Utrechtse Courant (1743-1795; 1797-1942; 1946-1982)

Titelbeschrijving
¶ Utrechtse Courant (1743-1774)
¶ Utrechtsche Courant (1774-1795; 1797-1811); incidenteel Extra Ordinaire Utrechtsche Courant
¶ Gazette d’Utrecht / Utrechtsche Courant (1811)
¶ Affiches, Annonces et Avis Divers d’Utrecht / Advertentiën, Aankondigingen en Berigten van Utrecht (1811-1813)
¶ Utrechtsche Courant (1813-30 maart 1840)
¶ Utrechtsche Provinciale en Stads-CourantAlgemeen Advertentieblad (1 april 1840-30 december 1853)
¶ Utrechtsche Provinciale en Stads-CourantAlgemeen Advertentie-Blad (2 januari 1854-31 december 1862)
¶ Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk DagbladAlgemeen Advertentie-Blad (1 januari 1863-7 juli 1897)
¶ Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (8 juli 1897-31 december 1927)
¶ Utrechtsch Prov. en Sted. Dagblad (1 januari 1928-19 oktober 1935 (ochtendblad))
¶ Utrechtsch DagbladDagblad voor Midden Nederland (19 oktober 1935 (avondblad)-28 februari 1942).
Na de Tweede Wereldoorlog verschijnt de krant in samenwerking met Het Parool. Dit komt tot uitdrukking in de ondertitels. Eerst heet de krant Nieuw Utrechtsch Dagblad: uitgave van de Stichting Het Parool (16 februari 1946-30 april 1947) en Nieuw Utrechts Dagblad: uitgave van de Stichting Het Parool. (1 mei 1947-3 januari 1948), daarna Nieuw Utrechts Dagblad: uitgave N.V. De Nieuwe Pers (5 januari 1948-15 juli 1948), Nieuw Utrechts Dagblad (16 juli 1948- 7 januari 1977), en Nieuw Utrechts Dagblad: Het Parool (8 januari 1977-10 april 1982). Na een kortstondig verschijnen als Het Parool: Nieuw Utrechts Dagblad (12 t/m 17 april 1982) is de krant definitief opgegaan in Het Parool en als zelfstandige titel van de markt gehaald.

Periodiciteit
Omdat er van de eerste 7 nrs. van de Utrechtse Courant geen exemplaar bewaard is gebleven, moet de aanvangsdatum worden gereconstrueerd. Zo is nr. 8 gedateerd vrijdag 24 januari 1744 en verscheen de krant t/m nr. 27 (maandag 30 maart 1744) alleen op maandag en vrijdag. Dat wijst erop dat nr. 1 is verschenen op maandag 30 december 1743.
Vanaf woensdag 1 april 1744 verscheen de krant (behoudens in verbodsperiodes) tot einde 1853 drie keer per week: op maandag, woensdag en vrijdag. Pas vanaf 1 januari 1854 is de frequentie dagelijks, met uitzondering van de zondagen. Incidenteel wordt aangekondigd dat vanwege een algemene dank-, vast- en bededag de volgende krant een dag eerder dan normaal zal worden uitgegeven, maar de vervroegde krant draagt dan toch de periodieke verschijningsdatum, en niet de vervroegde. Zo wordt op maandag 17 maart 1788 gemeld dat de krant van woensdag reeds ‘morgen’ zal worden uitgegeven, maar op het volgende nummer staat gewoon ‘woensdag den 19. Maart’. 
Bij voldoende bijzonder nieuws werd een Extra Ordinaire Utrechts(ch)e Courant uitgegeven. Zo’n krant kon aanvullend op een gewone verschijningsdag worden uitgebracht, maar verscheen meestal op een tussendag. Uitzonderlijk is het verschijnen van extra uitgave op 22 december 1805, wat een zondag was: aanleiding was de uitkomst van de Slag bij Austerlitz. Het nieuws daarover is uit een Franse krant overgenomen.
In de loop der tijd heeft de krant meerdere waarschuwingen gekregen, meestal na klachten van buitenlandse mogendheden. Uiteindelijk is de krant na de Bataafse omwenteling in 1795 verboden en de orangistische courantier uit die dagen op een zijspoor gezet. Op 3 april 1797 keerde de Utrechtsche Courant terug, nadat twee boekverkopers die wel recht in de patriotse/Bataafse leer waren, het octrooi voor de krant hadden verkregen.
Na de inlijving van de Republiek bij Frankrijk op 9 juli 1810 waren de naamswijzigingen het gevolg van de napoleontische perswetgeving. Allereerst werd de krant tweetalig: met ingang van 1 februari 1811 luidt de titel Gazette d’Utrecht /Utrechtsche Courant. 
Vervolgens werd bij keizerlijk decreet vastgesteld dat er nog slechts één nieuwsblad en vier advertentie- en mededelingenbladen per departement mochten verschijnen. Nadat de provincies Utrecht en Noord-Holland waren samengevoegd tot het departement Zuiderzee, werd de Courier van Amsterdam (1810-1811) omgedoopt tot Feuille Politique du Département du Zuiderzee / Staatkundig Dagblad van het Departement der Zuiderzee (1811-1813) en werd de Utrechtsche Courant een van de (tweetalige) advertentiebladen. Vanaf 2 december 1811 voerde de krant als titel: Affiches, Annonces et Avis Divers d’Utrecht / Advertentien, Aankondigingen en verschillende Berigten van Utrecht.
Op 1 december 1813, na het vertrek van de Fransen, was de Utrechtsche Courant terug.

