Nieuwe Schouburgh der Doorlugtigste Konsten en voortreffelijkste Weetenschappen (1686)

Titelbeschrijving
Het Nieuwe Schouburgh der Doorlugtigste Konsten en voortreffelijkste Weetenschappen. Het welk alle maandagen sal ge-opend worden; en aan desselvs beminnaars, vertoonen, een goed deel, uyt alle eerelijke, voordeelige, en vermaakelijke konsten en weetenschappen, als geestigheden, geheymen, diepsinnigheden, kennis, en aard, soo van taalen, als van andere spitsvinnige geleerdheden. Door Polylector [vert. Veellezer]. Eerste Deel.

Periodiciteit
Het voorwoord is ‘Geschreven in Stilte / den 25. Sept: des jaars 1686’, terwijl de publicatiedatum van de eerste aflevering blijkens het titelblad 23 december 1686 is. Tussen beide data liggen drie maanden. Dit was wellicht het gevolg van het feit dat Duykerius stilte prefereerde tot hij een uitgever had gevonden. Intussen moest er tevens worden gewacht op het privilege dat bij de Staten van Holland was aangevraagd. Dit werd uiteindelijk op 28 november 1686 verleend voor de tijd van vijftien jaar (‘Copie van de Privilegie’ afgedrukt in het tijdschrift). In dit octrooi wordt een uitgebreider opsomming van kunsten en wetenschappen gegeven dan op het titelblad vermeld.
Slechts de genoemde aflevering is bewaard gebleven; aanwijzingen dat er meer nummers verschenen zouden zijn, ontbreken. In het voorwoord stelt de schrijver dat het tijdschrift ‘met des te meer lust’ zal worden voortgezet als het bij het publiek in de smaak valt. Door deze voorwaardelijke toezegging krijgt deze eerste aflevering het karakter van een proefnummer.

Bibliografische beschrijving
Het Nieuwe Schouburgh bevat ongepagineerd voorwerk en de genummerde bladzijden 7-24, in-octavo.
Het voorwerk bestaat uit de titelpagina, een drempelgedicht en een voorwoord gericht aan ‘Gunstige en Konstlievende Leesers’. Het zestienregelige drempelgedicht aan de keerzijde van de titelpagina bestaat uit viervoetige jamben met gekruist eindrijm, en is getiteld ‘Op het Nieuw geopende Schouburgh Der Doorlughtighste Konsten, en voortreffelijkste Weetenschappen &c.’

Boekhistorische gegevens
Het Nieuwe Schouburgh is uitgegeven te Amsterdam, door Aart Dirkz. Oostzaan. Oostzaan (Oossaen) had zijn zaak op de hoek van de Dam en de Beursstraat. Hij was in 1686 uitgever van de Amsterdamse Courant die door Caspar Commelin gedrukt werd.

Medewerkers
Het gedicht op de versozijde van de titelpagina verraadt de identiteit van de auteur. De eerste, vierde en zesde lettergreep van elke regel is een hoofdletter; verticaal vormen deze kapitalen samen driemaal de naam IOANNESDUYKERIUS. Bovendien wordt in dit acrostichon de lezer gevraagd bijdragen te leveren over ‘Room’, ‘’t Raar [uitzonderlijke] Athene’ en ‘Indie’. Bij dit laatste valt te denken aan de toenmalige kabinetten, waarin tropische naturaliën werden getoond.
Jo(h)annes DUYKERIUS (1661/1662-1702) maakte in dit blad gebruik van de pseudoniemen Polylector (titelpagina) en Almonius (voorwoord). Aangezien hij de titel S.T.C. (Sacrae Theologiae Candidatus) voerde, moet hij theologie hebben gestudeerd. Hij bleef proponent, naar gezegd werd omdat hij stotterde, en liep nadat er in patria wegens dit gebrek geen kansel voor hem open bleek te staan, tenslotte nog een beroeping naar Suriname mis. Vanaf 1685 was hij actief als broodschrijver. In 1692 trad hij als school- en catechiseermeester in dienst van het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht. Hij zou zich ook beziggehouden hebben met het slijpen van lenzen. Na zijn ontslag bij het weeshuis in 1694 zou hij werkzaam zijn geweest als corrector bij boekdrukkers.
Duykerius staat bekend als een vrijdenker, meer precies als een aanhanger van de wijsbegeerte van Spinoza. Deze aanname valt echter alleen te baseren op twee van de acht werken die hij publiceerde: Het leven van Philopater (1691) en Vervolg van ’t leven van Philopater (1697).

