janus V? De (onbekende) schrijver van De Vraag-Al zegt op grond van een illustratie in Janus Verrezen te weten wie de auteur is; een schrijver of medewerker van Janus Verrezen antwoordt dat herkenning mogelijk is. Helaas worden er in beide bladen geen namen genoemd.
Wie de redactie van Janus Verrezen vormden – het is vrijwel zeker een meerkoppig gezelschap – is niet duidelijk. Op grond van indirect maar aannemelijk bewijs heerst er wel communis opinio over één medewerker: Johannes KINKER (1764-1845). Kinkers medewerking aan Janus Verrezen is in ten minste één geval aannemelijk; de componist Carel A. Fodor (1768-1846) componeerde de muziek voor het Wiegenlied [by de nieuwgeboore Constitutie van Vrankrijk] (1795); Kinker schreef er een satirische tekst voor (deel 1, p. 118-119).
Tot de meest voorkomende correspondenten van Janus verrezen behoorden zekere Sincerus (deel 2, p. 188-189) en De overzeese Babyloniër, die zich ook de ‘Waterlandse Babilonier’ noemt (deel 1, p. 236-237; deel 2, p. 20). Mogelijk zijn de laatste twee identiek en gaat de Friese federalist Jacobus SCHELTEMA (1767-1835) achter deze pseudoniemen schuil.

Inhoud
De Janus Verrezen is na De Nederlandsche Spectator (met de Bril) (1786-1787) en Ismaël (1788-1789) het derde blad dat zich nadrukkelijk als ‘wettig’ opvolger van Janus 1787 afficheert.
Naast dit formele argument zijn er ook inhoudelijke overeenkomsten tussen beide weekbladen. Zo hekelt Janus Verrezen ook Klaas Momus, met wie Janus 1787 wekenlang in de clinch lag. Bovendien vinden we in Janus Verrezen soms dezelfde artikelen die ook in Janus 1787 stonden. Janus Verrezen gaat er zelfs zonder meer van uit dezelfde figuur te zijn als de Janus uit 1787. Hij spreekt bijvoorbeeld over ‘mijn vorig werk’ (deel 1, p. 10, 26), waar hij een reactie op een brief in Janus Verrezen voortzet.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat opmaak, naamgeving, rubrieksindeling, advertenties, reisbeschrijvingen, scheeps- en beursberichten, ossianachtige bijdragen, ironische en satirische procédés zijn geïnspireerd op Janus 1787. Er is een nieuwe rubriek: ‘Militaire nouvelles’ (deel 1, p. 74). Ondanks deze ondubbelzinnige pretentie is de redactie van Janus Verrezen buitengewoon inventief en creatief in het vinden van effectieve stijlmiddelen om de ‘nieuwe tijd’ te verslaan.
Ook in Janus Verrezen zelf wordt regelmatig gerefereerd aan de Janus van 1787 (deel 1, p. 321). Zoals in meer politieke bladen uit die tijd hekelt de redactie alles en iedereen, maar zelden noemt zij man en paard. Wel komen verschillende politieke groepingen (‘secten’ of ‘factien’) ter sprake, met typerende namen als Kiriaks, Fantasiaanen, Holálálanen of Verzoeners. De betekenis van ‘provisioneel’ wordt met ironische varianten opgerekt (deel 1, p. 8).
De redactie richt zich inhoudelijk op het feilen van de eeuwenoude politiek-maatschappelijke structuur van de Republiek die in de laatste twee decennia van de achttiende eeuw grote maatschappelijke, godsdienstige en ideologische veranderingen onderging. De eerste aflevering verscheen op het moment dat het Franse leger de Republiek had bezet en de patriotten, die zich nu Bataven noemden, gelegenheid gaf overal in het land provisorische lokale gekozen besturen te formeren. Niet alleen deze verkiezingen, op zichzelf al een unicum in de Republiek, maar ook de bestuurlijke herinrichtingen gingen gepaard met grote veranderingen op cultureel-maatschappelijk terrein, van gelijkberechtiging van minderheden tot opheffing van de gilden.
Drie jaar lang, langer dan de meeste andere politieke bladen in die tijd, vervult de redactie een soort gidsfunctie in dit maatschappelijke bewustwordingsproces, waarvan zij wekelijks op ironische, satirische en ernstige wijze verslag doet. Schijnheiligheid wordt genadeloos afgestraft. ‘Pseudopatriotten’ (deel 1, p. 11) worden scherp gehekeld.

Het leesmilieu van Janus Verrezen was van hybride aard, maar ongetwijfeld vormden degenen die de politiek in de Republiek nauwlettend volgden, een deel van het leespubliek. Er zijn verschillende passages in Janus Verrezen waarin de redactie en/of correspondenten zich lijken te richten op een publiek van bekenden.
Janus Verrezen sprak waarschijnlijk al diegenen aan die op enigerlei wijze waren betrokken bij veranderingen in de samenleving die niemand kon ontgaan: boeren, studenten, katholieken, regenten, immigranten, lokale regenten, juristen, mannen, vrouwen. Nauwelijks iemand met welk beroep, functie of overtuiging ook kon zich afzijdig houden van de worsteling die aan de veranderingen voorafgingen. Het is bekend dat het niet-gealfabetiseerde deel van het volk thuis, bij de buren, in de kroeg of in het koffiehuis werd voorgelezen en aldus in de gelegenheid werd gesteld zijn mening over de ontwikkelingen te vormen (zie bijvoorbeeld deel 1, p. 236-237). Andere passages sluiten echter de sociale onderlaag uit als Janus Verrezen-publiek (deel 3, p. 3).