Bibliografische beschrijving
De Utrechts(ch)e Courant bestaat uit een tweezijdig bedrukt vel folio. Het papierformaat wisselt. Volgens de bibliotheekcatalogus van Het Utrechts Archief vond tussen 30 maart en 15 april 1774 (de tussenliggende nummers ontbreken) tegelijk met de naamswijziging van Utrechtse Courant in Utrechtsche Courant ook een wijziging van het formaat plaats. Eerst is de krant 39 cm hoog, van 1774 tot 1840 is de hoogte 43 cm, terwijl de exemplaren van de jaargangen 1805 en 1806 zelfs tot 45 cm hoog zijn. Ook de tweetalige Gazette d’Utrecht zag er zo uit, waarbij dan wel altijd de linker kolom een Franse vertaling van de tekst in de rechterkolom bevat, en alle advertenties in twee kolommen (tweetalig) zijn afgedrukt. De Affiches, Annonces et Avis Divers d’Utrecht heeft een afwijkend formaat: voor deze krant zijn op een kwartslag gedraaid vel twee pagina’s naast elkaar afgedrukt, waarbij dan de paginahoogte ca. 23 cm is.
Al in het eerste jaar van de Utrechtse Courant werd de lay-out gewijzigd. Steeds is de tekst in twee kolommen afgedrukt; de afsluitende advertenties zijn in één kolom gezet. Maar al snel werden de marges – uitzonderingen daargelaten – gebruikt om de broodtekst een kwartslag gedraaid te laten doorlopen (op de voorzijde rechts, op de keerzijde links van de hoofdtekst).
Als er voldoende kopij was, kon er een dubbelnummer op de markt gebracht worden. Daarvan verschenen er enkele per jaar, maar met de toenemende politieke onrust van de jaren 1780 nam het aantal dubbelnummers toe. Vrijwel altijd wordt onder het titelblok vermeld dat het dubbelnummer ‘voor de ordinaris prys’ (in 1786 ook wel: ‘voor den gewoonen prys’) werd uitgegeven; in 1787 werd op sommige dubbelnummers niets over de prijs vermeld. In 1787 verscheen er meermalen een dubbelnummer van de Extra-ordinaire Utrechtsche Courant, waarop onder het titelblok juist stond dat deze wél ‘voor het Dubbeld van den gewonen Prys’ werd uitgegeven.
Soms werd er een Na-Courant (ook wel: Vervolg of Byvoegsel) uitgebracht: doorgaans is die enkelzijdig bedrukt en is de marge blanco. Uitzonderlijk is de Extra-ordinaire Utrechtsche Courant van ‘Dingsdag, den 1 Augustus 1786’, een dubbelnummer mét bijvoegsel, tegen de dubbele prijs van een gewone courant.
Vanaf de start in 1743/1744 wordt het titelblok opgesierd met het gekroonde wapen van de stad Utrecht, geflankeerd door twee leeuwen.

Al na enkele maanden wordt de ruimte voor het titelblok ingeperkt door het verschijnen van in de marge afgedrukte tekst, al duurt het nog jaren voor dit in ieder nummer het geval is.

De ornamentiek en de houding van de leeuwen worden in de loop der jaren enkele keren aangepast. Voor de eerste keer gebeurt dat in 1746.

De oude afbeelding blijft echter wel nog jaren in gebruik voor Na-couranten.

Vervolgen van de krant hebben een eenvoudig titelblok zonder afbeelding van het stadswapen.

Hetzelfde geldt voor Extra-ordinaire uitgaven van de krant. In zo’n titelblok wordt wel altijd dag en maand, maar niet altijd het jaar aangegeven.

Bijzonder is de Extra-ordinaire Utrechtsche Courant van donderdag 17 mei 1787. Deze krant, die verslag doet van de begrafenis van de schutters die waren gesneuveld in het gevecht aan de Vaart tegen de orangistische troepen, is voorzien van een zwarte rouwrand.

Er zijn ook enkele bijvoegsels bij gewone en bij Extra-ordinaire kranten uitgegeven. Ook die hebben een sterk vereenvoudigd titelblok. Zie bijvoorbeeld

en

Op 10 mei 1773 is er weer een nieuw ornament als titelvignet en gaan de leeuwen door de knieën:

Op 3 januari 1774 komt het oorspronkelijke ontwerp terug:

Al op 1 januari 1776 wordt er weer een volledig nieuw ontwerp geïntroduceerd.