In het openingsgedicht en zijn voorwoord roept Duykerius zijn lezers op hem materiaal toe te sturen, al is het wel de redacteur die over de plaatsing beslist.

Inhoud
Duykerius’ Nieuwe Schouburgh bevat geen tekenen van enige vrijzinnigheid, zoals enige jaren later in Het leven van Philopater.
Uit het openingsgedicht (verso titelpagina) verneemt de lezer dat het nieuwe blad hem interessant nieuws zal brengen, waarmee hij zich kan ontwikkelen. Dit is het doel dat Duykerius met het tijdschrift beoogt. Opvallend is dat hij kiest voor het begrip ‘schouburgh’ in de titel van zijn tijdschrift: het woord ‘theater’ en de vertaling ‘schouwburg’ werden in die tijd frequent gebruikt in de titels van tijdschriften en overzichtswerken. Zo publiceerde dezelfde auteur de spellingwijzer Schouburgh der Needer-duytsche letter-, spel- en lees-konst (Amsterdam 1696).
Het voorwerk van deze eerste aflevering besluit met een vier bladzijden lange introductie van het blad, gericht tot de ‘Gunstige en Konstlievende Leesers’. Voor de Nederlandse persgeschiedenis is deze zeventiende-eeuwse inleiding een interessante tekst. Bij velen bestaat behoefte, aldus Duykerius, aan een tijdschrift dat ‘in hunne bekende Moedertaal’ voorlichting biedt over diverse ‘geleerdheeden’. Een dergelijke informatievoorziening, zo wordt verzekerd, bestaat al enige tijd in het Latijn (waarmee de sinds 1682 te Leipzig uitgegeven Acta Eruditorum bedoeld zullen zijn).
Ook in Franstalige bladen kan men terecht. Duijkerius noemt in dit verband het Journal des Sçavans (Parijs, 1665-1792), de Nouvelles de la République des Lettres (Amsterdam, 1684-1689) van Pierre Bayle en de Bibliothèque Universelle et Historique (Amsterdam, 1686-1693) van Jean le Clerc. Duykerius meldt nog meer ‘diergelyke’ bladen te kennen. Uit zijn verhaspeling van de titels valt echter op te maken dat hij geen kenner was van de toenmalige geleerde pers.