De overeenkomsten tussen Janus (1787) en Janus Verrezen werden al meteen opgemerkt bij het verschijnen van het laatste blad. De Utrechtse kronikeur Hendrik Keettel wees bijvoorbeeld na het uitkomen van het openingsnummer van Janus Verrezen in april 1795 meteen op de naamgenoot uit 1787. Hij schreef dat in die maand

ook het weekblad Janus kwam, dat in den jaare 1787 zoveel geruchts gemaakt had, weer in het licht, onder den titel van Janus verrezen. Hetzelve spaarde nog persoon nog oorsaak, en wierd nogtans ongestoort toegelaten.

Al in eigen tijd werd de redactie van Janus Verrezen (en Janus 1787 tijdens zijn verschijning ook al) verweten dat sommige artikelen moeilijk, soms te moeilijk te begrijpen waren. Bepaalde verwijzingen, ‘innuendos’ en naamgrappen waren hier debet aan. Hoewel de culturele kennis van de gemiddelde achttiende-eeuwse lezer niet onderschat moet worden, en breder en op sommige terrein (zoals klassieken en bijbel) grondiger was dan thans wel eens wordt verondersteld, zal Janus Verrezen door de moeilijkheidsgraad verschillende categorieën lezers hebben uitgesloten.
Omgekeerd moest een Janus Verrezen-auteur om veiligheidsredenen soms zijn toevlucht nemen tot cryptische teksten als hij bepaalde boodschappen wilde overbrengen. Want ondanks de ogenschijnlijke vrijheid van pers kon in deze risicovolle tijd niet alles worden gezegd.

De eerste twee jaargangen zijn sprankelend. De redactie reageert scherp op nieuwe politieke uitwassen, hekelt eigenbelang (een constante in politieke tijdschriften) en ironiseert het gedrag van personen als zij daartoe aanleiding vindt. Al tijdens de eerste jaargang verwoordt correspondent Overzeesche Babiloniër zijn teleurstelling over de naar zijn mening benedenmaatse kwaliteit van verschillende afleveringen. De redactie verdedigt zich door te stellen dat het tegenwoordig veeleer een kunst is om geen satire te schrijven en dat het niet de bedoeling is om ‘kunstig’ te zijn (deel 1, p. 237).
In juni 1797 verzoekt een onbekende correspondent de redactie niet alleen maar ‘amusant’ te zijn, maar ook eens een politiek standpunt in te nemen. Hij verbaast zich erover dat de redactie temidden van talloze facties toch kans ziet de ‘bestendige onzijdigheid in ’t midde’ te houden. De redactie schrijft dat zij net als voorganger Janus 1787 boven de partijen wil staan.
Maar de kritiek houdt aan (deel 2, p. 101-105) en zal uiteindelijk leiden tot het einde van het blad.

Relatie tot andere periodieken
Janus Verrezen behoort tot de jani, de grootste en interessantste politieke weekbladfamilie van de achttiende eeuw, waarvan de bladen in personele (= redactionele) of inhoudelijke zin met elkaar verwant zijn. De ‘stamvader’ is het weekblad Janus, dat tussen 1 januari en 20 augustus 1787 verscheen. Andere op- en navolgers zijn Arke Noachs (1799-1800), Sem, Cham en Japhet (1800) en een reeks andere jani, die tussen 1800 en 1806 verschenen. De bladformule is tussen 1787 en 1806 herhaaldelijk gekopieerd of met kleine wijzigingen voortgezet.
De reactie op Janus Verrezen in de vorm van het pamflet Aanmerkingen over de dagbladen van Janus verrezen (1795) is tot op heden niet teruggevonden. Saakes noemt het werk in zijn Naamlijst (deel 2, november 1795, p. 195): het zou zijn uitgegeven te Den Haag bij Johan Plaat.

Exemplaren
¶ Arnhem, Bibliotheek Arnhem: signatuur B 146
¶ Full text deel 1deel 2deel 3 en deel 4

Bronnen
Oprechte Haarlemsche Courant van 2 april 1795
De Vraag-Al nr. 274 (1795), p. 106.

Literatuur
¶ André Hanou, ‘“Goede morgen, landgenoten!” Opmerkingen over het leesmilieu van de Janus Verrezen (1795-1798)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 34/2 (2011), p. 168-181
¶ P.W. van Wissing, Stokebrand Janus 1787. Opkomst en ondergang van een achttiende-eeuws satirisch politiek-literair weekblad (Nijmegen 2003)
¶ A.J. Hanou, ‘Iets over de auteur(s) van de Janus (1787) en de Janus Verrezen (1795-1798)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 14/2 (1991), p. 47-56 en 14/3 (1991), p. 71-82
¶ A.J. Hanou, ‘De literator als politiek commentator. Het geval: Janus (1787)’, in: Spektator 19 (1990), p. 35-72
¶ A.J. Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting in de vrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845 (Deventer 1988).

Pieter van Wissing