Met ingang van 1785 is er wéér een nieuw ontwerp:

Extra-ordinaire Couranten heten met ingang van 1788 kortweg Extra-courant. In het titelblok van deze uitgaven is wél het vignet met het stadswapen opgenomen. De uitgave van 18 september 1788, uitgebracht om te herdenken dat Utrecht een jaar daarvoor in orangistische handen was gevallen, heeft bovendien een versierde omlijsting op beide pagina’s.

Uitzonderlijk is het opnemen van een illustratie in de krant van 15 december 1788, van een (Pruisisch?) legerkampement.

In 1793 heten extra kranten weer voluit Extra-ordinaire Utrechtsche Courant en hebben het stadswapen in het titelblok. Ook de Na-couranten en Byvoegsels krijgen nu in het titelblok het vignet met stadswapen.

Vanaf 26 januari 1795 worden aan alle titelblokken de woorden ‘VRYHEID GELYKHEID BROEDERSCHAP’ toegevoegd. Ook wordt vermeld welk jaar van de ‘Bataafsche vryheid’ het is.

Bij de herstart op 3 april 1797 wordt direct in het titelblok een nieuw stadswapen als titelvignet gebruikt. Opmerkelijk is dat de oude leuze gewijzigd is in ‘GELYKHEID. VRYHEID. BROEDERSCHAP’ en dat die voortaan boven het titelblok wordt geplaatst.

Vanaf 20 november 1801 is het revolutionaire animo bekoeld en zijn de revolutionaire leus en de aanduiding van het aantal jaren ‘Bataafsche Vryheid’ geschrapt.

Op 1 februari 1811 wordt de krant tweetalig: de linker kolom is Franstalig, de rechter Nederlandstalig, waarbij de inhoud van de teksten links en rechts overeenstemt. De titel van de krant wordt Gazette d’Utrecht / Utrechtsche Courant.

Merkwaardig is, dat het Byvoegzel tot de Utrechtsche Courant van 2 september 1811 weliswaar tweetalig is, maar alleen een titelblok in het Nederlands heeft.

Op 2 december 1811 krijgt het tweetalige blad een nieuwe naam: Affiches, Annonces et Avis Divers d’Utrecht / Advertentien, Aankondigingen en verschillende Berigten van Utrecht. Met zo’n lange naam werd er niet direct ruimte voor het stadswapen gevonden. 

Maar op 4 december 1811 is het ruimteprobleem al opgelost en is het stadswapen terug. Het titelblok blijft zo t/m 30 april 1813.

Byvoegsels bij de krant verschenen de gehele Affiches-periode zonder stadswapen.

Met ingang van 3 mei 1813 is het stadswapen uit het titelblok verdwenen – reeds in 1811 waren de stadswapens buiten werking gesteld – en ziet de krant er weer zo uit als op 2 december 1811. Vanaf 1 december 1813 heet de krant weer Utrechtsche Courant. Het titelblok is zoals het op 20 november 1801 was ingevoerd.