Om het weetgierige publiek tegemoet te komen zegt Duykerius toe dat hij ‘sodaanige stoffe’ zal vertalen en door de druk gemeen maken. Niet echter dan na een zorgvuldige toetsing van de juistheid ervan. De ‘vermaakelyke dingen’ die hij zal debiteren, mogen niet zot zijn of schadelijk.
Duykerius omschrijft dan gedetailleerd wat hij uit zijn blad zal weren. Hij zal geen ‘natuurlyke googelari’ (trucjes) opdissen, noch ‘belachlyke grillen’ of ‘heekeldigten op Overheeden’. Tot het scala van onderwerpen dat Duykerius taboe verklaart, behoort voorts het ‘maken of doen voorkomen’ van kikvorsen, luizen, muizen en vlooien. Dat mensen tot het verwekken van zulke oudtestamentische plagen in staat zouden zijn, een toen nog voortlevend bijgeloof, vond bij de verlichte auteur dus geen steun. Evenmin achtte hij het aannemelijk dat mensen door de lucht zouden kunnen vliegen, een befaamde heksenliefhebberij. Smakelijke stof voor sensatiebladen, niet dus voor Duykerius’ Nieuwe Schouburgh. Onder zijn embargo viel voorts de mogelijkheid dat mensen ‘des Nikkers’ (duivels) gedaante zouden kunnen aannemen, of zich onder water zouden kunnen begeven, dan wel dat hun de mogelijkheid gegeven zou zijn om ‘met een swemgordel’ op het water te drijven.
Merkwaardig hoe hier puur bijgeloof naast gedurfde technologische innovatie – men denke aan de proeven met Drebbels duikboot – tot contrabande wordt verklaard. Handlezen viel voor Duykerius onder de zotte of schadelijke dingen waar hij geen aandacht aan zou schenken. Datzelfde geldt ook voor astrologie, waarover destijds echter zeer verschillend werd gedacht. De kunst om ‘verborgen dingen te vinden’ – geen afgedane kwestie gezien de actuele discussies over de werking van de wichelroede – was eveneens als onderwerp in het blad ongepast.
Toch mag gezegd worden dat Duykerius met de gegeven lijst van beperkingen zijn Nieuwe Schouburgh op essentiële punten in de markt zette als een verlicht periodiek. Hij zegt toe voorlichting te zullen bieden over ‘de Taal – Reeken – en – Meetkonst, de Tydreekening [geschiedenis] en ’s Weerelds beschryvinge [aardrijkskunde], de Ster – en – Natuurkunde, mitsgaders de Character schryf – en – leeskonst’.
Duykerius zegt expliciet ook een vrouwelijke publieksgroep te willen bedienen. Deze ‘soete Schepselen’, de ‘leerbegeerige Juffertjes’, zullen in het tijdschrift kunnen rekenen op eersteklas bijdragen over ‘hare konstige Handwerken… als namentlyk Teikenen, Wit papier knippen, Borduuren, strikken, vlechten en meer ander konstig naajen’. Het gaat hier onder andere over een vorm van kunstnijverheid, de zogeheten ‘papiere snykunst’.
De auteur legt uit dat hij zijn onderwerpen ook eenmalig in boekvorm had kunnen publiceren. Om publieksvriendelijke redenen kiest hij echter voor een wekelijkse periodiciteit. Nu staat het een lezer vrij om zijn aanschaf te beperken tot de afleveringen die hem persoonlijk interesseren, terwijl iemand met een ruimere belangstelling ‘alle weeken een blad van deese Konstschriften’ kan aanschaffen om zo ‘het geheele werk volmaaktelyk [te] bekomen’.