Boekhistorische gegevens
De krant werd uitgegeven en gedrukt in Utrecht. Het stadsbestuur bepaalde bij het uitgeven van een octrooi altijd dat het de enige krant was die in Utrecht mocht worden gedrukt. Voor het octrooi moest de courantier jaarlijks een recognitie aan de stad betalen.
Anzelmus Muntendam (†1760) verzocht op 7 oktober 1743 de Utrechtse vroedschap om een octrooi, dat hem op 18 november 1743 werd verleend. Hij gaf de krant uit tot aan zijn overlijden, rond 1 juli 1760. 
Daarna diende Elisabeth van der Swaluwe, de weduwe van Muntendam, een rekest in bij de vroedschap om het octrooi toe te kennen aan Herman Baek, een zoon uit haar eerste huwelijk met Johan Baak (†1720). Ook Jacobus de Jongh jr. (†1773), een van de redacteurs van Muntendam en ooit, als minderjarige nog, medewerker van de ‘s Gravenhaegse Courant, diende zo’n rekest in. Op 2 maart 1761 wees de vroedschap hem het octrooi toe. Daarbij werd hem wel een jaarlijkse betaling aan de weduwe Muntendam opgelegd.
Na het overlijden van De Jongh jr. op 17 september 1773 diende op 4 oktober 1773 de courantier van de Gazette d’UtrechtClaude Isaac Peuch (1758-1782), een rekest in om het octrooi op de Nederduitse Utrechtse Courant te verkrijgen. De vroedschap wees het hem op 18 oktober toe, onder voorwaarde van een periodieke betaling aan de weduwe van De Jongh jr. Nadat Peuch eind juli 1781 met de noorderzon was vertrokken, bleef de krant verschijnen (op twee nummers na). Dat gebeurde onder het toezicht van de twee curatoren van de boedel van Peuch. 
Op 18 februari 1782 gunde de vroedschap het octrooi aan Gerrit Nieuwenhuis (geboren in Enschede op 14 februari 1761, overleden in Utrecht op 7 juli 1829), met ook ditmaal als voorwaarde het betalen van een uitkering aan de weduwe De Jongh jr. Nieuwenhuis haalde in april 1785 de doopsgezinde predikant Cornelis de Vries (1740-1812), die eerder samen met Christiaan van Pesch zijn voogd was geweest, als compagnon binnen. Uit de notariële akte die daartoe werd opgesteld, blijkt dat de eerste 2.000 gulden die de krant jaarlijks zou opbrengen voor Nieuwenhuis waren. De resterende opbrengst was voor De Vries. Mocht dit bedrag de 4.000 gulden overschrijden, dan werd het overschot eerlijk gedeeld. Er werd tevens een aparte afspraak gemaakt over de oplage, waarbij het aantal kranten werd uitgedrukt in ‘boeken’ (à 50 exemplaren). Mocht de oplage zakken onder de 20 boeken (1000 stuks), dan zouden de compagnons hercontracteren.
Op 16 september 1787 viel Utrecht in Pruisische handen. De Utrechtsche Courant bleef nog wel tot 29 oktober verschijnen, maar de patriot Gerrit Nieuwenhuis moest zijn courantierschap beëindigen. Hij was al op 18 september gevangen gezet op Hazenberg, het cellencomplex in het stadhuis. Weliswaar werd hij na enkele verhoren dezelfde of de volgende dag weer vrijgelaten, maar de nummers van na 16 september verschenen zonder een courantiersnaam in het colofon. Op 25 oktober werd Nieuwenhuis en De Vries het octrooi afgenomen door de nieuw aangetreden orangistische vroedschap. 
Intussen (18 oktober) had Jacobus de Vaals, namens de orangist Johannes Olivier (1751-1808), gesolliciteerd naar het octrooi op de Utrechtsche Courant. Olivier had als courantier reeds ervaring opgedaan met de Geldersche Historische Courant (1786-1787). Op 29 oktober wees de vroedschap Olivier het octrooi toe. Ook hij moest de periodieke betalingsverplichtingen aan weduwe De Jongh jr. nakomen. Olivier hervatte de publicatie van de Utrechtsche Courant op 1 december 1787. 
Na de Bataafse omwenteling van januari 1795 probeerde Olivier zijn toon aan te passen aan het nieuwe bewind, maar het was wachten op het moment waarop hij in ongenade zou vallen. Begin mei 1795 was het zo ver. Op 1 mei 1795 werd Olivier bij het stadsbestuur ontboden om uit te leggen hoe hij het bericht had kunnen plaatsen dat Pruisische troepen klaar stonden voor een nieuwe inval in Nederland. Zo’n bericht riep natuurlijk herinneringen op aan de gebeurtenissen van september 1787 en kon onrust onder de bevolking zaaien. Olivier voerde als verweer aan dat hij het bericht had overgenomen ‘uijt de Hamburgeer Courant alsmeede uijt de Overijsselsche’, maar daarmee namen de stadsbestuurders geen genoegen. Toen twee dagen later bij hen over hetzelfde bericht een klacht binnenkwam van het Comité van Waakzaamheid van de stad Amsterdam, werd per omgaande geantwoord dat de zaak al in handen was gesteld van de Publieke Aanklager. Olivier werd, net als zijn voorganger, op Hazenberg gevangen gezet en verhoord. De Raad van Rechtspleging liet over deze zaak geen gras groeien. Olivier had toegegeven dat hij voor het uitbrengen van de krant weet had van de te publiceren berichten, en had beter moeten weten: dit bericht kon zowel in Utrecht als in Holland voor grote paniek zorgen. Overeenkomstig de door het provisionele bestuur afgekondigde plakkaten tegen oproermakers was de publicatie strafbaar. De Raad voor Rechtspleging veroordeelde de courantier al op 8 mei 1795 om ‘vervallen en verstoken te zijn van zijn recht en privilegie als uitgever en drukker der Utrechtschen Nederduitschen Courant’. Hij werd voor 12 jaar verbannen uit de stad Utrecht en het gehele gebied waarover de stad zeggenschap had. Ook diende hij de kosten van zijn hechtenis en proces zelf te betalen.
Gerrit Nieuwenhuis hoopte op een herkansing. De patriot verzocht het stadsbestuur of hij in zijn functie van stadscourantier kon worden hersteld en of hij een schadeloosstelling toegewezen kon krijgen voor zijn ontslag in 1787. Hij werd op 22 oktober 1795 doorverwezen naar het Comité van Algemeen Welzijn. Op 26 oktober was het advies al binnen en werd door de gemeenteraad overgenomen. Het stadsbestuur vond dat ‘daar er thans op geenerlei wijze een uitsluitend Privilegie kan worden geaccordeerd, den Requestrant het drukken der Utrechtsche Courant te permitteeren, en dat hem, zoo schielijk als mooglijk zal zijn, de uitkoomende Stadspublicatie en Ordonnantien zullen worden toegezonden’. Over een schadevergoeding wordt dus niets gezegd. Nieuwenhuis lijkt geen poging te hebben ondernomen om een niet-geoctrooieerde krant uit te brengen.
In 1797 oordeelde de gemeenteraad dat de Utrechtsche Courant toch weer moest verschijnen. Op 20 februari 1797 poetste het stadsbestuur het octrooi op en kende het toe aan de Utrechtse boekhandelaar Johannes van der Schroeff en de Dordtse drukker Jan de Leeuw. Een van de afspraken was wederom de periodieke uitkering aan de weduwe De Jongh jr. Het stadsbestuur had kennelijk over het hoofd gezien dat de Utrechtsche Courant van 8 april 1795 het overlijden van de weduwe gemeld had. Van der Schroeff en De Leeuw brachten hun eerste nummer op 3 april 1797 uit en loodsten de krant door de verplichte wijzigingen uit de Bataafse en Franse tijd. Zij bleven de krant tot na 1830 leiden.

In 1744 werden in het colofon van de nrs. 9 en 16 en meerdere daarop volgende nummers verkoopadressen genoemd: [Utrecht] A. Lobedianus; Amsterdam, J Rykhoff, Junior, over de trappen van de Beus-Sluis; Den Haag, Bloemendael; Rotterdam, Smithof; Dordrecht, Van Braem; Delft, Grauwenhaen; Gorcum, Goetzee; Gouda, A. Stael / Schobel; Haarlem, Bosch; Leiden, Bonk / Van Abcoude; Alkmaar, Koster Hermansz; Hoorn, Duin; Enkhuizen, Callenbach; Purmerend, Ophem; Middelburg, Morjou; Vlissingen, Paeyenaer; Goes, [de weduwe] Visser; Den Briel, Verhell; Maassluis, Van Damme; Arnhem, Nebe; Nijmegen, Haymans; Deventer, Steynford; Zwolle, Van Straten; Kampen, Bomené; Harderwijk, Brinkink; Zaandam, Keetel; Breda, Van den Kieboom; Amersfoort, Pannekoek, ‘en voorts in de andere Provintien en Steden aen de Post-Comptoiren’.
In de woelige jaren ’80 werden enkele keren wijzigingen van verkoopadressen direct onder het titelblok van de krant vermeld: Zutphen, alléén bij E.J. van Beest; Leeuwarden, J. Boltjes (27 december 1786), Den Haag, C. Plaat, die ook advertenties aannam (24 januari 1787), Delft, G. Verbeek (11 april 1787).
Van de afhandeling van de boedel van Peuch in 1781 is een lijst bewaard gebleven van schuldeisers en wat zij uitbetaald kregen. De volgende namen zijn of lijken die van boekhandelaren of uitgevers bij wie de krant mogelijk te koop was: J. van Diesbach, J. Enschedé en Zonen, de weduwe De Klopper, B. Wild, ‘Sebille, van Ketel en Wassenberg’, ‘Jordan en Zoon en Fouquet’, D. Kemink en Zoon, Hillebrand van Emenes, Hendrik Spruijt, J.C. ten Bosch, A. Stubbe.
Op 10 december 1787 geeft Olivier te kennen dat hij dezelfde adressen zal gebruiken als voorheen bij de Geldersche Historische Courant. Hij noemt als boekverkopers: Arends (Amsterdam), Van der Aa (Haarlem), Perk (Leiden), Poelman en Zoon (Delft), Poolman (Schiedam), Hake (Rotterdam), D’Agé (Den Haag), Van Braam (Dordrecht), Monte (Middelharnis), P. Gillissen en Zoon (Middelburg), Repelius (Tiel), Nyhoff (Arnhem), Van Bulderen (Zutphen), Van Goor (Nijmegen) en Jeltema (Leeuwarden) ‘en voorts aan de Postcomptoiren, op de meeste plaatsen in alle de Zeven Provincien en aanliggende landen’. 
Op 3 april 1797 staat een adressenlijst boven het colofon: Utrecht, J van der Schroeff Gz., Amsterdam, M. Schooneveld, in de Beursstraat; Haarlem, Van Walré en Comp.; Den Haag F. Sluiter / weduwe Diesbach; Delft, De Groot; Dordrecht, Blussé; Rotterdam, C. van den Dries, op de Blaak; Schiedam, Poolman; Gorcum, J. van der Wal; Arnhem, Troost; Nijmegen, Prager en Comp.; ‘en voords in de meeste plaatsen aan de Post-Comptoiren by wien ook de Advertentien voor dezelve, ter bezorging worden aangenomen’.