Het Nieuwe Schouburgh is een algemeen tijdschrift dat zeer uiteenlopende onderwerpen behandelt. Hoewel er diverse malen wordt verwezen naar geleerde werken in het Latijn, mag het geen geleerdentijdschrift heten, zoals in het voorwoord wél wordt gesuggereerd: samenvattingen van wetenschappelijke publicaties ontbreken en ook actuele informatie over de internationale Republiek der Letteren is afwezig. Door de didactische toon is het meer een populairwetenschappelijk periodiek.
In nr. 1 van Het Nieuwe Schouburgh worden, genummerd met Latijnse cijfers, vier onderwerpen behandeld. Als eerste thema stelt Duykerius de oud-Egyptische hiërogliefen aan de orde. Zijn kennis ontleent hij aan Oedipus Aegyptiacus (1652-1654) van de jezuiët Athanasius Kircher. Op diens gezag stelt Duykerius het totaal der hiëroglyfen op driehonderd, sommige symbolisch te verstaan, andere op te vatten als verwijzingen naar de objecten die ze uitbeelden. Een reeks figuurtjes, voorstellingen van bijvoorbeeld een huis of een berg, illustreert voor de lezer deze tweede categorie. Hiëroglyfen zouden, zo leraart de redacteur, gediend hebben om de wetenschappelijke kennis van een priesterkaste geheim te houden. Daarnaast bestond een alfabet van 26 letters dat niet geheim was en zich leende voor langere teksten dan met hiëroglyfen konden worden vastgelegd; deze opvatting had Duykerius gelezen in Kirchers Prodromus coptus sive aegyptiacus (1636).
Het tweede onderwerp heeft betrekking op de wijze waarop oude opschriften en inscripties dienen te worden gekopieerd. Hieraan is een overzicht toegevoegd van het aantal lettertekens dat wereldwijd bij de diverse taalgemeenschappen in gebruik is of ooit was. Ook de kunst van het graveren van letters in steen of metaal, ingesneden of uitgesneden, wordt toegelicht, waarbij illustraties de uitleg ondersteunen. Met voorbeelden wordt getoond dat er verschil is tussen los en lopend schrift, en dat er meerdere schrijfrichtingen bestaan (zoals van rechts naar links of van boven naar beneden). Lezers die meer willen weten, zien zich verwezen naar Gerardus Joannes Vossius: De arte grammatica (1635) en Olaus Wormius: Lexicon runicum (1651). Blijkbaar rekent Duykerius erop dat zijn tijdschrift zal overleven, want hij belooft de leergierige lezers een stuk over het lezen van opschriften volgens de regels van Spanhemius en anderen.
Als derde onderwerp presenteert Duykerius meetkundige opgaven. De eerste vraagt om een stuk papier met een gat erin met drie sneden in acht stukken te knippen. De oplossing wordt met twee afbeeldingen verduidelijkt. Men oordele niet geringschattend over dit probleem, tekent Duykerius hierbij aan: onlangs nog kwam het ter sprake, toen iemand more majorum, met de kap ofwel zeer glansrijk, tot doctor in de wijsbegeerte promoveerde. Een tweede opgave vraagt een hartvormig brood langs één lijn in drie stukken te verdelen. Ook hier gaat de oplossing vergezeld van een afbeelding, kenmerkend voor Duykerius’ didactiek. Voor een en ander was hij schatplichtig aan De arithmetische en geometrische fondamenten (1615) van Ludolph van Ceulen. Na de vraag over het brood tekent hij aan: ‘Dit is geen konst [wetenschap], weet ik wel, [… maar] de meeste beginselen der Wiskonst zyn in ’t oog soo gering en eenvoudig’. Waarna hij de axiomata 5, 3 en 2 – in deze volgorde – uit het eerste boek van Euclides’ Elementen citeert (overigens zonder bronvermelding).
Een algebraïsche methode om een geheimgehouden getal te berekenen, is het laatste van de vier onderwerpen die Duykerius behandelt. Iemand noemt een getal en slaat daarna een ander getal in zijn geheugen op dat hij geheimhoudt. Zijn partner die moet ‘raden’, kiest de waarde y=1, en vertelt dat hij deze waarde een aantal malen deelt en vermenigvuldigt, waarbij de geheimhouder in stilte met het door hem genoemde getal dezelfde bewerkingen uitvoert. Het geheime getal is dan de eindwaarde van de rader, maal het aan het begin bekend gegeven getal van zijn partner. Met de bewerkingen optellen en aftrekken functioneert deze procedure ook. Als regel stelt Duykerius dat ‘proportionaale getallen […] ’t zy men die getallen divideert of multipliceert], addeert of substraheert […], sy blyven altyd in hun proportië of geproportioneerde getallen’. Er zijn dus een gegeven getal, een geheim getal en een algoritme; indien men het algoritme toepast op het gegeven getal, verkrijgt men het geheime getal.

Exemplaren
¶ Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 310 F 40

Literatuur
J. de Vet, ‘De redactietafel als plaats van geleerdheid. Nederlandstalige periodieken in het tijdperk van de Verlichting’, in: G. van Gemert, F. Korsten, P. Rietbergen en J. de Vet, Orbis doctus 1500-1850. Perspectieven op de geleerde wereld van Europa: plaatsen en personen (Amsterdam/Utrecht 2005), p. 196, 204-206
¶ W. van Bunge, ‘Philopater, de radicale Verlichting en het einde van de Eindtijd,’ in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 26 (2003) 1, p. 10-19
¶ M. Wielema, item ‘Duijkerius, Johannes’, in: W. van Bunge e.a. (ed.), Dictionary of seventeenth and eighteenth-century dutch philosophers (Bristol 2003), deel 1, p. 279-282
¶ J.I. Israel, Radical Enlightenment. Philosophy and the making of modernity 1650-1750 (Oxford 2001), p. 316-320
¶ G. Maréchal, Johannes Duijkerius. Het leven van Philopater en Vervolg van ’t leven van Philopater. Een spinozistische sleutelroman uit 1691/1697 opnieuw uitgegeven en van een inleiding en noten voorzien (Amsterdam/Atlanta 1991), p. 14, 40
¶ D.M. Bakker en G.R.W. Dibbets, Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde (Den Bosch 1977), p. 41.

Jan de Vet