Over de prijs van de krant lijkt vrijwel niets te zijn vastgelegd. Vermoedelijk was die dezelfde als die van andere stedelijke couranten. In de vroedschapsnotulen van 10 januari 1774 valt te lezen dat de courantier Peuch voor de krant dezelfde prijs zou rekenen als zijn voorganger De Jongh jr., namelijk 5 gulden en 10 stuivers. Dat zal de prijs van een jaarabonnement zijn geweest; het wijst op een afleveringsprijs van 1 stuiver. Dit wordt bevestigd door de krant van 4 maart 1793, waarop vermeld staat dat deze samen met de Na-courant van zaterdag 2 maart wordt uitgebracht voor de gewone prijs van 1 stuiver. In januari 1814 waren er alleen nog abonnementen te krijgen; losse nummers werden niet meer verkocht. Een abonnement kostte, verzending en krantenzegels inbegrepen, 1 gulden per maand of 12 gulden voor een jaar.
Op 17 januari 1774 rekende Peuch voor advertenties 5 stuivers per regel, wat niet meer was dan de prijs voor een advertentie in bijvoorbeeld de Haarlemsche Courant. Blijkens een mededeling in de Utrechtsche Courant van 10 december 1787 waren de advertentiekosten toen inmiddels opgelopen tot 7 stuivers per regel. Op 3 januari 1814 waren de kosten van een advertentie 30 stuivers voor een, twee of drie regels, en 9 stuivers voor elke volgende regel. Advertenties en programma’s van genootschappen, die kennelijk in het tweekoloms-deel geplaatst werden, kostten 3 stuivers per regel. Voor geboorte-, trouw- en overlijdensberichten moesten 36 stuivers voor maximaal 6 regels en 6 stuivers voor elke volgende regel worden neergeteld. 

Medewerkers
Anzelmus Muntendam had vanaf het eerste nummer de redacteurs Jacobus de Jongh (†4 juni 1761) en diens zoon Jacobus jr. (†17 september 1773) in dienst. De Jongh sr. had meegewerkt aan de ’s Gravenhaegse Courant, maar had in 1739 Den Haag wegens financiële problemen moeten verlaten. Daarna had hij zich in Alphen a/d Rijn gevestigd, waar hij tot zijn transfer naar Utrecht de Post-Courant (1741-1743) uitgaf. Ongetwijfeld waren het vader en zoon De Jongh die na het overlijden van Muntendam de Utrechtse Courant in de lucht hielden. Zeer waarschijnlijk is De Jongh sr., voor zover zijn gezondheid dat toeliet, tot aan zijn dood bij de krant gebleven. 
Gegeven de jonge leeftijd waarop Gerrit Nieuwenhuis het octrooi voor de Utrechtsche Courant toegewezen kreeg, is het bijzonder aannemelijk dat hij al onder zijn voorganger Peuch bij het schrijven van de krant betrokken was, en dat hij ook een belangrijke rol speelde bij het verschijnen van de krant in de periode na het vertrek van Peuch.
In de periode dat Olivier courantier was, heeft mogelijk Margaretha Weygel, de nicht van zijn vrouw, bijdragen geleverd aan de Utrechtsche Courant. Zij heeft immers ook bijdragen geleverd aan de Geldersche Historische Courant van Olivier en zou later, in ieder geval in naam, de Stichtsche Courant uitgeven. 

Inhoud
De inhoud van de Utrechtse Courant wijkt in de achttiende eeuw nauwelijks af van die van andere kranten. Hoofdmoot is nieuws uit het buitenland, dat werd aangevuld met binnenlands nieuws en scheepstijdingen en soms ook met mededelingen over loterijen, aandelen of wisselkoersen. Een enkele keer drukt de krant ook een overheidspublicatie af. De resterende ruimte werd gevuld met advertenties. De advertenties betreffen vaak zaken uit de stad of provincie Utrecht, of nieuwe publicaties en medicijnen, ook van buiten de provincie. Zo adverteerden ook de Erven van weduwe Jacobus van Egmont met enige regelmaat hun nieuwe producten.
Bij zijn aantreden in april 1782 richt de ‘tegenwoordige Schryver en Uitgeever deezer Courant’, Gerrit Nieuwenhuis, zich tot de lezer. Zijn streven is ‘een onzydig Oordeel, gepaard met de vereyschte Bescheidenheid en belangelooze Liefde voor de Waarheid’. Met deze ‘gekleurde’ berichtgeving wijkt hij af van de neutrale of regeringsgezinde berichtgeving van zijn voorgangers. In januari 1783 schaart hij zich, naar aanleiding van een vonnis, vierkant achter De Post van den Neder Rhyn (1781-1787) en zet hij ‘het Cleefsch Nieuwspapier, Le Courier du Bas-Rhyn’ en de Haagsche Courant flink op hun plaats in een commentaar, dat driekwart van de krant beslaat.
Het is niet de enige keer dat Nieuwenhuis een commentaar in de krant plaatste dat aan alle nieuwsberichten vooraf gaat. Hij was duidelijk de patriotse zaak toegedaan en stak zijn mening niet onder stoelen of banken. Verder nam hij ingezonden brieven op en volgde de politieke ontwikkelingen in stad en provincie op de voet. Hij publiceerde niet alleen overheidsstukken, maar onder meer ook rekesten en ooggetuigenverslagen. Onder zijn courantierschap nam de hoeveelheid binnenlands nieuws aanzienlijk toe. Buitenlandse berichten werden regelmatig geheel uit de krant verdrongen.
Na de omwenteling van september 1787 wordt de toon van de krant sterk orangistisch en anti-Frans. Ook Olivier richtte zich bij zijn aantreden, op 10 december 1787, rechtstreeks tot zijn publiek. In een tekst die bijna de hele voorpagina vult, stelt hij dat ‘nu het geweld heeft gezwicht voor de goede orde, de laster gefnuikt en de tweespalt bedwongen is’. Hij roept in herinnering hoe hij met zijn Geldersche Historische Courant ‘geen ondienst gedaan heeft om veelen terug te houden van zich meede te laten wegsleepen door de tuimelgeest van verwarring’. Hij streeft ernaar ‘niets te melden als hetgeen oprechtelyk waar en desnoods bewysbaar zoude kunnen zyn’.
Een ontwikkeling waarmee Olivier voorop gelopen lijkt te hebben, is de introductie van familieadvertenties. Deze werden geplaatst na het nieuws, aan het einde in het tweekoloms-deel van de krant. Eerst werden alleen rouwadvertentie geplaatst (de eerste op 27 augustus 1794); vrij snel volgden ook geboorteberichten en aankondigingen van huwelijken. 
In de Bataafse en Franse tijd volgde de krant nauwgezet de koers van de overheid door een overvloed van stedelijke, departementale en landelijke afkondigingen op te nemen.

In een aantal pamfletten uitten lezers hun ongenoegen over de krant:

Relatie tot andere periodieken
De Utrechtse Courant had als voorloper de Utrechtse Courant (1675-1723). Er is voor gekozen deze krant als een afzonderlijke onderneming te beschouwen, aangezien het stadsbestuur in 1743 geen verband legde tussen de nieuwe en de eerdere krant. Bij de octrooiverlening werd namelijk niet gekeken naar het verleden, dat wil zeggen dat er niets werd bepaald over een afkoopsom die aan de courantier van de ‘oude’ Utrechtse Courant of aan diens erven betaald zou moeten worden. Bij latere wisselingen van octrooihouder gebeurde dit wél. Verder had de ‘oude’ Utrechtse Courant een octrooi van de stad én een octrooi van de provincie Utrecht; de ‘nieuwe’ Utrechtse Courant had slechts een octrooi van de stad. 
In 1795 verscheen parallel aan de Utrechtsche Courant wekelijks de Weeklyksche Saturdagsche Utrechtsche Courant (1795). Nr. 1 werd als gepresenteerd als bijblad maar de overige nummers zijn – hoewel de titel anders doet vermoeden – als een zelfstandige uitgave in de markt gezet.
Naast de Nederlandstalige Utrechtse krant verscheen in Utrecht lange tijd ook de Franstalige Gazette d’Utrecht (±1689-1787). In de loop van de achttiende eeuw hebben meerdere courantiers van deze Gazette met wisselend succes geprobeerd het octrooi voor de Utrechtse Courant te verwerven en die krant daadwerkelijk uit te brengen.
De Brabandse Courier (1756) en de Saturdagsche Departementaale Courant van den Rhyn (1800), beide gedrukt in Utrecht, hebben kortstondig inbreuk gemaakt op het octrooi van de Utrechtse Courant, maar verdwenen onder druk van het stadsbestuur weer van de markt.
Margaretha Weygel bracht na het verbod in 1795 van de Utrechtsche Courant van Johannes Olivier de Stichtsche Courant (1795-1796) uit. Nadat deze krant verboden werd, trad Johannes Olivier zelf, nu vanuit Alphen a/d Rijn, weer op de voorgrond met de Voorheen Stichtsche, nu Rhynlandsche Courant (1796-1798).

Exemplaren
De jaargangen 1744-1794 van de Utrechtse Courant uit het bezit van de Maatschappij van Assurantie, Discomptering en Beleening in Rotterdam, die door Sautijn Kluit (1877) zijn geraadpleegd, zijn op enig moment aan Het Utrechts Archief (HUA) overgedragen.
¶ Utrecht, HUA:  bibliotheek L63 I A-C (Utrechtse Courant 1744-1774) – alleen raadpleegbaar op microfilm
¶ Utrecht, HUA: bibliotheek L 63 I c-i (Utrechtsche Courant 1774-1811 en 1813-1815 e.v.) – alleen raadpleegbaar op microfilm
¶ Utrecht, HUA: bibliotheek PK XXVIII I 1 (Extra-ordinaris Utrechtsche Courant 17 mei 1787)
¶ Utrecht, HUA: bibliotheek L 63 I F (Gazette d’Utrecht 1811) – alleen raadpleegbaar op microfilm
¶ Utrecht, HUA: bibliotheek LXXIII B 14-15 (Affiches, Annonces et Avis Divers d’Utrecht 1811-1813) – alleen raadpleegbaar op microfilm
¶ Breukelen, Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen: Utrechtsche Courant 1805-1806
¶ Full text Utrechtse Courant/Utrechtsche Courant (losse nummers 1744-1795), Utrechtsche Courant (1795-1811, 1813-1815) en Gazette d’Utrecht (1811).

Bronnen
¶ Utrecht, HUA: archief 34-4 (notarissen stad Utrecht 1560-1905), inv. nr. U260a007 (overeenkomst Gerrit Nieuwenhuis en Cornelis de Vries betreffende het produceren van de Utrechtsche Courant, akte bij notaris Johan Frederik Gobius jr, d.d. 26-5-1785)
¶ Utrecht, HUA: archief 702 (stadsbestuur van Utrecht 1577-1795) inv.nrs. 121-68 t/m 121-132, Resoluties van de Vroedschap 1743-1795 – alleen digitaal raadpleegbaar in HUA
¶ Utrecht, HUA: archief 702 (stadsbestuur van Utrecht 1577-1795) inv.nrs. 123-46 t/m 123-109, Minuten van de resoluties van de Vroedschap 1743-1795
¶ Utrecht, HUA: archief 702 (stadsbestuur van Utrecht 1577-1795) inv.nr. 367, Rekesten betreffende de Utrechtse Courant 1710-1760 (rekesten van de weduwe Muntendam en van Jacobus de Jongh jr., beide d.d. 7 juli 1760) 
¶ Utrecht, HUA: archief 702 (stadsbestuur van Utrecht 1577-1795) inv.nr. 2260, Specificaties van leges en verschotten van de schout 1786-1788 (incompleet)
¶ Utrecht, HUA: archief 702 (stadsbestuur van Utrecht 1577-1795) inv.nr. 3146-14, Gerechtelijke inventarissen van insolvente boedels 1780-1785
¶ Utrecht, HUA: archief 702 (stadsbestuur van Utrecht 1577-1795) inv.nr. 3222, Repartitieboek, aantekeningen over de verdeling van opbrengsten van huizen of boedels van insolvente debiteurs 1751-1809
¶ Utrecht, HUA: archief 703 (stadsbestuur van Utrecht 1795-1813) inv.nrs. 1-1 t/m 1-12, Notulen van het stedelijk bestuur 25 januari 1795 – 12 mei 1800
¶ Utrecht, HUA: archief 703 (stadsbestuur van Utrecht 1795-1813) inv.nrs. 2-1 t/m 2-5, Afschrift van de notulen van het stedelijk bestuur januari 1795 – december 1796
¶ Utrecht, HUA: archief 703 (stadsbestuur van Utrecht 1795-1813) inv.nr. 469-6, Criminele informaties en getuigenverhoren mei 1795
¶ Amsterdam, Stadsarchief: archief 5001 (Ondertrouwregister) inv.nr. 754 (huwelijk Gerrit Nieuwenhuijs)
¶ Utrecht, HUA: archief 481 (Burgerlijke stand gemeenten in de provincie Utrecht 1811-1902) inv.nr. 1179-01
¶ Utrecht, HUA: archief 711 (Burgerlijke stand Utrecht en Zuilen) inv.nrs. 88 en 106 (certificaten voor de huwelijken van Gerrit Nieuwenhuijs)
¶ Utrecht, HUA: online overzicht van functionarissen, nr. 867 (Gerrit Nieuwenhuis als lid van de Provisionele Municipaliteit in 1795).

Literatuur
¶ J.L.B. de Muralt, ‘Geschiedkundig Overzigt betreffende de Utrechtsche Couranten’, in: Utrechtsche Volksalmanak voor het jaar 1858 (Utrecht 1858), p. 108-128
¶ E.F. Kossmann, De boekhandel te ’s-Gravenhage tot het eind van de 18de eeuw (Den Haag 1937), p. 210-211
¶ A.C. Kruseman, De Fransche wetten op de Hollandsche drukpers 1806 tot 1814 (Amsterdam 1889), p. 191 e.v.
¶ W.P. Sautijn Kluit, ‘Hollandsche en Fransche Utrechtsche couranten’, in Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap te Utrecht deel 1 (Utrecht 1877), p. 26-168.

Jac Fuchs